Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1861 - 1868)

Uitvoer naar Nederlands-Indië

Verscheidene Goese ambachtelijke bedrijfjes verzenden jaarlijks producten naar Nederlands-Indië. Deze worden doorgaans verscheept vanaf Rotterdam naar Soerabaja.
Voor deze uit te voeren goederen moet het gemeentebestuur jaarlijks een zogenaamd certificaat van oorsprong naar het Departement van Koloniën toezenden.

In 1863 betreft het goederen:

  • van zadelmakerij Ramondt, bestaande uit 20 halsters, 10 hoofdstellen en een paard slip;
  • van sigarenmakerij G.M. Le Cointre 9.000 sigaren;
  • van vleeshouwer J.J. Sloover 9 kisten met 21 blikken bussen met rolpens, saucijs de Bourtange en rookvlees;
  • van zadelmakerij Ramondt een kist met 5 zadels met toebehoren, tien rij- hoofdstellen, 12 over singels en 24 buiksingels.

In 1865 betreft het goederen:

  • van zadelmakerij Ramondt voor 5 zadels, 15 rijhoofdstellen en 30 stalholsters;
  • van sigarenfabrikant J.J. Le Cointre voor 3.000 sigaren.

In december 1865 maken burgemeester en wethouders bekend dat bij Koninklijk Besluit van 1 december, met intrekking van alle vroegere voorschriften, nieuwe bepalingen zijn vastgesteld over de certificaten van oorsprong voor goederen bestemd om naar Nederlands-Indië te worden uitgevoerd. Volgens die bepalingen dient jaarlijks in januari een lijst door het gemeentebestuur te worden opgemaakt van de handelaren die het voornemen hebben te kennen gegeven om goederen voor verzending naar Nederlands-Indië te vervaardigen of te bewerken. Alleen aan die handelaren die op deze lijst voorkomen, zullen op de gewone wijze certificaten van oorsprong kunnen worden afgegeven. Alle andere zullen voor de kantonrechter moeten worden beëdigd. Degenen die zulke goederen vervaardigen worden opgeroepen zich te melden.

Daarop komen de volgende opgaven binnen:

  • Jacobus Johannes Le Cointre, sigarenfabrikant, heeft het voornemen om bij bestelling van sigaren voor Nederlands-Indië deze weer in zijn werkplaats te vervaardigen en bij de uitvoer daarvan certificaten van oorsprong aan te vragen;
  • Johannes Slover, vleeshouwer en spekslager, heeft het voornemen, indien daarvoor bestellingen worden gedaan, de waren met betrekking tot zijn handel ook naar Indië te verzenden;
  • de weduwe A. Steendijk, wijnhandelaarster, deelt mee van tijd tot tijd wel eens bij haar bewerkte wijn naar Oost-Indië te zenden;
  • M.J. de Jongh, eveneens wijnhandelaar, deelt mee van tijd tot tijd wel eens bij hem bewerkte wijn naar Oost-Indië te verzenden;
  • M.A. Ramondt, zadelmaker, deelt mee dat hoogstwaarschijnlijk door hem vervaardigde goederen naar Nederlands-Indië zullen worden verzonden, bestaande uit zadelmakerwerk als zadels, hoofdstellen, halsters, karwatsen, sjabrakken enzovoorts.

In 1866 worden certificaten van oorsprong afgegeven aan:

  • zadelmaker M.A. Ramondt voor het verzenden van een kist, gemaakt door J.J. Ramondt, per barkschip ‘Nederland en Oranje’, kapitein J.W. Muller te Rotterdam, bestaande uit 14 rijzadels met stijgbeugels, 16 rijhoofdstellen, 8 dito, 15 stalhalsters, 36 buikcingels, 24 stijgriemen en 3 stukken touw, inhoudende vijf stel paardentuigen;
  • sigarenfabrikant J.J. Le Cointre voor een partij sigaren, bestaande uit 5.000 stuks, vervaardigd van inlandse tabak, ingepakt in 50 kistjes, gemerkt Willem III Koning der Nederlanden, verzonden in een kist gemerkt J.J. Ramondt van het barkschip ‘Nederland en Oranje’ naar Panaroekan.

Voor 1867 worden de volgende opgaven gedaan:

  • zadelmaker M.A. Ramondt schrijft dat het zeer waarschijnlijk is dat hij over 1867 weer zadelmakerwerk naar Oostindien moet zenden;
  • wijnkoper F. van Heel deelt mee dat hij in de loop van 1867 goederen naar Nederlands-Indië dient te verzenden en wel voor de artikelen wijn, wijnazijn, likeuren enzovoorts;
  • slager en vleeshouwer J.J. Sloover deelt mee dat hij in 1867 ingemaakte rolpens, saucijzen de Boulogne en gerookt vlees naar Nederlands-Indië zal moeten verzenden;
  • wijnkoper F. van Heel doet een opgave voor 270 kannen wijn, gebotteld in flessen.

Op de lijst van degenen die het voornemen hebben in de loop van 1869 goederen naar Nederlands-Indië te verzenden worden vermeld:

  • de weduwe D. Steendijk voor wijn, wijnazijn, likeuren enzovoorts;
  • vleeshouwer J.C. Sloover voor ingemaakte rolpens, Saucijs de Boulogne en gerookt vlees;
  • zadelmaker M.A. Ramondt voor zadelmakerwerk.

Kamer van koophandel

In verband met de dreigende opheffing van de Kamer van Koophandel hebben de heren O. Verhagen en enige andere fabrikanten in de gemeente een adres aan Zijne Majesteit de Koning gericht met het verzoek geen gevolg te geven aan het besluit van de gemeenteraad over de opheffing van de Kamer van Koophandel. Gedeputeerde Staten verzoeken de gemeenteraad daarover haar beschouwingen te geven.

Kort voor de vergadering van de gemeenteraad legt de heer Verhagen namens de adressanten een brief aan de gemeenteraad voor over de wenselijkheid van het behoud van de Kamer. In brede trekken geeft de brief het nut van de Kamer van Koophandel weer en hetgeen wellicht in het vervolg kan worden gesticht.
Hierover ontspint zich globaal de volgende discussie in de raadsvergadering.
De voorzitter beaamt ten volle hetgeen de heer Verhagen in zijn brief aangeeft over het nut van de Kamer van Koophandel in het algemeen en speciaal in een gemeente van kleine omvang. Als echter de gemeenteraad alsnog besluit ƒ 50 uit te trekken voor het salaris van een secretaris kan het voorstel om de Kamer op te heffen ingetrokken worden.
Wethouder Kakebeeke is het met de voorzitter eens.
De heer De Knokke van der Meulen was de vorige keer niet aanwezig en zou daar ook niet mee akkoord zijn gegaan. Hij zou graag zien dat de gemeenteraad terugkomt van zijn besluit.
De heer Van Kerkwijk herinnert eraan dat de Kamer van Koophandel er destijds niet op initiatief van de gemeenteraad maar van een aantal fabrikanten is gekomen. Hij vindt ook dat de Kamer van Koophandel van veel nut kan zijn, maar het is voor hem onbegrijpelijk dat zovele voorname handelaren in de gemeente voor het lidmaatschap hebben bedankt. Kunnen deze dan onder hun betrekkingen niemand vinden die het secretariaat wil waarnemen?
De heren Van Voorst Vader en Smallegange betogen nimmer te zullen instemmen met verhoging van de bijdrage aan de Kamer van Koophandel om een secretaris te kunnen aantrekken.
De heer Soutendam stemt in met de woorden van de voorzitter en ook de heer Kakebeeke is voor het behoud van de Kamer van Koophandel. Hij acht de opoffering van de gemeente zo gering dat dit geen geldverspilling kan worden genoemd.
De heer Fransen van de Putte stelt voor het college opdracht te geven uit het verhandelde een concept antwoord voor Gedeputeerde Staten samen te stellen en dit in de volgende vergadering vast te stellen.

Koopmansbeurs

Ingekomen is een verzoek van enige landbouwers in de gemeente ‘s-Heerenhoek om daarvoor aangevoerde redenen de uren van het openstellen van de graanbeurs op de marktdag in de gemeente Goes te veranderen en te stellen van 11 tot 1 uur inplaats van 1 tot 3 uur. Besloten wordt dit adres voor advies te stellen in handen van de commissarissen voor de korenbeurs. De commissarissen delen daarop mee dat het bij herhaling een onderwerp van overweging is geweest om de opening van de beurs te vervroegen of de duur daarvan in te korten. Met het oog echter ‘op de botermarkt en andere bezigheden van de uitwonende man’ heeft men steeds moeten afzien om het aanvangstijdstip van de beurs te vervoegen.
Daartegen bestaan nog dezelfde bezwaren. Niettemin kan in overweging worden genomen om de beurs in de wintermaanden, dus van 1 oktober tot eind maart, te bepalen op twee uur. Besloten wordt een daartoe strekkend voorstel aan de gemeenteraad aan te bieden.

Het gemeentebestuur overweegt in september 1863 dat de gemeenteraad heeft besloten een wijziging te brengen in de tijd gedurende welke de koopmansbeurs op de markdagen zal geopend zijn en dat die verandering op 1 oktober in werking zal treden. Besloten wordt hiervan openbare bekendmaking te doen.

Korenbeurs

In verband met de wijziging van de openingsuren van het telegraafkantoor stelt het college in maart 1863 de gemeenteraad voor om de beursuren vast te stellen van 1 oktober tot eind maart van 12 tot 2 uur en gedurende de overige maanden van 12 tot 3 uur. De gemeenteraad gaat hiermee akkoord. Er wordt een nieuw reglement voor de beurs vastgesteld.

In november 1863 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van J. Sino, dansmeester te Goes, om gratis gebruik te mogen maken van het lokaal boven de korenbeurs voor het geven van dansles op maandag-, woensdag- en vrijdagavond van half acht tot half negen uur gedurende de maanden november en december 1863 en januari en februari 1864. Besloten wordt het verzoek in te willigen op voorwaarde dat hij zich wat betreft het openen en sluiten en het onderhoud van het lokaal dient te verstaan met de bode van de zangverenging, tevens conciërge van de zangschool, die in hetzelfde lokaal wordt gehouden.

Ambachts- en fabrieksnijverheid

De fabrieksnijverheid bestaat deze jaren uit:

  • een zaagmolen, genaamd ‘de Eendracht’, van de gebroeders Harinck; vooral vanaf 1865 verkeert deze in een bloeiende toestand en is hier een aanzienlijke houthandel aan verbonden; er werken 3 mannen;.
  • een oliemolen, genaamd ‘de Hoop’, van de heer G.H. Kakebeeke; er werken 1 baas, 1 knecht en 1 jongen boven de 16 jaar;
  • een patent-oliefabriek van de heer G.H. Kakebeeke;
  • twee korenmolens, tevens pelmolens, ‘de Korenbloem’ van J. Adriaanse en ‘de Vijf Gebroeders’ van J. van Putte en vanaf 1864 van N. Remijn; op de molens werken ieder 1 knecht;
  • een stoom-meelfabriek en grutterij, genaamd ‘de Vos’, van J.H.C. Kakebeeke; er werken 6 mannen;
  • twee meekrapstoven, genaamd ‘de Zon’ en ‘de Liefde’, ieder met een maaltoestel van 7 paardenkrachten; er werken 8 mannen in iedere fabriek;
  • drie mee- en garancinefabrieken, te weten de fabriek ‘Zuid-Beveland’ van de firma Verhagen & Co.; de fabriek ‘Stad Goes’ van de firma dr. C.A. van Renterghem, later overgegaan naar de firma Fransen van de Putte & Co.; nog een garancinefabriek van de firma Fransen van de Putte & Co. In 1862 hebben deze fabrieken, door de stilstand van de fabrieken in de katoendistricten, niet gewerkt. De meefabriek ‘Stad Goes’ werkte in 1864 als gevolg van het aanbrengen van meerder machinerie met 8 volwassen mannen en een jongen voor het malen van wortelen. In 1864 tot en met 1866 bleef de garancinefabriek buiten werking; deze is in 1865 verhuurd aan de Zeeuwsche maatschappij voor meekrapbereiding te Wilhelminadorp. De fabriek ‘Zuid-Beveland’ hield zich in 1864 alleen bezig met het drogen van wortelen en in 1866 bleef deze buiten werking;
  • de zoutkeet van O. Verhagen bleef in 1862 en 1864 en 1865 en 1866 buiten werking;
  • de hoedenfabriek van J.P. Magielse; er werken 4 mannen;
  • de hoedenmakerij van F.L. Goossen;
  • de stro hoedenfabriek van de weduwe J. Heirman; deze ging in 1864 over op J.F.J. Knitel;
  • de leerlooierij van P.L van der Riet; vanaf 1865 is deze voortgezet door de weduwe Van der Reit; er werken 2 mannen;
  • de ververij van zijden- en katoenen stoffen van L.J. Siepman; in 1864 komt er nog een dergelijke ververij bij van A.P. van Melle en in 1865 nog een. In 1865 zijn er drie ververijen in de gemeente, te weten van C. de Brandt, A.P. van Melle en J.E. Verbiest; in alle drie de ververijen werken enkel de bazen;.
  • de bierbrouwerij tevens azijnmakerij ‘de Gans’ van E. de Meulemeester; hierin werken een kuiper en drie knechts; er werken 5 mannen en 1 jongen;
  • drie chocolaadfabrieken van A. Nortier, C. Pilaar en Zonen en G. van der Hoek; in 1866 gaat er een te niet; in de ene fabriek werken 2 mannen en in de andere 1 man;
  • de kaarsenmakerij van G. van der Hoek; er werkt 1 man;
  • drie touwslagerijen, te weten van C. Groenhof, N. de Lange en M.J. Scheffer; door het overlijden van C. Groenhof is deze touwbaan in 1864 buiten werking gesteld, maar in 1865 voortgezet door J. Kooman; in de ene werken 3 mannen en in de andere 1 man en 1 jongen; in de derde eveneens 1 man en 1 jongen;
  • een borstelfabriek; er werken 5 mannen;
  • de sigarenfabriek van G.M. Le Cointre; vanaf 1865 door J.J. Le Cointre; er werken 3 jongens;
  • een laboratorium van de apothekers P.A. Hochart & Zoon voor de bereiding van geneesmiddelen;
  • drie boekdrukkerijen, te weten van de firma F. Kleeuwens & Zoon (met vijf zetters en drukkers, een binder, drie jongmaatjes en een winkelbediende), S.J. de Jonge en M. Crombouw (in 1864 van de weduwe Crombouw); op de ene drukkerij werken 13 mannen, op de andere 6 mannen en 1 loopjongen en op de derde 2 mannen
  • een steenbakkerij voor draineerbuizen van J.M. van der Made & Co; deze fabriek is in 1864 afgebroken;
  • een scheepstimmerwerf, die in 1862 van geringe betekenis was; in 1864 is een op deze werf gebouwd tjalkschip te water gelaten; in 1866 is er weer een nieuw schip op stapel gezet, hoewel in 1866 de werf in andere handen is overgegaan. In 1867 en 1868 heeft de werf niet gewerkt.

Azijnmakerijen

Er is deze jaren een azijnmakerij in de Agnesgang van E. de Meulemeester.
De Meulemeester krijgt op zijn verzoek in november 1861 vergunning om de muur van zijn azijnmakerij in de Agnesgang met een el te verhogen.
In september 1865 vraagt hij vergunning voor een verandering aan zijn azijnmakerij. Hij wil ook de muur in de Agnesgang langs de westkant van zijn fabriek met 75 duimen verhogen. Ook hiervoor krijgt hij vergunning.

Bakkers

Bakkers zijn deze jaren in elk geval:
Pieter van der Does aan de Lange Kerkstraat, broodbakker;
Andries Marinus Elve aan de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat, koekbakker;
F.L. Goossen aan de Ganzepoortstraat, broodbakker;
Johannes de Graag aan de Opril Grote Markt, koekbakker;
A.L. den Hartog op de hoek Papegaaystraat/Korte Vorststraat, koekbakker;
Jacob Scheele aan de Grote Kade, broodbakker;
Cornelis Schot aan de Korte Kerkstraat, broodbakker;
M. Sterk aan de Turfkade, koekbakker.

In januari 1861 krijgt bakker F.L. Goossen vergunning om in de schuur achter zijn woonhuis en broodbakkerij in wijk C 200 aan de Ganzepoortstraat, schuins uitkomende in het Schotje van Armoe, een schoorsteen vanaf de begane grond en aan de zijde een waterfornuis met een ijzeren ketel en een verwarmingsfornuis, dicht gedekt met een ijzeren plaat, te laten metselen.

Broodbakker Jacob Scheele op de hoek van de Grote kade en de Oostwal in wijk B 40 verzoekt het gemeentebestuur om het commiezenwachthuisje te mogen kopen, dit te vernieuwen en zijn woning uit te bouwen. Hij krijgt toestemming ‘om het chaletje van zijn woonhuis en het commiezenwachthuisje van de gemeente, staande aan de haven bij de brug, af te breken en dit weer op te bouwen’. Boven dat wachthuis mag hij een kamer met dubbele zolder laten bouwen en die kamer tot gebruik van zijn talrijk huisgezin aanwenden.

In april 1866 krijgt broodbakker Pieter van der Does vergunning om de gevel van zijn woonhuis C 10 in de Lange Kerkstraat overeenkomstig een overgelegde tekening te veranderen. Ook broodbakker Cornelis Schot mag in april 1866 de gevel van zijn woonhuis A 111 in de Korte Kerkstraat laten ‘beporten’.
En ook de koekbakker Johannes de Graag krijgt in juli 1866 toestemming om de achtergevel van zijn woonhuis B 5 aan de Opril van de Grote Markt, uitkomend in het Vuilstraatje, volgens een overgelegde tekening te veranderen.
Koekbakker en winkelier A.L. den Hartog krijgt in maart 1867 vergunning om in zijn woonhuis C 100 op de hoek Papegaaystraatje/Korte Vos een bakoven te stichten.
In november 1867 deelt Andries Marinus Elve, winkelier te Ellewoutsdijk, mee voornemens te zijn om in het woonhuis D 53 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat een broodbakkerij te stichten. Hij krijgt vergunning om daar een bakoven te laten bouwen. En ook koekbakker M. Sterk krijgt in april 1868 toestemming om de stoep voor zijn woonhuis D 26 op de Turfkade te verleggen.
Broodbakker Jacob Scheele deelt het gemeentebestuur in juni 1868 mee dat hij door koop eigenaar is geworden van de broodbakkerij B 75, vroeger bewoond door bakker De Plaa, staande in de Sint Jacobstraat. Hij krijgt toestemming om de oude schoorsteen van de daar nog bestaande oven weg te breken en door een nieuwe te vervangen.
In augustus 1868 krijgt ook broodbakker Cornelis Schot toestemming om in zijn woonhuis A 111 in de Korte Kerkstraat een oude schoorsteen weg te breken en door een nieuwe te vervangen.

In april 1868 blijkt uit het verslag van de openbare gezondheidscommissie over 1867, dit tot bevreemding van de gemeenteraad, dat er bij acht bakkers vervalsing van het brood was ontdekt met voor de gezondheid schadelijke bestanddelen. Hiertegen kan niet worden opgetreden als niet tevens de namen worden genoemd van de bakkers waarvoor men waarschuwen wil. In het verslag wordt wel de naam genoemd van de persoon waar vervalste azijn werd verkocht. Burgemeester Blaaubeen merkt echter op dat de namen ook bij de gezondheidscommissie niet zijn opgegeven, omdat er geen zekerheid bestond of de vervalsing wel door de bakkers zelf is geschied.

Ook bij particulieren worden soms bakovens gebouwd. Zo krijgt Pieter de Poorter in augustus 1861 vergunning voor het stichten van een bakoven in de bakkeet van zijn huis C 415 aan de ’s-Heer Hendrikskinderendijk. En in januari 1862 mag de huisarts dokter R.B. van den Bosch in zijn pakhuis in wijk A 189 een bakoven laten bouwen.

Blekerijen

Het bleekveld van de stad, gelegen achter de Wijngaardstraat, wordt deze jaren geëxploiteerd door de bleker Marinus Korstanje. In april 1867 vernemen we iets van hem. Hij krijgt dan vergunning om in zijn woonhuis D 194 aan de Nieuwstraat een nieuwe schoorsteen te laten maken. Ook in oktober 1867 krijgt hij toestemming om in zijn woonhuis een oude schoorsteen weg te breken en door een nieuwe te vervangen.

Boekhandelaren

Verscheidene boekhandelaren en boekbinders zijn deze jaren in de stad werkzaam o.a. L. de Fouw aan de Korte Kerkstraat en A.A.W. Bolland aan de Lange Kerkstraat.
In januari 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Bolland met het bericht van zijn vestiging in de stad als boekhandelaar en boekbinder. Hij schrijft:
Daar ik mij hier als boekhandelaar gevestigd heb, zo neem ik de vrijheid het gemeentebestuur beleefd te verzoeken mij ook te doen gelden als leverancier van alle stedelijke behoeften in mijn vak voorkomende. Mij vleiende met een goed succes heb ik de eer met achting te zijn,
A.A.W. Bolland’.

Bij de brief is een gedrukte kennisgeving gevoegd met de volgende inhoud:

Bij deze heb ik de eer Ued. een circulaire aan te bieden betreffende mijne vestiging als BOEKHANDELAAR EN BOEKBINDER te Goes.
Toegerust met de nodige kennis en veeljarige ondervinding in het vak van boekhandelaar en boekbinder, zal het steeds mijn streven zijn mij op een waardige wijze van mijn taak te kwijten en door een ruim op beziens zenden alles aanwenden om uw ed. op de hoogte te houden van al het nieuws dat dagelijks in de boekenwereld voorkomt.
Ik neem daarom de vrijheid mij bij uw ed. aan te bevelen en hoogst aangenaam zal het mij zijn, zo Uw ed. mij uw vertrouwen schenkt en mij met uwe orders vereert. Alle bestellingen de BOEK-, MUZIEK- EN PLAATHANDEL betreffende worden door mij dadelijk gedaan en ik geef uw ed. de verzekering dat alles door mij ten spoedigste wordt afgeleverd. etc.’.

In januari 1866 deelt boekhandelaar A.A.W. Bolland mee dat in het aan zijn woning grenzende huis van S. Molhoek in de Lange Kerkstraat aanwezig is een varkenshok. Dit is geplaatst onmiddellijk tegen de binnenmuur tussen de twee huizen ter plaatse waar zich aan zijn zijde zijn enige woonkamer bevindt. Hij heeft grote problemen met de stank en voor de gezondheid nadelige dampen. Hij verzoekt de nodige maatregelen te treffen.

Boekhandelaar L. de Fouw geeft het gemeentebestuur in oktober 1866 te kennen voornemens te zijn om de schoorsteen op zijn binderij in het pand A 110 in de Korte Kerkstraat weg te laten breken tot tegen de nok en deze te vervangen door een nieuwe.

Brouwerijen

E. de Meulemeester is al sinds jaren bierbrouwer in de brouwerij ‘de Gans’ aan de Wijngaardstraat. Sinds enkele jaren heeft hij ook een hoedenfabriek in een gebouw buiten de Koepoort.
In 1861 krijgt De Meulemeester vergunning om in het gebouw in wijk E 129 buiten de Koepoort twee schoorstenen te laten aanbrengen in de bovenvertrekken. In zijn verzoekbrief schrijft hij: ‘om twee stookplaatsen in de bovenste vertrekken van de huizen buiten de Koepoort te mogen plaatsen’. In dit gebouw was voorheen een hoedenfabriek gevestigd.
In december 1864 dient hij een verzoek bij het gemeentebestuur in om een muur aan zijn brouwerij ‘de Gans’ af te breken en weer op te bouwen en daarin te plaatsen een deur, een kelderlicht en twee raampjes. Hij krijgt hiervoor toestemming.
Bierbrouwer De Meulemeester deelt het gemeentebestuur in mei 1866 mee voornemens te zijn de grote deur van het pakhuis, bijgenaamd ‘Het oude koetshuis’, deel uitmakende van het gebouw A 186 in de Wijngaardstraat naast de Agnesgang, te laten vervangen door een kleine deur zonder raam met een boogje. Hij krijgt toestemming om de gevel van het pakhuis A 180 in woonhuizen te veranderen.
Kort hierna is E. de Molenmeester overleden. Zijn weduwe zet de bierbrouwerij voort. Ze deelt het gemeentebestuur in november 1868 mee dat zij door de langdurige en steeds aanhoudende droogte gebrek heeft aan water voor haar bierbrouwerij. Op verschillende wijzen heeft ze getracht water te bekomen op haar eigen erf, maar hierin is ze niet geslaagd. Hierdoor is het haar verder onmogelijk te brouwen, hetgeen niet alleen voor haarzelf maar ook voor het bij haar werkzame personeel zeer nadelig zou zijn. Het water uit de vest achter haar erf zou door filtratie zeer goed voor haar brouwerij gebruikt kunnen worden. Daarom verzoekt ze door de wal dit water op haar erf te mogen brengen en dit aan te wenden op een zodanige wijze als het belang zal vorderen. Het gemeentebestuur verleent haar toestemming op voorwaarde dat de passage op de wal niet mag worden belemmerd en de buizen goed worden aangevuld en de wal weer naar behoren wordt geëffend.

Draineerbuizenfabriek

De draineerbuizenfabriek is tot en met 1862 in exploitatie bij de heer J.M. van der Made.
De commissaris van politie maakt in oktober 1862 een proces-verbaal op vanwege het leggen van beetwortelen op grond van de gemeente die aan Van der Made tot steenplaats in erfpacht is gegeven.
Helaas gaat het bedrijf van Van der Made failliet.

In maart 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de procureur mr. J.H. de Laat de Kanter met de kennisgeving dat de heren J.C. Dominicus van den Bussche en mr. P.J.A. van Dam, curatoren in de failliete boedel van J.M. van der Made, hem hebben belast met het tot stand brengen van de publieke verkoop van de hun in gemeenschappelijke eigendom toehorende draineerbuizenbakkerij. De gebouwen daarvan zijn destijds opgericht op gemeentegrond en in erfpacht aan de heer J.M. van der Made uitgegeven. Ze verzoeken vergunning om in de veilcondities op te nemen dat de koper van de gebouwen tevens treedt in de plaats van de grond op gelijke voorwaarden als met Van der Made is gesloten.

Als gevolg van het raadsbesluit van 28 maart 1863 en het mondeling verzoek van de heer J.J. van den Broeke machtigt het gemeentebestuur op 1 augustus 1863 de burgemeester om met Van den Broeke en de draineerbuizenfabrikanten J.C. Dominicus van den Bussche en E. en J. Bannet, handelende onder de firma Van den Broeke en compagnon, een overeenkomst aan te gaan voor de overgang van de pacht van 70 roeden en 40 ellen gemeentegrond, eertijds aan J.M. van der Made onderhands verpacht bij akte van 17 september 1859 tot eind september 1874 voor ƒ 100 per jaar.

De nieuwe eigenaar, de heer J.J. van den Broeke, verzoekt in juni 1863 om enige bomen, staande in de nabijheid van de draineerbuizenfabriek en daarvoor zeer nadelig, te mogen rooien, vooral ook omdat de bomen door het stoken van de oven zeer lijden en vermoedelijk sterven. Hiermee wordt akkoord gegaan.
De heer Van den Broeke is niet lang eigenaar van de draineerbuizenfabriek. In maart 1864 deelt hij het gemeentebestuur mee dat hij voornemens is de draineerbuizenfabriek, staande op grond van de gemeente, op 15 maart 1864 ten overstaan van notaris Kakebeeke publiek te verkopen. Hij vraagt toestemming om aan de eventuele koper te verzekeren dat het gemeentebestuur genegen is de grond, door hen in pacht bezeten, over te dragen. Dit met de uitdrukkelijke bepaling dat de koper van de gebouwen aan het gemeentebestuur zekerheid dient te geven wat betreft de pachtpenningen voor de grond en de in het pachtcontract vermelde condities.

De heer J.J. van den Broeke verzoekt het gemeentebestuur in februari 1864 om vergunning om bij de voorgenomen publieke verkoop van de steen- en draineerbuizenfabriek, gebouwd op de in erfpacht bezeten gemeentegrond, aan de eventuele koper te verzekeren dat het gemeentebestuur bereid is de pacht van die grond over te dragen. Besloten wordt Van den Broeke te kennen te geven dat het college bereid is de pacht van 70 roeden en 40 ellen gemeentegrond, liggende aan de oostzijde van de haven in wijk B nummer 241, aan de eventuele koper van hun fabriek over te laten tot het eindigen van de lopende pacht, zijnde eind september 1874, onder dezelfde voorwaarden als waarop de oorspronkelijke verpachting heeft plaats gehad en onder de speciale bepaling dat door de nieuwe pachter behoorlijke borgtocht wordt gesteld tot genoegen van het college.

In september 1864 geven de heren Jan Jacob van den Broeke, koopman, Jan Cornelis Dominicus van den Bussche, politiecommissaris, Eliazer en Joseph Bannet, kooplieden, aan het gemeentebestuur te kennen dat hen door de gemeente in pacht is afgestaan tot het jaar 1874 70 roeden en 40 ellen gemeentegrond aan de oostzijde van de haven met vergunning om daarop een draineerbuizenfabriek te stichten. Zij verzoeken nu dat deze fabriek wordt opgeheven en gesloopt. Na de afbraak van de fabriek willen ze de grond blijven exploiteren als bouw- of tuingrond. Ze hebben haast om de fabriek af te breken en de pacht op te heffen vanwege de toenemende afkalving van de grond door de schuring van de stoomboten in de haven.
De voorzitter deelt de gemeenteraad mee dat het college van burgemeester en wethouders van gevoelen is dat het niet in het belang van de gemeente zou zijn de verzoekers van de pacht te ontslaan, maar geen bezwaar heeft om het verzoek om de fabriek af te breken in te willigen. De verzoekers willen de grond voor tuin- of bouwgrond gebruiken indien het eerste verzoek wordt toegestaan en het laatste verzoek van de hand wordt gewezen.
Met algemene stemmen besluit de gemeenteraad toe te staan dat de stenen draineerbuizenfabriek wordt afgebroken. De grond zal voor tuin- of bouwgrond worden gebruikt onder voorwaarde dat deze bebouwd wordt volgens de geldende eisen. Wat betreft het aanbod van de heer Van den Broeke om de gebouwen aan de gemeente af te staan voor afbraak en gebruik daarvan tot steenglooiing aan de havenboorden besluit de gemeenteraad afwijzend. Hen zal worden kennisgegeven dat een zodanige steenglooiing minder doelmatig geacht wordt. Bij de begroting voor 1865 is voorgesteld de glooiing te maken met afval van Vilvoorde steen.

Drogerij van vlas

In november 1864 geeft de heer J.M. van Zoom te kennen dat hij, evenals vorig jaar, een drogerij voor het bewerken van vlas heeft aangelegd op het perceel E nummer 81 op meer dan 45 ellen afstand van de gebouwen en van de publieke weg.

Garancinefabrieken

In deze jaren zijn er drie garancinefabrieken in de gemeente.
Ze zijn van de heren Fransen van de Putte, van dr. C.A. van Renterghem en van de heer O. Verhagen.

De fabriek van de heren Fransen van de Putte komt in maart 1861 in werking. Het gemeentebestuur ontvangt een brief van de heren met de uitnodiging om op een door het college te bepalen dag en uur hun nieuw gestichte en in werking getreden garancinefabriek met een bezoek te vereren. Besloten wordt deze beleefde uitnodiging aan te nemen en voor te stellen dit te doen op 8 mei ‘s middags om 13.00 uur.
Ook verzoeken de garancinefabrikanten Fransen van de Putte in maart 1861 vrijdom van sas- en havengeld voor de schuiten, die door hen gebezigd worden voor het vervoer van het met zwavelzuur bezwangerde water dat uit hun fabriek afvloeit. Dit verzoek wordt ingewilligd in die zin dat het vervoer zal plaats hebben naar buiten het sas ‘om van ebbe te lossen’ en onder voorwaarde dat de vaartuigen tot geen ander vervoer worden gebezigd dan met dit water uit de garancinefabriek.

Zijne Majesteit de Koning vernietigt in april 1862 de raadsbesluiten tot toekenning van vrijdom van sas- en havengelden aan de fabrikanten dr. C.A. van Renterghem, O. Verhagen en Fransen van de Putte voor vaartuigen uitsluitend bestemd tot vervoer van met zwavelzuur bezwangerd water uit hun garancinefabrieken. Het blijkt dat de gemeenteraad de voorschriften van de artikelen 232, 233 en 234 van de gemeentewet niet heeft nageleefd en daardoor die besluiten in strijd zijn met de wet.

In juli 1862 komt er ook een verzoek bij het gemeentebestuur binnen van de Destilleerderij Sucre ie en Fabrique de potassen Felix Wittouck te Brussel, burgemeester en grondeigenaar te Sint Pieter Leeuw in België. Dit verzoek is ingezonden door de heer J.C. Dominicus van den Bussche. Verzocht wordt hem in eigendom of in erfpacht voor de tijd van 99 jaar af te staan de grond gelegen aan de oostzijde van de haven, voor het zogenaamde Roosjeshof, ter grootte van 1 bunder, 38 roeden en 40 ellen. Dit stuk grond is thans beplant met olmen of andere bomen. Zijn bedoeling is daarop een suikerfabriek uit beetwortels te stichten. Vergunning wordt ook gevraagd om op die grond de voor de opbouw benodigde stenen te bakken en de bomen volgens taxatie over te nemen.

De heer Otto Verhagen, eigenaar van ‘het Roosjeshof’ bewoond door Janus Kopmels, verzoekt bij eventuele uitgifte in erfpacht van de grond die vóór het Roosjeshof ligt, dit te doen met behoud van een vrije verbinding van zijn perceel met de haven. Anders zou zijn perceel een belangrijke vermindering van waarde ondergaan. Het gemeentebestuur besluit deze bezwaren te betrekken bij de behandeling van het verzoek van de heer Wittouck.
Een ingesteld nauwkeurig onderzoek leidt ertoe dat bij hen grote bezwaren bestaan om dat perceel voor het beoogde doel af te staan. Allereerst vanwege de beperktheid van de beschikbare grond. Maar ook omdat het toestaan van het verzoek van Wittouck zal gevolgd worden door een tweede verzoek, namelijk om vergunning te krijgen om zoet water voor die fabriek te betrekken uit de zogenaamde brakke vest. Dat zou men wel verplicht zijn toe te staan. Hierdoor zou de gelegenheid verloren gaan om deze vest te dempen, wat mogelijk te eniger tijd wenselijk zal worden.
De gemeenteraad wordt dan ook voorgesteld het verzoek niet in te willigen. Raadslid Fransen van de Putte vindt dit vreemd; zo’n fabriek zou immers voordelig zijn voor de werkgelegenheid in de gemeente. Maar in grote meerderheid volgt de gemeenteraad het voorstel van burgemeester en wethouders.

Ook in juli 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer O. Verhagen met het verzoek om een onooglijk moeras, de scheiding uitmakende van het terrein van de meekrapfabriek ‘Zuid-Beveland’ en het land behorende aan de heer J.H.C. Kakebeeke, te mogen dempen met korenaarde en bij zijn terrein te voegen met blijvend recht van gebruik.
Overwogen wordt dat het erfpachtcontract voor de grond en het water, aangegaan op 25 juni 1857 met de heer A.J.P. Saaymans Vader en thans overgegaan in erfpacht op de heer J.H.C. Kakebeeke, hierover een duidelijke bepaling bevat. Deze houdt in dat tussen die grond en het terrein van de meekrapfabriek ‘Zuid-Beveland’ een ruimte dient te worden gelaten ter breedte van zeven ellen op de gewone waterspiegel en ter diepte van minstens vijftig duim tegen de openbare weg.
Besloten wordt, alvorens op dit verzoek enige beslissing te nemen, op die plaats een onderzoek te doen. Daarmee heeft de heer Kakebeeke zich belast.

Bij het gemeentebestuur komt in juli 1863 een brief binnen van de heren Fransen van de Putte & compagnon. Ze delen mee dat de door hen van de firma C.A. van Renterghem gekochte garancine- en meekrapfabriek en al hetgeen tot de garancinebereiding behoort is uitgebroken. Ze verzoeken vergunning om tot voeding van de stoomketels in de geul van de haven naar de zaagmolen, tegen hun beschoeiing, een kuip te plaatsen. Daarin willen ze de voedingsbuis aanbrengen om op een behoorlijke diepte zoveel mogelijk zuiver water in de stoomketels aan te voeren. Bij de houtzaagmolenaar M.J. Harinck bestaan hier tegen geen bezwaren, Verder verzoeken ze vergunning om voor het ingraven en stellen van een en ander gedurende één getijde het water tot een voldoende laagte uit de haven te laten. Het gemeentebestuur besluit de heren Fransen van de Putte & compagnon vergunning te verlenen om de bewuste kuip in de geul van de haven naar de zaagmolen te plaatsen en te behouden. Dit op voorwaarde dat daardoor geen hinder wordt veroorzaakt aan het vrije gebruik van die geul ten dienste van de zaagmolen. Ook wordt toestemming verleend om gedurende één getij enig water uit de haven te laten.

Het gemeentebestuur beraadt zich in november 1863 over het door de heer J.H.C. Kakebeeke uitgebracht rapport naar aanleiding van het verzoek van de heer O. Verhagen om het zogenaamd moeras bij zijn fabriek ‘Zuid-Beveland’ te mogen innemen. Overwogen wordt dat dezelfde reden bestaat voor het behouden van de waterweg op dat punt naar de haven. Dit was aanleiding tot een bepaling in het erfpachtcontract van de nabijgelegen grond op 25 juni 1857, aangegaan met de heer A.J.P. Saaymans Vader. Besloten wordt de heer O. Verhagen bij brief te kennen te geven dat zijn verzoek behoort gedaan te worden aan de gemeenteraad, maar dat het college om de aangevoerde reden de gemeenteraad zal adviseren om het niet in te willigen.

In juli 1864 ontvangt de burgemeester een brief van de Commissaris van de Koning met een staat betreffende de grondbelasting. Hierop komt de herschatting voor van de meekrapfabriek ‘Stad Goes’, zijnde vroeger een meekrap- en garancinefabriek. Over de belastbare waarde bestaat verschil tussen het college van zetters en de controleur van de directe belastingen en het kadaster. Verzocht wordt daarbij te voegen een afzonderlijk gemotiveerde nota van het college van zetters.

De gemeenteraad besluit in december 1868 over de wegverlegging aan de oostzijde van de haven en de daarvoor noodzakelijke ruiling van het erfpacht en de cijns van de grond tot verbetering van de situering van de garancinefabriek van de heer Fransen van de Putte & Co. Er zit een fraaie gekleurde plattegrondtekening bij de stukken.

In december 1868 doet de voorzitter de gemeenteraad mededeling van een ingekomen verzoek van de heer J.A.A. Fransen van de Putte te ‘s-Gravenhage met de kennisgeving dat de garancinefabriek, staande aan de oostzijde van de haven, toebehorende aan de heer I.D. Fransen van de Putte te ‘s-Gravenhage, is verkocht aan een combinatie welke zich tot doel stelt deze fabriek met ingang van 1 februari 1869 weer in werking te brengen. Verzocht wordt om uitbreiding van het terrein van de fabriek. Bij Koninklijk Besluit van 30 december 1869 is goedkeuring gehecht aan de oprichting van ‘de Goessche garancinefabriek’.
De heer Fransen van de Putte heeft tevens vergunning verzocht om de weg te verleggen achter de garancinefabriek aan de oostzijde van de haven alsook om de grond, die uit de huidige weg dan vrijkomt, te ruilen tegen die, welke de nieuwe weg zal innemen en bij de eigenaren van deze fabriek in erfpacht bezeten wordt. De gemeenteraad besluit hiertoe met algemene stemmen. Na het leggen van de nieuwe weg zal de thans bestaande weg niet meer voor de publieke dienst bestemd zijn.

Grutterijen

De Joodse handgrutter N.A. Emanuel krijgt in december 1867 vergunning om in de winkel van zijn huis in wijk D nummer 17 op de hoek van de Keizerstraat en de Opril naar de Beestenmarkt een stookplaats in te richten met een ijzeren rookgeleiding aan de noordzijde van de winkel.
Een andere grutter, Hubertus van der Straaten, deelt het gemeentebestuur in oktober 1868 mee voornemens te zijn in zijn woonhuis in wijk B nummer 197 in de Rozemarijnstraat een handgrutterij te stichten. Hij krijgt vergunning om daarvoor een eest te plaatsen.

Hoedenmakers

Al vanouds fungeert de gerenommeerde hoedenmakerij van J.P. Magielse in de stad. De hoedenmakerij staat achter zijn woonhuis aan de Ganzepoortstraat in wijk C nummer 208. In februari 1861 geeft Magielse zijn wens te kennen om de schoorsteenpijp van zijn hoedenmakerij van boven af te laten breken tot op de zolder en weer opnieuw op te metselen 2 à 3 ellen boven het afdak van de fabriek. In februari 1867 mag hij ook de bestaande schoorsteen in zijn huis in wijk C nummer 207 aan de Ganzepoortstraat vernieuwen.

In maart 1861 vestigt zich nòg een hoedenmakerij in de stad. Francois Lodewijk Goossen, petten- en hoedenmaker te Goes, krijgt vergunning voor het stichten van een hoedenmakerij in het achtergedeelte van zijn woonhuis in de Ganzepoortstraat in wijk D nummer 158. Hij mag in de schuur achter zijn woonhuis en de broodbakkerij C nummer 200 in de Ganzepoortstraat een kamertje laten metselen en daarin een schoorsteen met fornuizen voor het repareren, strijken en opnieuw verven van hoeden laten maken.

Ook is er tot in 1861 nòg een hoedenmakerij en wel van de bierbrouwer E. de Meulemeester. In juni 1861 krijgt hij toestemming om de hoedenfabriek buiten de Koepoort in wijk E nummer 129 aan de Cingel te veranderen in woonhuizen overeenkomstig een door hem overgelegde tekening. Daarbij zit ook een fraaie tekening van zijn huidige fabriek en de verandering van de gevel.

Herbergen, logementen en koffiehuizen

Sommige herbergen worden ook wel logementen genoemd.

Herbergen
In april 1861 verzoekt de herbergier Jan Koens, vroeger te Heinkenszand en nu te Goes, vergunning om op de door hem gepachte gemeentegrond op het Ravelijn de Grenadier een houten zomertent te plaatsen volgens een overgelegde plattegrondtekening. De kosten zijn geraamd op ƒ 150. Tevens verzoekt hij toestemming om een drietal oude vruchtbomen, die aan het gebouw schade berokkenen, te rooien. Hij biedt aan hiervoor ƒ 60 te betalen aan de gemeente en op zijn kosten nieuwe vruchtbomen te planten. Er zit een fraaie tekening van een achtkantige koepelachtige tent bij de stukken.
Het gemeentebestuur besluit hem de gevraagde vergunning te verlenen. De op te trekken zomertent zal evenals het andere door hem gestichte gebouw behoorlijk moeten worden onderhouden. Deze dient hij, als eigendom van de gemeente, te laten staan bij de afloop van de lopende pachttermijn. Ook zijn verzoek tot het rooien van de drie bomen wordt toegestaan.

Herbergier Jan Koens vraagt in maart 1863 100 ellen van de wal waar de Ganzepoort heeft gestaan. Het college bericht hem daarop dat het afstaan daarvan zou strekken ‘om de misstand van de woning van Koens te verergeren en het binnenkomen van de stad op dat punt nog meer te belemmeren’. Het voelt hier dan ook niet voor. Met Koens wordt overlegd in hoever het mogelijk zou zijn de richting van de gevel van zijn huis te veranderen en te brengen in de richting van de Ganzepoortstraat. Dit zou wel enige opoffering van de zijde van de gemeente waard zijn.

In maart 1863 vraagt de herbergier S. Lamsue toestemming om in zijn pand in wijk A nummer 113 in de Korte Kerkstraat de voorgevel te veranderen overeenkomstig de overgelegde tekening. Dit is akkoord.

Herbergier Leonardus Schuurbiers geeft in april 1865 te kennen dat hij voornemens is om voor zijn op te richten herberg in het woonhuis in wijk A nummer 33 op de Vlasmarkt een uithangbord te hangen. Hij krijgt toestemming op de volgende wijze: het uithangbord dient plat tegen de muur te worden gehangen en bij onverhoopt daardoor te ontstane schade zal deze voor zijn rekening komen.
In februari 1866 krijgt Schuurbiers toestemming om op zijn erf, liggende aan het door hem bewoonde woonhuis op de Vlasmarkt, een varkenshok te bouwen op stenen voet met planken opgebouwd en met pannen gedekt.

In mei 1865 krijgt de herbergier Adriaan de Winter vergunning om op het erf achter zijn woonhuis in wijk E nummer 126 aan de Voorstad een varkenshok te bouwen en een mestput aan te leggen. Ook ontvangt De Winter in mei 1866 toestemming om de gevel van de stal naast zijn woonhuis in de Voorstad op de Singel te veranderen volgens een overgelegde tekening. Enkele maanden later deelt de herbergier mee dat hij bij het indienen van zijn vorig verzoekschrift om de gevel van het pakhuis naast zijn woonhuis op de Cingel te veranderen heeft ontwaard dat de wens van het gemeentebestuur is om deze onder één lijn te brengen. Hij deelt mee daartoe nu bij machte te zijn. Daarom verzoekt hij alsnog om de gevel volgens de overgelegde schetstekening te veranderen. Hij krijgt hiervoor toestemming.

Op de Grote Markt in wijk C nummer 51 heeft de herbergier J.H. Taet zijn herberg. De metselaar Pieter Buitendijk krijgt in december 1866 toestemming om in het woonhuis van Taet op de opkamer een geheel nieuwe schoorsteen te maken.

Herbergier Jan Koens wenst in maart 1867 zijn woning enigszins uit te breiden door het bijbouwen van een kamer en logeerkamers boven aan de zuid- of walzijde van zijn huidige woning. Hij verlangt daar ter plaatse een breedte van vijf ellen en dus ongeveer honderd vierkante ellen op erfpacht te ontvangen. Een dergelijk verzoek is in 1863 door het college afgewezen, voornamelijk omdat de wal bij de Ganzepoortbrug nog geaplaneerd moest worden. Dit is nu gebeurd en de bedoelde grond is nog steeds ongebruikt gelaten.
In februari 1868 schrijft herbergier Jan Koens het gemeentebestuur bij vorige verzoekschriften zich tot de gemeenteraad te hebben gewend voor het verkrijgen van enige ellen grond op erfpacht aan de zijde van de wal tot vergroting van zijn logement. Echter de toestemming daarvoor is hem niet mogen gelukken dan onder voor hem te drukkende voorwaarden. Daardoor heeft hij van zijn verzoek moeten afzien. Hij is nu te rade geworden om het driehoekje, zijnde het rabat dat aan de andere zijde van zijn woning naar het zogenaamde Klein Weitje ligt, ter grootte van ongeveer 20 vierkante ellen in erfpacht te vragen. Hij zou daardoor in staat gesteld zijn om de keuken van zijn woonhuis mettertijd te vergroten en te veranderen in een kamer, teneinde bij het naderen van het tijdstip van de opening van de spoorweg hij zou kunnen profiteren van de voordelen die dit zal opleveren. Hij moet zich nu van tijd tot tijd gebrekkig behelpen en reizigers afzeggen. Hij legt een duidelijke plattegrondtekening van de situatie bij de Ganzepoort en het daar tegenoverliggende pand over.

De herbergier Adriaan de Winter aan de Voorstad deelt het gemeentebestuur in december 1868 mee voornemens te zijn om van de naast zijn gebouw in wijk E nummer 126 op de Singel naar het station staande wagenmaker winkel een gedeelte in te nemen en tot woonhuis in te richten. Deze woning zal de inhoud hebben van ruim 70 kubieke ellen en verder volkomen worden ingericht ingevolge de te maken bepalingen door de gezondheidscommissie. Hij legt bij zijn verzoek een tekening over van het huis naast de wagenmakerwinkel.

De herbergier J.H. Taet, wonend aan de Grote Markt in wijk C nummer 51, vraagt in oktober 1868 toestemming om het vuile water van zijn erf rechtstreeks te laten lopen in het hoofdriool dat onder het Papegaaistraatje loopt. Hij zou ook graag zien dat het gemeentebestuur een urinebak zou plaatsen in of bij het Papegaaistraatje om de verschrikkelijke stank te vermijden die door het wateren tegen de muur van zijn huis voortdurend wordt veroorzaakt.

Logementen
De logementhouder in het logement ‘de Zoutkeet’ op de Grote Markt in wijk A nummer 10, uitkomende in het Rijsselsestraatje, M. de Jonge Melly, heeft in 1865 het voornemen om de twee achtergebouwen van zijn logement onder een nieuwe kap te brengen en tevens de borstwering te verhogen met het plaatsen van vijf nieuwe ramen en het pand te beporten. Bij de archiefstukken zit een fraaie tekening van het achterhuis van het logement ‘de Zoutkeet’.
In februari 1867 krijgt logementhouder M. de Jonge vergunning om de bovenpijp van de schoorsteen in zijn koffykamer boven het dak af te breken en te vernieuwen alsook om de zijgevel van zijn woonhuis te beporten.
Logementhouder M. de Jonge Melly deelt in augustus 1867 mee voornemens te zijn om gedurende de kermis zijn stoep voor zijn woonhuis en logement in wijk A nummer 10 op de Grote Markt te doen afschutten en als gevolg daarvan enige palen in de grond te zetten.

Jan Koens, eigenaar van het logement ‘Het wapen van Zeeland’ in wijk C nummer 182 in de Ganzepoortstraat, geeft in januari 1868 kennis dat hij het voornemen heeft om het achterste gedeelte van het logement te verbeteren en dit te verfraaien door het afbreken van de huidige keuken en het stookhok en hiervoor in de plaats te bouwen een zaal met twee tuindeuren uitkomende aan de wal en met twee ramen aan de straat.
In april 1868 deelt Koens het gemeentebestuur mee het voornemen te hebben de achterkamer of keuken van zijn pand in wijk C nummer 182 aan de Ganzepoortstraat af te breken en dit te vervangen door een nieuw gebouw, overeenkomstig de door hem overgelegde tekening, met het front naar de dijk. Er zit een fraaie tekening bij de stukken.

Koffiehuizen
De logementhouder W.A. van Anemaet krijgt in januari 1861 vergunning om veranderingen aan te brengen aan de schoorsteen in de voorkamer ofwel de koffyhuiskamer van zijn herberg in het pand in wijk A nummer 10. Deze bestaan in het geheel afbreken
van het onderste gedeelte van de schoorsteen tot aan de zolder.

In mei 1862 krijgt de koffyhuishouder J.J. Crombouw vergunning om een boogschuttersdoel aan te leggen op de grond achter zijn koffyhuis aan de Grote Markt in het pand in wijk C nummer 62. Dit onder de bepaling dat de muur aan het einde van de tuin een el hoger wordt opgemetseld en het doel voorzien wordt van vier houten bogen.

De koffyhuishouder J.J. Koens krijgt in november 1865 toestemming om een oude schoorsteen in het woonhuis in wijk A nummer 106 in de Singelstraat af te breken en daarna weer op te doen metselen.

De koffiehuishoudster M. Hartman-Wijnands krijgt in augustus 1868 toestemming om gedurende de kermis op haar stoep een overdekte zitplaats van doek te plaatsen.

Kolfbanen
Jan Koens, directeur van de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’, krijgt in januari 1861 vergunning om twee kachels op ijzeren poten te plaatsen in de kolfbaan van de sociëteit in het pand in wijk A nummer 106. De buizen daarvan zullen door ijzeren ruiten naar buiten geleid worden.

Ook is er nog een kolfbaan van E. Besuijen in het pand in wijk D nummer 214. In februari 1864 krijgt hij vergunning om een kachelpijp door het dak van de kolfbaan aan te brengen. Hij schrijft: ‘teneinde om de baan te kunnen verwarmen bij gelegenheid van koopdagen’.

Horlogemakers

Er zijn deze jaren minstens vier horlogemakers in de stad gevestigd.
In februari 1862 deelt horlogemaker P.M. Smolders mee dat hij ophoudt het vak van horlogemaker uit te oefenen.
Adrianus Kunst vestigt zich in augustus 1867 in de stad als horlogemaker en handelaar in goud en zilver in het pand in wijk B nummer 2.
Ook is werkzaam als horlogemaker in het pand aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 223 C.J. de Wijs. Hij krijgt in november 1867 vergunning om in het achterkeukentje van zijn woning aan het Sint Magdalenastraatje een nieuwe schoorsteen te zetten.
In augustus 1867 vestigt zich ook Petrus Kools in de stad als horlogemaker in het pand aan de Lange Vorststraat in wijk C nummer 223.

Huidenbloterij

In oktober 1864 deelt de vleeshouwer J. Bannet het gemeentebestuur mee dat hij voornemens is achter zijn huis in wijk C nummer 222 aan de Lange Vorststraat een huidenzouterij en -bloterij te vestigen. Hij voegt er een situatietekening bij. Na ingewonnen informatie van omwonenden verleent het gemeentebestuur hem hiervoor vergunning op voorwaarde dat die inrichting voor de buren niet hinderlijk zal zijn. Bannet verzoekt toestemming om met een kruiwagen of stukwagen of desnoods met paard en kar vanaf zijn huidenzouterij over de stadswal te mogen gaan.

Ook een andere Joodse inwoner, de koopman Nathan Abraham Emanuel, verzoekt in november 1864 vergunning om in het door hem gehuurde pakhuis in wijk A nummer 140 aan de Kreukelmarkt een huidenzouterij en -bloterij te vestigen. De eigenaresse van het pand, de weduwe F.A. Susijn, heeft daar geen bezwaar tegen. Maar de omwonenden uiten grote bedenkingen. Dit is reden voor het gemeentebestuur om de vergunning te weigeren.

Ook de schoenmaker Jacobus Antonie van de Velde krijgt in juni 1867 vergunning voor het oprichten van een huidenbloterij achter het huis in wijk E nummer 69 in de Voorstad in de schuur van de weduwe Lamsue. Bij een inspectie door de gemeente bouwmeester blijkt dat deze schuur of voormalige timmermanswinkel onmiddellijk grenst tegen de naburige woning. Het vuile water of andere fecale stoffen zouden afgevoerd moeten worden in de tegenover die schuur liggende sloot. Er zit een gekleurde kadastrale tekening bij de stukken.

Ook vanuit West-Indië worden huiden ingevoerd. In oktober 1866 verzoekt de weduwe Van de Reit om enige gezouten en gedroogde West-Indische huiden in te mogen voeren. Het gemeentebestuur besluit om de bestaande verordening zodanig te wijzigen dat het verbod op de invoer niet van toepassing zal zijn op gedroogde en gezouten West-Indische huiden onder zekere voorwaarden van voorzorg.

Lompenhandel

In februari 1864 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van de arbeider J.J. de Laat voor het verkrijgen van vergunning om in het pand in wijk E nummer 10, gelegen aan de brakke vest, een verzameling lompen, vodden en beenderen aan te leggen. Gelet op de ingekomen bezwaren o.a. van G.H. Kakebeeke vanwege de te vrezen stank wordt de vergunning geweigerd.
In april 1864 komt het tot een nieuw verzoek op grond van een bijgevoegde plattegrondtekening. De huidige bewoner, de heer J.J. van de Broeke, heeft daar geen bezwaar tegen.

Markten

Grote Markt
Iedere dinsdag wordt er weekmarkt gehouden op de Grote of Korenmarkt voor het verleuren van groenten, granen, zaden, boter, eieren en varkens en andere levensbehoeften.

Jaarmarkt
De jaarmarkt of Goese kermis wordt sinds mensenheugenis gehouden vanaf dinsdag voor of op Sint Bartholomeus. Dat is de op een na laatste dinsdag in augustus tot de eerste dinsdag in september.
In de Zeeuwse gemeenten mogen jaarmarkten niet tegelijkertijd in andere plaatsen worden gehouden. Zo blijkt uit een toegezonden circulaire van Gedeputeerde Staten van 27 april 1861 dat de gemeenteraad van Arnemuiden voornemens is de jaarmarkt aldaar weer in te voeren. De gemeenteraad van Goes heeft hier tegen geen bezwaar.

Vismarkt
De vismarkt wordt gehouden in het Visperk aan de Turfkade.

Vlasmarkt
De Vlasmarkt wordt in de tijd van de vlasoogst gebruikt voor de handel in het gerepelde vlas. Ook op de dinsdagen wordt de Vlasmarkt gebezigd voor de wekelijkse markt van varkens, schapen en pluimgedierte en op de tweede dinsdag in mei, juni en juli voor de handel in schapen en lammeren.

Botermarkt
Al sinds mensenheugenis wordt wekelijks de botermarkt gehouden in een gedeelte van de Lange Vorststraat, tegenaan de Gasthuisstraat.

Wolmarkt
Op de drie eerste dinsdagen in de maand juni is er wolmarkt.

Beestenmarkt
Veemarkt wordt gehouden op alle dinsdagen, behalve de eerste dinsdag, in de maand november.
De najaar veemarkten worden gehouden in de drie laatste weken van november.
Ter illustratie: de aanvoer op de veemarkten in oktober en november was in totaal 659 hoornvee, 85 schapen en 18 paarden.

In de Goessche Courant verschijnt voor elke veemarkt een bekendmaking van het gemeentebestuur. Deze luidt meestal als volgt:
B. en W. maken bekend dat iedere dinsdag (behalve de eerste) in de maand november a.s., zijnde de 8, 15, 22 en 29 ste dier maand, binnen de gemeente de gewone Veemarkt zal worden gehouden’.

Op 23 mei 1868 stelt de gemeenteraad een nieuwe Verordening op de veemarkten vast. Deze verordening regelt ‘het houden van openbare veemarkten tot handel in paarden, hoornvee, schapen, varkens en pluimgedierte in de gemeente Goes’. Voortaan zal handel worden gedreven:

  1. wekelijks op de gewone marktdag, zijnde op dinsdag, in varkens en pluimgedierte;
  2. vanaf de tweede dinsdag in februari tot eind april en vanaf de tweede dinsdag in juli tot eind november tweemaal in de maand en wel op de 2e en 4e dinsdag, in hoornvee;
  3. op de tweede dinsdag in mei, juni en juli in schapen en lammeren;
  4. op de tweede dinsdag in maart en november in paarden.

Op iedere dinsdag kan evenwel vee worden aangevoerd, zonder echter aanspraak te hebben op de premies die in artikel 9 van de verordening worden genoemd.

De markt van varkens, schapen en pluimgedierte zal worden gehouden op de zogenaamde Vlasmarkt. De markt in paarden en hoornvee zal worden gehouden op de Beestenmarkt en bij gebrek aan ruimte aldaar op de plaats die door burgemeester en wethouders beschikbaar wordt gesteld.
De varkens en schapen zullen door de verkopers moeten worden opgesloten in losse of verplaatsbare hokken. Deze moeten worden geplaatst volgens de aanwijzingen van de marktmeester of de commissie voor de veemarkten.
De paarden en het hoornvee moeten van voldoende halsters, hals- of stalbanden zijn voorzien en worden vastgebonden aan een op de markt te spannen reep of touw.

De beestenmarkt wordt ook gebruikt voor andere doeleinden.
De burgemeester ontvangt in augustus 1861 een verzoek van de Griffier van het Kantongerecht te Goes om op 7 september op de Beestenmarkt voor afbraak te mogen verkopen een thans daarop geplaatst paardenspel. Het gemeentebestuur reageert hier instemmend op.

Sluiting veemarkten in verband met de veeziekte
Met het oog op de heersende veeziekte legt het bestuur van de 7e afdeling van de Maatschappij ter bevordering van landbouw en veeteelt in Zeeland het gemeentebestuur in september 1865 het verzoek voor om de invoer van vee van buiten het eiland te verbieden en om dit jaar de gewone veemarkten niet te laten plaats hebben om zoveel mogelijk de veeziekte in dit eiland te weren.
De gemeenteraad overweegt dat deze (tijdelijke) maatregelen wel ten koste van de handel gaan. Niettemin moet hier gekozen worden ‘tussen twee kwaden’. Met algemene stemmen wordt besloten de verordening, inclusief een verbod op de uitvoer van pluimvee, te wijzigen.
Het lid van de gemeenteraad, de heer Otto Verhagen, geeft hierover een interessante beschouwing.
Wat het tweede verzoek betreft merkt hij op terug te deinzen voor een zodanig besluit. Hij beschouwt dit als een halve maatregel zolang de uitvoer niet verboden wordt. De zogenaamde toondagen staan gelijk met een kermis en brengen veel voordeel aan de neringdoenden. Als ook de uitvoer verboden zou worden, dan bestaat er in zijn oog geen bezwaar toondagen te houden zolang de ziekte in dit eiland zich nog niet heeft vertoond.
Een ander lid van de gemeenteraad, dr. K. Broes van Dort, stelt vragen over de aard van de smetstof bij runder tyfus. Dokter Van Dort wordt uitgenodigd informatie hierover in te winnen. In afwachting daarvan wordt een beslissing veertien dagen aangehouden.
Naar aanleiding van de verkregen medische rapporten besluit de gemeenteraad overeenkomstig het voorstel van burgemeester en wethouders om het verbod van uitvoer uit te vaardigen op dezelfde strafbepalingen zoals die bij het verbod van invoer zijn bepaald. Alle gemeentebesturen op Zuid-Beveland worden uitgenodigd eenzelfde besluit te nemen. De gemeenteraden van Wolphaartsdijk, Wemeldinge, Schore, Baarland en Kapelle voldoen hieraan. Yerseke weigert dit, terwijl de gemeenteraad van Kattendijke verklaart het nut hiervan niet te begrijpen.

Op 11 oktober 1866 wordt een Bekendmaking afgekondigd dat iedere dinsdag (behalve de eerste) in de maand november binnen de gemeente de gewone VEEMARKT zal worden gehouden.

Er zit een brief bij de archiefstukken, waarin een aantal handelaren en winkeliers, wonende of voornamelijk hun nering uitoefenende in de gemeente Goes, de volgende overwegingen ter kennis van de gemeenteraad brengt:

  • dat vorig jaar door uw vergadering bij het toenemen van de runderpest maatregelen zijn genomen om, door het beletten van de in- en uitvoer van vee, de veestapel onzer gemeente en van dit eiland zoveel mogelijk tegen het gevaar van overbrenging der besmetting te beveiligen en daartoe onder meer ook nog gestrekt heeft de bepaling dat de veemarkten in de maand november van dat jaar niet zouden gehouden worden;
  • dat de adressanten uit de toentertijd openbaar gemaakte verslagen van het behandelde in de raad met genoegen hebben ontwaard dat de gevoerde bezwaren aan de ene zijde ingebracht nopens het gevaar van overbrenging der smetstof, rijpelijk zijn overwogen en in de schaal gelegd tegen die aan de andere zijde zullende ontstaan voor het stremmen van de handel en het niet ongevoelig nadeel daardoor berokkend aan velen onzer.

Ze pleiten ervoor dat de veemarkten in november weer zullen kunnen worden gehouden.
De brief is ondertekend door 111 winkeliers en neringdoenden o.a. door:
J.M. van Zoom
P.P. den Blok
J. de Jonge
A. de Jonge
G. van der Hoek
J.B. Simons
A. de Winter
J. B. Arentz
B. Meijers

Op 12 september 1868 wordt onder de kop ‘OPENBARE VEEMARKTEN’ een grote geelkleurige publicatie van circa 90 x 60 cm aangeplakt. De tekst luidt:

Burgemeester en Wethouders van Goes doen te weten, dat door de raad dier gemeente in zijn vergadering van 30 juli 1868 is vastgesteld de volgende verordening regelende het houden van openbare veemarkten tot handel in paarden, hoornvee, schapen, varkens en pluimgedierte.

Smederijen

IJzersmeden
Opmerkelijk is de kennelijk grote bedrijvigheid onder de smeden. Dit is af te leiden uit het aantal nieuwe vestigingen, moderniseringen en uitbreidingen van smederijen.

In februari 1861 krijgt W.F.P. de Valk uit Bergen op Zoom vergunning om op een binnen erve van zijn aangekochte woonhuis in wijk C nummer 18 van de heer Van Dalen in de Lange Kerkstraat een werkplaats of smidse als smederij en kachelmakerij te bouwen.
De smid Johannes Nagelkerke is in oktober 1861 eigenaar geworden van het huis in wijk C nummer 120 aan de westzijde van de Lange Vorststraat. Hij wenst hierin een smdshaard op te richten en het smidsambacht uit te oefenen. Hij krijgt hiervoor vergunning. De smidshaard dient gebouwd te worden van steen, ijzer en metselspecie.
De smid Adriaan van der Burgt krijgt in maart 1863 toestemming om naast het bestaande schuifraam in zijn smidse in het pand in wijk D nummer 169 aan de Molenstraat nog een schuifraam aan te brengen.
De gebroeders Nonnekes krijgen in mei 1864 vergunning om in hun pand op de hoek Vlasmarkt/Waterstraat in wijk A nummer 30 een tweede smidshaard voor hun smederij aan te leggen. De smid Dirk Nonnekes mag in oktober 1868 in zijn woonhuis in wijk A nummer 31 op de Vlasmarkt enige verhoging aan laten brengen.

De smid Marinus Adriaanse deelt in april 1865 mee dat hij eigenaar is geworden van het pand in wijk D nummer 209 op de hoek Nieuwstraat en Zevenkoten richting Beestenmarkt. Hij wenst dit gebouw in te richten tot smidse en een gewone smidshaard daar te stellen en een travalje voor het beslaan van paarden voor zijn smederij te maken. Hij krijgt hiervoor toestemming. Tot in de tweede helft van de 20e eeuw zal het bedrijf van Adriaanse hier voortbestaan. Tevens krijgt smid Adriaanse vergunning om drie bestaande oude kozijnen in de boven zijgevel van zijn woonhuis uit te laten breken en door nieuwe te vervangen.
Metselaarsbaas Ary Smit deelt in februari 1866 het gemeentebestuur mee dat hij door aankoop eigenaar is geworden van de smederij in wijk D nummer 197 in de Nieuwstraat. Hij wil de smidse gedeeltelijk slopen door het opheffen van het beslaan van paarden, waardoor de travaljes zowel op de straat als binnenshuis niet meer noodzakelijk zijn. Hij krijgt vergunning hier een nieuwe smidse te vestigen.
De smid Jacobus de Blok is gevestigd in het woonhuis in wijk D nummer 98 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat. Hij krijgt vergunning om in een achterkeukentje van zijn woonhuis een nieuwe schoorsteen te plaatsen alsook om in de blinde muur een lichtkozijn aan te brengen.
Ook de smid Willem Fredericus Sandijck krijgt in september 1866 vergunning om in het door hem aangekochte huis in wijk D nummer 199 op de hoek van de Nieuwstraat en de Zeven Koten een smederij te stichten.
In oktober 1867 krijgt wagenmaker Marinus Meijler uit Heinkenszand vergunning om achter de wagenmakerij in wijk E nummer 126 in de Voorstad een smederij en travalje op te richten. Hij is door aankoop eigenaar geworden van deze wagenmakerij in de Voorstad. Zijn bedoeling is om achter de wagenmakerij een smederij met een travalje te stichten, welke laatste op het erf wordt geplaatst. Meijler krijgt tevens vergunning om in het rabat voor zijn smederij een ring te leggen voor het bebanden van wielen.
N.A. Emanuel krijgt in december 1867 vergunning om in de winkel van zijn huis in wijk D nummer 17 op de hoek van de Keizerstraat en de Oprel naar de Beestenmarkt een stookplaats aan te brengen met een ijzeren rookgeleiding aan de noordzijde van de winkel.

Koper- en blikslagers
In augustus 1865 krijgt koperslager C.J. de Wijs vergunning om de koperslagerij, uitkomend aan de Oostwal, achter zijn woonhuis in wijk C nummer 221 in de Lange Vorststraat tot woning in te richten.
Een andere koperslager, L. van Loo, is in februari 1868 voornemens om de gevel van zijn woonhuis in wijk C nummer 162 in de Klokstraat te laten veranderen, de stoep te verleggen en een nieuwe schoorsteen te plaatsen. Hij voegt bij zijn verzoek een fraaie tekening.

Goud- en zilversmeden
Ook in het Goes van de 19e eeuw zijn er tal van goud- en zilversmeden in de stad gevestigd. Naast de burgers van de stad zijn ook de bewoners van de dorpen op Zuid-Beveland, veelal in klederdracht, aangewezen op deze ambachtslieden in de stad Goes.
Zo vestigt in april 1861 ook Gerrit Nathan, die in de stad woonachtig is, zich als koopman in goud en zilver te Goes.
Een welbekende goud- en zilversmid, Adriaan Boddingius, overlijdt in juni 1861. Zijn stempel als werkmeester wordt door de erfgenamen bij het gemeentebestuur gebracht. Zijn weduwe vestigt zich daarop als kashoudster van goud en zilver.
Een andere welbekende goudsmid is Jan Pieter van der Does. Hij oefent zijn beroep uit in het pand in wijk A nummer 15 op de Opril van de Grote Markt.
In mei 1863 vestigt zich ook C. van Immerzeel als koopman in goud en zilver in de stad. In juni 1863 is dit ook het geval met Franciscus Vonk. Hij vestigt zich hier als koopman in goud en zilver.
Ook in augustus 1863 vestigt zich Johannes Jacobus Simons als goud- en zilversmid in de stad. Maar in augustus 1864 deelt hij het gemeentebestuur mee dat hij sinds 30 april 1864 ‘dat vak heeft laten varen’.
Een andere goud- en zilverkashouder en meester goud- en zilversmid, Gerhardus van de Velde, wonend aan de Papegaaystraat in het pand in wijk C nummer 95, laat in januari 1864 van zich horen. Hij krijgt vergunning om in de loop van 2 à 3 jaar enige bomen te rooien en andere weer te planten als aanliggende eigenaar aan de westzijde van de singel. Op 3 januari 1866 overlijdt de goud- en zilversmid Van de Velde. De goud- en zilversmidzaak wordt door de familie Van de Velde niet voortgezet.
De goud- en zilversmid M.A. Emanuel deelt mee dat hij met ingang van 15 februari 1866 is opgehouden met zijn handel in gouden en zilveren werken.
In april 1867 deelt M.A. Westdorp, wonend in het pand in wijk C nummer 94 in het Papegaaystraatje, mee vanaf 27 maart 1867 in de stad woonachtig te zijn. Hij krijgt vergunning om zich hier te vestigen als koopman en kashouder in gouden en zilveren werken en ook in vergulde merken
In augustus 1867 komt er nog een handelaar in goud en zilver in de stad. Jaques Frank vestigt zich als handelaar in goud en zilver in het pand in wijk C nummer 177 aan de Ganzepoortstraat.

Landbouw

De opbrengsten van de jaarlijkse oogst zijn af te lezen uit het volgende overzicht (vóór de schuine streep staat het aantal bunders met het betreffende gewas en achter de schuine streep de opbrengst per bunder, uitgedrukt in mudden):

  1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868
Tarwe   45b / 28m   43 / 52m 52b / 32m 37b / 24m 41b / 20m 44b / 32m
Rogge   6b / 28m   8b / 30m 9b / 24m 7b / 32m 14b / 24m 8b / 28m
Gerst   9b / 50m   8b / 95m 4b / 80m 4b / 68m 15b / 75m 17b / 97m
Haver   3b / 50m   6b / 40m 9b / 45m 10b / 34m 7b / 45m 11b / 40m
Koolzaad   11b / 20m   4b / 8m 6b / 25m 13b / 25m 15b / 18m 2b / 23m
Bruine bonen   16b / 18m   24b / 24m 17b / 26m 20b / 25m 9b / 20m 13b / 18m
Erwten   9b / 30m   19b / 32m 14b / 32m 15b / 26m 12b / 30m 21b / 45m
Aardappels   10b / 225   12b / 160 11b / 150 13b / 140 14b / 150 15 / 250
Meekrap   5b / 3630p   5b / 5250p 5b / 5450p 4b / 7500p 1b / 2100p  
Mangels   5b / 50v   6b / 50v 3b / 45v 7b 9b / 37500p 6b /  20.000p
Suikerpeeen   1b / 50v   1b / 40v 3b / 45v  4b 2b / 6250p  2b / 10.000p 
  1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868
Paarden     211   235 238 216 215
Runderen     485   450 446 417 390
Schapen     203   218 484 443 221
Varkens     140   251 270 265 76

Nog enkele aanvullende bijzonderheden over de landbouw en veeteelt volgen hierna.

In 1862 is de oogst over het geheel niet meer dan middelmatig. De opbrengsten van de tarwe, rogge, gerst, haver, de erwten en bonen zijn middelmatig. Ook het vlas valt tegen. De afkomst van de meekrap is zeer verschillend; sommige blokken hebben ruim gerendeerd maar andere daarentegen slechts middelmatig. De aardappels hebben een ruime opbrengst.
In 1864 is de oogst bevredigend. Tarwe, rogge, zomergerst, uien en aardappelen leverden een goede, soms zelfs een buitengewone opbrengst op. De opbrengst van de meekrap was over het algemeen ongunstig in vergelijking met het vorig jaar. De gezondheidstoestand van de veestapel was zeer naar wens. De vruchtbomen leverden een overvloedige hoeveelheid ooft, hoewel de prijzen, met uitzondering van de kersen, zeer laag waren.

In 1863 geeft het vlas een goede opbrengst. Over de kunstmatige bewerking van de stengels, wat meestal elders geschiedt, kan weinig vermeld worden. Wat betreft de haver, deze is zeer voordelig geweest voor de groei van dit gewas. De opbrengst kan dan ook zeer geroemd worden en is van zeer gewichtige hoedanigheid.
Wat betreft de meekrap, deze gaf een gewenste afkomst. Door geen vorst of sneeuw gehinderd waren de slagen in dit voorjaar rijk met kiemen bezet. Bij de delving bleek dat de vrucht zeer gezond en overvloedig was. Ofschoon de kiemen krachtig waren ging de aanplant van het nieuwe gewas minder naar wens. Aanhoudende droogte en vrij sterke nachtvorst belemmerden een voordelige groei. Vandaar dat het gewas minder gunstig is dan vorig jaar ofschoon de nazomer vele akkers heeft hersteld. Door de gedrukte marktprijzen is minder aangeplant dan vroeger.

In 1865 is de oogst zeer bevredigend. Tarwe, rogge, wintergerst, meekrap en erwten geven een gewenste en soms overvloedige opbrengst. De teelt van vlas mislukt. De aardappeloogst is zeer middelmatig.
In 1866 is de toestand van de landbouw bevredigend. Misgewas heeft alleen plaats gehad met het vlas. Het vee was zeer gezond. De boomgaarden waren vruchtbaar en de vruchten golden goede prijzen.
In 1867 is de toestand van de landbouw middelmatig. Misgewas was niet te betreuren. Het vee was zeer gezond. De toestand van de veestapel was uitmuntend.
In 1868 is de toestand van de landbouw vrij goed en gunstiger dan in 1867. Misgewas of verlies van oogst door ongunstig weer had men niet te betreuren. De boomgaarden waren tamelijk goed. En de opbrengst van appels en kersen kan ruim worden genoemd. De toestand van de veestapel was uitmuntend.

In april 1863 komt er bericht van de Maatschappij van Landbouw en Veeteelt in Zeeland met het verzoek om de stadswal tussen de Koepoort en de Ganzepoort te effenen om te gebruiken voor de tentoonstelling van vee en landbouwwerktuigen die op 1 juni in de stad gehouden wordt. Het gemeentebestuur verleent hiervoor graag toestemming.

In december 1863 deelt de landbouwer Dignus de Dreu mee dat hij door aankoop eigenaar is geworden van de hofstede, vroeger bewoond door de weduwe J.G. van Maldegem, aan het oude hoofd in de gemeente. Het is hem gebleken dat daarbij van de gemeente de Westerschans met aanhorende gronden in pacht werd bezeten voor 14 jaren, eindigend in 1872. Het vervolgen van de pacht van deze gronden is voor hem een grote behoefte, omdat daarop zijn bedrijf ingericht is. Hij verzoekt voortzetting van de pacht.

In januari 1865 deelt de hovenier Jacobus Allemekinders mee voornemens te zijn om enige bomen aan de Singel voor zijn hoveniering in wijk E nummer 136 te rooien om daarna op deze plaats weer tot herplant van bomen over te gaan. Hij krijgt hiervoor toestemming.

In juli 1866 ontvangt het gemeentebestuur een brief van het bestuur van de afdeling Heinkenszand van de Maatschappij tot bevordering van landbouw en veeteelt. De Maatschappij geeft kennis van haar voornemen om op 30 september te Goes een tentoonstelling van paarden, landbouwvoortbrengselen en bloemen te houden. Met het oog op het belang dat de gemeente heeft bij een wel bezochte tentoonstelling ‘aarzelt het bestuur niet de medewerking van de gemeenteraad in te roepen door de uitloving van een of meerdere prijzen, hetgeen bij de geringe financiële krachten die haar ten dienste staan een belangrijke ondersteuning zou zijn’.
Besloten wordt dat, indien de cholera hier heersen mocht, er geen tentoonstelling zal worden gehouden en het bepaalde bedrag alleen beschikbaar zal worden gesteld voor het geval dat de tentoonstelling doorgaat. Het gemeentebestuur wil consequent handelen vanwege het eerder genomen besluit ten aanzien van de kermis, daar men ook bij tentoonstellingen meer dan een gewone ophoping van mensen verkrijgt.

Mandenmakers

Er is ook een mandenmakerij in de stad van de mandenmaker Jan van de Velde. Hij krijgt in juli 1868 toestemming om de schoorsteen van zijn woonhuis in wijk C nummer 7 in de Lange Kerkstraat te verleggen.

Meelfabriek

Deze jaren is volop in werking de op stoom gedreven meelfabriek ‘de Vos’ van de heer Jan Hendrik Cornelis Kakebeeke.
In oktober 1862, bij de behandeling van de begroting voor 1863 in de gemeenteraad, brengt raadslid Saaymans Vader ter sprake de last van de uitlozing van de stoom uit de meelfabriek van de heer J.H.C. Kakebeeke. Deze stoom komt door een riool uit in de vest. Daarvoor is indertijd vergunning verleend. De damp die uit dat riool opstijgt veroorzaakt een verderfelijke lucht, die ongetwijfeld nadelig is voor de gezondheid van de inwoners in de directe omgeving.
Raadslid De Laat de Kanter deelt dit gevoelen volkomen. Ook raadslid Fransen van de Putte meent dat de stank nadelig is voor de gezondheid.
De discussie heeft tot gevolg dat de burgemeester toezegt actie te ondernemen. In de raadsvergadering van 30 december deelt hij mee dat het geopperde bezwaar wegens het uitlozen van afgewerkte stoom uit de stoommeelfabriek door een riool in de vest uit de weg is geruimd. Hiervoor heeft de heer Kakebeeke in juni 1860 tot weder opzeggen vergunning verkregen. Omdat hij een dampbuis heeft aangebracht op zijn erf heeft hij van deze vergunning verder geen gebruik gemaakt.

In april 1863 deelt de meelfabrikant Kakebeeke het gemeentebestuur mee dat hij eigenaar is van enige gronden buiten de Bleekveldse poort. Aan de zijde van de brakke vest bevindt zich een reep grond van de gemeente ter grootte van 420 ellen, die thans voor de gemeente bijna niets oplevert. Hij wenst die strook grond in erfpacht te verkrijgen om bij zijn overige gronden te trekken. Hij is bereid de daarop staande wilgenbomen naar billijkheid over te nemen. Bij de archiefstukken zit een mooie situatietekening.

De Commissaris van de Koning verstrekt in november 1863 vergunning voor het voortdurend gebruik maken van een stoomtuig in de meelfabriek, grutterij en pellerij van de heer J.H.C. Kakebeeke.

In oktober 1866 krijgt meelfabrikant J.H.C. Kakebeeke vergunning om in het kantoor van zijn meelfabriek ‘de Vos’ achter zijn woonhuis in wijk B nummer 14 in de Sint Jacobstraat, uitkomende in de zogenaamde Paardenweg, een geheel nieuwe schoorsteen te maken.

Meekrapnering

De meekrapnering wordt deze jaren bedreven in de meestoven ‘de Zon’ en ‘de Liefde’. Meestoof ‘de Zon’ is zelfs al gesticht in 1595. In elke meestoof zijn zeven personen werkzaam, te weten een droger, een stamper, een onderman en vier op- en afdoeners.

Het aantal verwerkte ponden meekrap blijkt uit het volgende overzicht:

  1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868
De Zon p.m. 74.197 49.023 47.001 52.000 49.000 253.000   
De Liefde 42.130 56.003 52.922 51.096 55.095 67.690 30.300   

Het aantal verwerkte ponden zogenaamde mullen blijkt uit het volgende overzicht:

  1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868
De Zon p.m. 4.282 3.986 10.923 8.00 10.400 11.700  
De Liefde p.m. 4.002 9.226 12.775 15.018 13.598 16.610   

Het aantal gefabriceerde ponden ‘onberoofde’ blijkt uit het volgende overzicht:

  1861 1862 1863 1864 1865 1866 1867 1868
De Zon p.m. p.m. p.m. 20.200 39.000 37.100 45.025   
De Liefde 17.686 p.m. p.m. 15.505 39.203 48.512 p.m.   

De eigenaren van de meestoof ‘de Liefde’ dienen in december 1860 een herhaald verzoek in om dertien bomen, staande aan de oostelijke havendijk langs de meestoof, te rooien. Ze zijn hinderlijk voor het trekken van de vuurhaard in de stoof en zijn nadelig voor het gebouw. Ze doen het aanbod om tot vergoeding voor het verlies van die bomen en het niet weer planten aldaar aan de gemeente een jaarlijkse schadevergoeding te betalen van vier gulden. In mei besluit de gemeenteraad om in de aanstaande winter vier à vijf bomen die hinderlijk zijn te rooien.

In maart 1865 verzoeken de directeuren van de meestoof ‘de Zon’ toestemming om in hun meestoof, staande aan de oostzijde van de haven, een stoomgemaal in gebruik te nemen. Daarvoor hebben ze vier vierkante ellen gemeentegrond nodig voor het bouwen van een schoorsteen ten noorden van de stoof en drie en een halve vierkante ellen voor het graven van een welput naast de aanwezige put. Er zit bij de stukken een duidelijke situatietekening. Ze krijgen vergunning voor het graven en leggen van een rookkanaal naar de te bouwen schoorsteen. De gemeenteraad doet dit ‘onder dezelfde voorwaarden als bij de stichting der stoof op de Oostzelcke bij resolutie van den 30 januari 1595 is gemaakt’.
Tegelijkertijd wordt ook in de meestoof ‘de Liefde’ een stoomwerktuig aangebracht. In april 1865 krijgen de boekhouders en secretarissen van de beide meestoven vergunning om stoomwerktuigen aan te brengen.

Naast de beide meestoven is er ook de meefabriek ‘de Stad Goes’ werkzaam van de meekrapfabrikant Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte en compagnon. Hierin wordt gewerkt met 8 volwassen mannen en een jongen. In deze fabriek houdt men zich bezig met het malen van wortels van de meekrapplant.

In november 1867 deelt de eigenaar van de meekrapfabriek ‘de Stad Goes’, de heer Fransen van de Putte, het gemeentebestuur zijn voornemen mee om tegen de fabriek op het perceel in wijk E nummer 163 aan de havendijk in erfpacht te bouwen een geheel nieuwe eest met toegang. Daarin zal een schoorsteen worden opgetrokken van steen en ijzer, evenzeer als de eest geheel van steen en ijzer zal worden opgebouwd. Door deze voorgestelde uitbreiding is het noodzakelijk de afvoer van het regenwater van de straat inplaats van door hun fabriek voor het erf te verleggen voor zoveel de bestaande verordeningen dit mochten voorschrijven.

Een jaar later, in november 1868, geeft de eigenaar van de meekrapfabriek Fransen van de Putte te kennen dat hij in het belang van zijn industrie dringend behoefte heeft aan enige uitbreiding van het terrein bij zijn fabriek, speciaal om te dienen als bergplaats van steenkolen. Hij wenst daarvoor een stukje gemeentegrond van ongeveer 150 vierkante ellen, deel uitmakende van het westelijke deel begrensd tussen de beerput, de haven en de weg naar Wilhelminadorp. Hij verzoekt daarom dat perceeltje in huur af te staan voor 14 jaar. Dit wordt hem toegestaan.

Tegelijk dient directeur Fransen van de Putte in november 1868 nog een ander verzoek in. De beperkte ruimte in zijn meekrapfabriek ‘de Stad Goes’ dringt hem om een loods te stichten op het erf van die fabriek en wel op het perceel in wijk D nummer 1290. Deze erfpachtgrond heeft hij verkregen door aankoop van de heer J.D. Fransen van de Putte. De loods zal geheel worden opgericht binnen de grens van het erfpachtperceel en vóór het pakhuis ‘de Meebaal’ van de Gebroeders Harinck van de houtzaagmolen, zodat het uitzicht van de bewoners geenszins wordt belemmerd. De loods zal van hout worden gebouwd en gedekt met pannen overeenkomstig de overgelegde tekening.

In december 1868 krijgt directeur J.A.A. Fransen van de Putte vergunning om de arbeiderswoningen van het perceel in wijk D nummer 1297 te verplaatsen naar het perceel D 1296. Dit met het oog op de uitbreiding van de garancinefabriek aan de oostzijde van de haven.

Meubelmakers

Als meubelmaker is in de stad werkzaam Willem Thewes. Hij krijgt in oktober 1867 vergunning om in de bovenkamer van zijn woonhuis in wijk D nummer 5 in de Koningstraat een schoorsteen te verplaatsen.

Molens

Er zijn deze jaren nog vier molens in de gemeente: een houtzaagmolen, en oliemolen en te korenmolens. Op de houtzaagmolen werken doorgaans vijf mannen. Op de oliemolen 1 baas, 1 knecht, 1 jongen boven de 16 jaar. Op de korenmolens ieder 1 knecht.

Houtzaagmolen
Al sinds 1702 is de houtzaagmolen ‘de Eendracht’ in exploitatie bij de familie Harinck.

De houthandelaren en houtzaagmolenaars, de Gebroeders Harinck, berichten het gemeentebestuur in oktober 1863 dat zij door koop eigenaar zijn geworden van vijf roeden en twintig ellen gemeentegrond tussen de afgebroken twee waterpoorten in wijk D nummer 1206. Dit perceel is in augustus 1857 in erfpacht afgestaan aan Johannes Marinus van der Made voor zijn toen gestichte draineerbuizenfabriek. Tussen die grond en de grond die in erfpacht is bij de heren Fransen van de Putte en compagnon ligt een open gang, ‘waarin alle vuiligheid etc. wordt gedaan en geworpen, waarop niet is te surveilleren en voor hun hinderlijk is om door die gang op hun grond te komen’. Ze verzoeken die gang door een houten hek af te sluiten of iets anders te bedenken wat bij gelegenheid van brand niet hinderlijk zou kunnen zijn om met de brandspuiten daar veilig in te komen. Ze zijn bereid desnoods twee sleutels op het slot te laten maken, waarvan een bij de brandmeester zal berusten.

In september 1865 ontvangt het gemeentebestuur van Cornelis Wessels een klacht wegens het belemmeren van het gebruik van zijn gepachte viswater in de zogenaamde zoute vest doordat het hout van de zaagmolen daarin wordt gelegd. Besloten wordt de Gebroeders Harinck te verzoeken die verhindering te doen ophouden. De heren Harinck doen daarop het aanbod om de pacht van de visserij in de zoute vest over te nemen.

In april 1866 komt de houtzaagmolen weer in het nieuws.
De korenmolenaar Jan Adriaanse en de landbouwer Willem Duvekot richten zich tot het gemeentebestuur met de vraag of er een vast peil voor de waterspiegel in de haven bestaat en zo ja, of daaraan stipt de hand wordt gehouden. Ze zijn tot deze vraag gekomen door de zich meermalen en nog onlangs voorgedane omstandigheid dat, wanneer de Gebroeders Harinck hun hout uit de haven door het sluisje naar de zaagmolen vloten, het laagste gedeelte van hun eigendommen onder zout water wordt gezet. Dit berokkent hun een niet onaanzienlijke schade.

Korenmolens
Deze jaren zijn er nog steeds twee korenmolens in de stad: ‘de Koornbloem’ van molenaar Jan Adriaanse en ‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar Jan van de Putte. Van deze beide molens volgen hier enkele bijzonderheden die zich deze jaren voordoen.

De molenaar van molen ‘de Koornbloem’, Jan Adriaanse, bewoont het woonhuis in wijk D nummer 96 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat. In februari 1867 krijgt hij toestemming om de gevel van dit huis te beporten en de bestaande trapgevel gedeeltelijk af te breken en door een andere gevel te vervangen.

In juli 1861 krijgt molenaar Jan van de Putte op zijn verzoek toestemming om op de wal bij de korenmolen ‘de Koornbloem’ een houten afheining te plaatsen.

Molenaar Jan Adriaanse van ‘de Koornbloem’ verzoekt om een gedeelte van de dijk bij zijn molen op erfpacht en het overige voor een lange termijn in pacht te mogen gebruiken. Uit een ingesteld onderzoek blijkt het gemeentebestuur dat deze grond eigenlijk niet vatbaar is voor een publieke verpachting zoals tot nu toe heeft plaats gehad. Er bestaat ook bezwaar deze grond geheel of gedeeltelijk in erfpacht uit te geven. Besloten wordt dan ook de grond voortaan steeds voor een passende en geschikte pachttermijn onderhands uit te geven. Het betreft hier de wal bij de korenmolen, van het woonhuis bij deze molen en toelopend voorbij de molen tot aan het scheidslootje of de uitwatering van het zogenaamde Ganzenest in wijk D nummer 1192 en een gedeelte van wijk D nummer 1291, tegen een pachtsom van 40 gulden per jaar. De pachter is verplicht de grond met de boorden van de voormalige zoute vest en de scheidsloten voor zoveel het gepachte betreft in goede staat te onderhouden.

In februari 1862 dienen de beide korenmolenaars Adriaanse en Van Putte een verzoek in om, ‘uit hoofde van de onbeperkte concurrentie in hun fabricaat, waardoor hun molens zeer gedrukt worden en zij zich onmogelijk van hun verplichtingen kunnen kwijten’, de recognitie van ƒ 150 per jaar die op ieder van hun molens is gevestigd, enigszins al is het maar tijdelijk, te verminderen. Het gemeentebestuur oordeelt echter dat de opbrengst voor de gemeente eigenlijk een jaarlijkse belasting is, vertegenwoordigende de rente van de koopwaarde. Ook weegt hierbij mee dat beide molenaars zeer onlangs eigenaren van hun molens zijn geworden en bij de aankoop van de molens zeker wel gelet zullen hebben op die jaarlijkse belasting. De gemeenteraad besluit dan ook het verzoek af te wijzen omdat beide molenaars bij de aankoop van hun molens dit hadden kunnen voorzien.

Met de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ van molenaar Jan van Putte, broodbakker te Heinkenszand, en in pacht bij J.W. de Groote en G. van der Mark, is in juni 1863 iets bijzonders aan de hand. De commissaris van politie rapporteert het gemeentebestuur dat de as van deze molen in een zeer slechte staat verkeert en niet langer geschikt is om gebruikt te worden. Het gemeentebestuur verbiedt daarop met de molen te malen zolang het nodige herstel of de gehele vernieuwing van de as niet zal hebben plaats gehad. Ze gelasten om de as onverwijld uit de molen te doen nemen en te laten onderzoeken en naar bevind door een deskundige te laten herstellen of een nieuwe as te plaatsen. Een week later wordt dit besluit in zover gewijzigd dat het geoorloofd zal zijn met de aanwezige as, onder inachtneming van alle mogelijke omzichtigheid, te blijven malen tot 1 september. Op die datum moet een nieuwe as in de molen geplaatst zijn.
In oktober ontvangt het gemeentebestuur een proces-verbaal van de opname van de as in de molen, opgemaakt door J. van Ek, molenmaker te Dordrecht, in tegenwoordigheid van de Goese molenmaker en timmerman J.P. Muller, en de gemeenteopzichter J. Soutendam. Daaruit blijkt dat de as in de molen, alhoewel oud toch niet in een ogenblikkelijk gevaarlijke toestand verkeert en dat deze nog wel twee jaren kan blijven werken. Voor deze termijn verklaart molenmaker J. van Ek die molenas voor zijn rekening te nemen. Verder moeten aan de as enige dringende herstellingen gebeuren zoals het uitnemen van de wiggen, het aanzetten van de banden en het weer aanwiggen van deze. Het gemeentebestuur besluit, met intrekking van het eerdere besluit, vergunning te verlenen om, na gedane herstelling en voorziening zoals hiervoor is vermeld, vooralsnog voort te gaan met het malen van de molen zonder voorzien te zijn van een nieuwe as.

Tussen de op de Noordwal gelegen korenmolens ‘de Korenbloem’ en ‘de Vijf Gebroeders’ ligt een strook gemeentegrond. In april 1862 krijgt Marinus Mookhoek van deze strook 75 vierkante ellen gemeentegrond in erfpacht. Deze grond ligt aan de noordzijde van het aldaar gestichte gebouw van de heer Johannes van Arde.

De korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ gaat in december 1864 over naar Nicolaas Remijn uit ’s-Heer Abtskerke. Remijn vraagt dan vergunning om in de nabijheid van zijn korenmolen, op de grond die hij op cijns in erfpacht bezit, woningen te mogen stichten. Ook verzoekt hij onder aan de dijk langs zijn erfpachtgrond een uitweg en oprit te maken en de Molendijk voor een klein gedeelte te mogen berijden. Het gemeentebestuur wijst dit verzoek af omdat bij het met Remijn aangegane erfpachtcontract de grond is uitgegeven voor het bouwen van woningen en het gebruik van de dijk afgestaan is onder de verplichting om die te onderhouden.

Merkwaardig is dat Frans Courtijn in oktober 1864 verzoekt om vermindering van de jaarlijkse cijns op de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’. Het gemeentebestuur wijst dit verzoek af omdat Courtijn deze molen heeft verkocht en dus nu geen belang meer bij de zaak heeft.

In december 1864 verzoekt de nieuwe korenmolenaar van ‘de Vijf Gebroeders’, Nicolaas Remijn, vergunning om het houten gebouwtje, staande op de berg waarop de molen ‘de Vijf Gebroeders’ staat, te mogen veranderen in een stenen woning. Tevens verzoekt hij om op de door hem in erfpacht bezeten grond onderaan de dijk bij die molen nog een woning in steen te mogen bouwen. Gelet op de overgelegde plantekeningen wordt besloten deze in handen te stellen van de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht voor bericht en advies uit het oogpunt van de algemene gezondheid.
In december 1866 deelt molenaar Remijn mee voornemens te zijn om de thans op zijn in erfpacht bezeten grond, onder aan de dijk bij zijn molen, staande woningen nog met drie andere woningen en een schuur uit te breiden. Hij krijgt hiervoor toestemming.

Verscheidene bewoners van de nieuwgebouwde woningen bij de korenmolen ‘de Vijf Gebroeders’ krijgen toestemming om bij hun woning een varkenshok te plaatsen. Zo mag Jacobus van de Velde in maart 1867 achter zijn woning bij de korenmolen van Nicolaas Remijn in wijk B nummer 219 een varkenshok plaatsen. Ook de weduwe J.C. de Laat-de Brandt krijgt vergunning om op het erf onder aan de molen van Remijn een varkenshok te plaatsen.

In augustus 1868 krijgt molenaar Nicolaas Remijn vergunning om op de wal bij zijn molen ‘de Vijf Gebroeders’ een roe te laten maken door de molenmaker.

Molenmakers
Er vestigt zich in maart 1862 ook een molenmaker in de stad. Het is Johan Pieter Muller. Hij krijgt voor 50 jaar op erfpacht drie roeden gemeentegrond aan de westzijde van de haven om het materiaal voor zijn beroep als molenmaker te bergen. Op de scheiding van dat erf zuidwaarts is door de gemeente vergunning verleend aan de Vereniging van werklieden om een houten loods van latwerk te timmeren. De ervaring heeft hem geleerd dat het hem toegewezen terrein te klein is. Hij is te rade geworden om te trachten ook de loods van de Vereniging van werklieden aan zijn terrein toe te voegen. Hij verzoekt de grond van die loods mede in erfpacht te verkrijgen. De eigendom van de loods zal dan aan hem overgaan tegen het aanbod om voor de Vereniging van werklieden een gelijke loods zuidwaarts tegen zijn terrein te laten bouwen. Er zit een situatietekening en een tekening van het latwerk bij de stukken.

Kennelijk gaat de molenmakerij later over naar de molenmaker en timmerman Willem Frederik van Riet. Van Riet krijgt in oktober 1864 vergunning voor het bebouwen van de bij raadsbesluit van 29 augustus 1864 afgestane grond nabij de molen ‘de Koornbloem’ met een gebouw in steen volgens een door hem overgelegde tekening.
In januari 1868 krijgt Van Riet vergunning om de aan zijn woonhuis grenzende werkplaats in wijk D nummer 63 met ongeveer vier ellen te verlengen. Overigens verzoekt Van Riet, samen met J. van Aerde, in oktober 1864 om op de afgestane erfpachtgrond tussen de beide korenmolens woningen te bouwen. Het gemeentebestuur heeft hier bezwaar tegen. Deze grond was wel afgestaan om een soort van bergplaats te maken voor de uitbreiding van hun bedrijvigheid, maar niet om woningen te stichten.

Schoenmakers

Jacobus Anthony van de Velde, schoenmaker in het huis in wijk C nummer 149 aan de Lange Vorststraat geeft het gemeentebestuur in januari 1865 te kennen dat hij uit het verslag van de gemeenteraad van 26 april 1864 in de Goessche Courant heeft opgemerkt ‘dat het de leden van de gemeenteraad aangenaam zoude zijn, zo wanneer de dijk achter de sociëteit afgevlakt zijnde, dezelve voor aanbouwing van geschikte woningen werd bestemd’. Hij neemt daarom de vrijheid zich tot het college te wenden om hem, aangezien genoemde wal tot op heden daarvoor nog niet geschikt is, op de daartegen grenzende Keizerdijk, aanvang nemende bij de Hooge Bomen, 172 vierkante ellen grond in erfpacht af te staan om deze tot bewoning te bestemmen. Bij zijn verzoek zijn twee fraaie plattegronden gevoegd.
In mei 1867 krijgt schoenmaker Van de Velde vergunning om in zijn woonhuis in wijk C nummer 151 in ‘de Lange Vos’, de Lange Vorststraat, een nieuwe schoorsteen te bouwen.

Sigarenfabriekjes en tabak nering

Ook deze jaren zijn er drie tot vier sigarenfabriekjes in de stad.
Waren dit in de 18e eeuw zogenaamde tabakskerverijen, in de loop van de 20e eeuw hebben deze zich ontwikkeld tot kleine sigarenfabriekjes.
In februari 1862 gaat ook de winkelier G. van den Hoek zich bezighouden met de tabak nering. Hij krijgt vergunning om een tabak eest te plaatsen in het pand in wijk C nummer 179 aan de Ganzepoortstraat.
De sigarenfabrikant Jacobus Johannes Le Cointre deelt het gemeentebestuur in augustus 1865 mee dat de door wijlen zijn broer G.M. Le Cointre gedreven sigarenfabriek door hem zal worden overgebracht naar het pand in wijk C nummer 31 in de Lange Kerkstraat. Hij krijgt hiervoor vergunning. Uit de bijgevoegde situatietekening blijkt dat het een pand is tussen de Lange Kerkstraat en de Lange Vorststraat. Het fabriekje staat achter dit pand.
Ook de koopman Nathan Abraham Emanuel krijgt in oktober 1867 vergunning om in het huis in wijk D nummer 17 op de hoek van de Keizerstraat en de Magdalenastraat een sigarenfabriekje in te richten. Dit pand heeft hij in oktober 1867 in eigendom verworven. Hij krijgt vergunning om aan de Keizerstraat een sigarenfabriekje daar te stellen. Dit fabriekje behoorde voorheen toe aan Jacobus Johannes Le Cointre.

Slagerijen

Deze jaren zijn in elk geval de volgende slagers of vleeshouwers gevestigd in de stad:
Eliazer Bannet, Andries Emanuel, Jan Sloover, Jan Koens, Jan Jacobus Bakker en Cornelis Frederik van Ettinger.

De Joodse vleeshouwer Eliazer Bannet verhuist in mei 1864 naar Leiden.
Een andere Joodse slager, N.A. Emanuel, thans slager te Heinkenszand, krijgt in april 1865 vergunning om een slachterij en vleeshouwerij te stichten in wijk D nummer 17 op de hoek van de Keizerstraat en de Magdalenastraat richting Beestenmarkt volgens de overgelegde situatietekening. Slager Emanuel verzoekt om een vangput voor bloed en andere onreinheden te mogen aanbrengen. Aan de gevel wil hij vleeshaken laten maken zoals bij de andere slagers het geval is, doch deze zullen niet verder uitspringen dan de stoep. De eigenaar van het pand, zijn vader M. Emanuel, wil hier blijkens zijn medeondertekening toestemming voor geven.
In december 1867 krijgt N.A. Emanuel vergunning om in de winkel van zijn huis op de hoek van de Keizerstraat en de Oprel naar de Beestenmarkt een stookplaats in te richten met een ijzeren rookgeleiding aan de noordzijde van de winkel.

Een andere slachter, Jan Koens Hz, krijgt in mei 1866 vergunning om zijn varkensslagerij in het pakhuis achter zijn woonhuis in wijk C nummer 182 in de Ganzepoortstraat ook voor het slachten van ander vee te laten inrichten.

De slachter Jan Jacobus Bakker krijgt in april 1868 vergunning om in zijn woonhuis in wijk B nummer 71 in de Sint Jacobstraat een oude schoorsteen weg te breken en door een nieuwe te vervangen. Ook mag hij in november 1868 de keuvel op zijn woonhuis in wijk A nummer 91 in de Manhuisstraat af laten breken en daarna weer op laten bouwen.

Slager Cornelis Frederik van Ettinger krijgt in juni 1868 vergunning om in het pakhuis naast zijn woonhuis in wijk D nummer 41 in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat een slagerij op te richten.

Stijfselmakerijen

De meelfabrikant J.H.C. Kakebeeke krijgt in september 1867 vergunning voor het oprichten van een stijfselmakerij op het perceel achter zijn op stoom gedreven meelfabriek en grutterij in wijk B nummer 73 aan de Sint Jacobstraat. In een van de naastliggende gebouwen van zijn fabriek kan de stijfselmakerij worden ondergebracht. De stoom-meelfabriek en grutterij ‘de Vos’ werken op een stoomtuig van 15 paardenkracht en een stoomketel.

In augustus 1868 deelt Kakebeeke het gemeentebestuur mee dat hij zich in december 1855 tot het gemeentebestuur wendde om vergunning voor het leggen van ijzeren pijpen vanuit zijn fabriek onder door de Paardenweg en dijk of wal tot in de vest om zonodig voor zijn fabriek van het water uit de vest gebruik te maken. Aan dit verzoek is in die tijd geen gevolg gegeven, wellicht omdat er toen geen behoefte voor hem bestond. Thans, na het inwerking brengen van zijn stijfselfabriek, komt hij water te kort. Daarom verzoekt hij nogmaals te mogen overgaan tot het leggen van deze pijpen en het plaatsen van een zuivering- of filtertoestel in de vest om zich voortdurend van voldoende water voor zijn fabriek te kunnen voorzien.

Touwslagerijen en lijnbanen

In deze jaren zijn er nog steeds drie touwslagerijen in de gemeente werkzaam, te weten van N. de Lange, M.J. Scheffer en J. Kooman.

De lijnbaan van De Lange ligt buiten de Bleekveldse barrière (voorheen de Bleekveldse Poort) en is 200 ellen lang en 1 el breed. Deze ligt op erfpachtgrond van de gemeente. In maart 1863 verzoekt touwslager De Lange om de reep grond waarop zijn lijnbaan ligt en waarvan de pacht in juni eindigt, opnieuw te mogen pachten op de vroegere voorwaarden. Het is voor hem van het hoogste belang dat dit gecontinueerd kan worden. Het gemeentebestuur besluit zijn verzoek in te willigen ‘daar de gemeente aan die grond geen behoefte heeft en deze voor de uitoefening van zijn beroep onmisbaar is’.

In oktober 1865 laat ook een van beide andere touwslagers van zich horen. Touwslager Johannes Kooman verzoekt dan vergunning om op het perceel in wijk B nummer 125, deel uitmakende van het erf achter het woonhuis in wijk E nummer 26 aan de Singel, toebehorende aan M. Ripmeester, een touwslagerij te vestigen. Het gemeentebestuur gaat daarmee akkoord.

Ververijen van zijden en katoenen stoffen

In de gemeente zijn deze jaren enkele ververijen van zijden en katoenen stoffen werkzaam. Het wassen van de geverfde stoffen gebeurt in de vest. Het betreft de ververs L.J. Siepman, L.J. Wulfaert, J.E. Verbiest en C. de Brandt.

In juni 1864 deelt Levinus Johannes Wulfaert, verwer van katoenen en andere stoffen, het gemeentebestuur mee dat hij een spoelplaats voor zijn geverfde stoffen nodig heeft. Hij verzoekt verlof om gebruik te maken van de plankenvloer in de vest, evenals dit aan L.J. Siepman is vergund, voor het spoelen van stoffen die door hem in een gewone ketel zijn geverfd. Hij krijgt vergunning op kleine schaal het plankier voor het verven van stoffen in de vest te gebruiken.
Tegelijk verzoekt Wulfaert gebruik te mogen maken van een fornuis. Tot nu toe gebruikt hij in zijn huurhuis een gewone grote ketel.

In juni 1865 geven verwer L.J. Siepman, hoedenmaker J.P. Magielse en verwer L.J. Wulfaert te kennen dat ze door het wegnemen van het plankier in de vest aan de Langedijk achter het huis van de heer H.C. van Deinse groot ongerief ondervinden voor het spoelen van de door hen geverfde goederen. Daarom richten ze zich schriftelijk tot het gemeentebestuur met het verzoek om in dit ongerief te voorzien. Ze zijn het onderling eens geworden om voor eigen rekening een plankier in de vest te laten maken en dat wel aan de dijk tegenover de hofstede bewoond door F. de Back. Dit is voor hen de meest geschikte plaats, omdat ze daar bevrijd zijn van het stof, wat een vereiste is voor de door hen geverfde goederen. Ze verzoeken hiervoor toestemming.

Dit is aanleiding voor een andere verver van wollen en andere goederen, Jacobus Eduardus Verbiest, om in juni 1865 zijn beklag te doen dat hij onwetend is gelaten dat o.a. L.J. Siepman van plan is om voor eigen rekening een plankier te leggen in de vest voor het spoelen van de door hen geverfde goederen. Door partijzucht is hij daarin niet gekend. Hij verkeert, zoals eenieder zal kunnen begrijpen, daardoor in grote moeilijkheden. Voor zijn verzoek heeft hij dezelfde beweegredenen als de anderen. Tot wegneming van de moeilijkheden heeft hij verlof verkregen van A. Foudraine om aan het door hem daar opgestelde plankier aan de Koepoort te mogen spoelen. Daarom neemt hij de vrijheid te verzoeken om hem het spoelen van zijn geverfde goederen daar ter plaatse wel te willen toestaan.

De ververij van L.J. Siepman is kennelijk in maart 1866 beëindigd. Want dan deelt de verver Cornelis de Brandt mee dat door het vertrek van Siepman hij in het bezit is gekomen van het aandeel in het plankier dat voor zijn rekening gelegd is voor het spoelen van geverfde goederen in de vest. Hij verzoekt toestemming de door hem geverfde goederen ook aldaar te mogen spoelen.

Joseph de Laat, verver van katoenen stoffen, deelt in juli 1867 mee sinds ettelijke jaren samen met zijn zwager C. de Brandt het beroep van verver te hebben uitgeoefend. Als gevolg daarvan had hij ook het gebruik van het plankier voor het spoelen van de goederen in de vest. Nu zij elk voor zichzelf dit beroep zijn gaan uitoefenen is hem dit gebruik ontzegd. Dit plankier is door hem met nog anderen voor gemeenschappelijke rekening daargesteld. Hij heeft aangeboden om, onder verstrekking van een bijdrage van zijn aandeel in de toen gemaakte kosten, hem ook aldaar te laten spoelen. Dit wordt hem voortdurend geweigerd. Daarom spoelt hij nu clandestien dan hier dan elders in de vest. Om in geen onaangenaamheden te geraken verzoekt hij verlof om voor zijn rekening in de vest een plankiertje voor het spoelen van goederen te mogen maken.

Vlasverwerking

In november 1863 geeft J.M. van Zoom de burgemeester kennis dat door hem vlas wordt verwarmd in de Voorstad in wijk E nummer 80, op een grotere afstand dan bedoeld in het provinciaal blad.

Wagenmakerijen

Deze jaren zijn er enkele wagenmakerijen in de stad van de familie Meijler, namelijk een van Leendert Meijler, een van Adamus Meijler en een van Marinus Meyler.

In augustus 1864 schrijft Leendert Meijler het gemeentebestuur dat hij onlangs in de gelegenheid is gesteld zijn huidige werkplaats in wijk D nummer 170 op het Noordeinde enige uitbreiding te geven. Hij wenst daarvan gebruik te maken om in een lang gevoelde behoefte te voorzien en vooral nu de vervallen toestand van zijn werkplaats hem noodzaakt tot het doen van enige herstellingen. De uitbreiding zou plaats kunnen hebben op het terrein, gelegen tussen de schuur van de weduwe Robijn en zijn werkplaats. De wijze van uitvoering zou zijn: het front van de huidige werkplaats over een lengte van 5.75 el in steen op te trekken in de geest van de overgelegde schetstekening. Het achter- en zijfront (het laatste over een lengte van 8 el) zou daarentegen in hout worden opgetrokken.
Hij krijgt echter geen toestemming om zijn huidige werkplaats in door te trekken, volgens de overgelegde tekening in hout. Een vernieuwing in hout kan volgens de verordening niet worden toegestaan.
Meijler past zijn uitbreidingsplan aan en in januari 1865 krijgt hij vergunning om zijn werkplaats te vergroten in steen en met pannen gedekt met een voorgevel overeenkomstig een overgelegde tekening. De bedoeling is om zijn werkplaats over een lengte van 8 en een breedte van 6 ellen te vergroten op het terrein tussen de schuur van de weduwe Robijn en zijn werkplaats.

In september 1868 krijgt wagenmaker Leendert Meijler toestemming om in zijn volgende woonhuis in wijk D nummer 74 in de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat een oude schoorsteen weg te breken en door een nieuwe te vervangen.

De andere wagenmaker, Adamus Meijler, krijgt in mei 1865 vergunning om in zijn werkplaats in wijk E nummer 126 buiten de voormalige Ganzepoort een privaat te plaatsen. Het jaar daarop, in juli 1866, verleent het gemeentebestuur hem toestemming om de gevel van zijn woonhuis in wijk A nummer 29 op de Beestenmarkt te laten beporten.

Wagenmaker Marinus Meijler, wellicht een zoon van Adamus Meijler, deelt het gemeentebestuur in januari 1868 mee voornemens te zijn om de voorgevel van zijn wagenmakerij in wijk E nummer 126 in de Voorstad gedeeltelijk in steen aan te brengen en tevens in dat gebouw twee woonkamers te maken volgens een overgelegde tekening. Er zit een fraaie tekening bij de stukken. Daaruit blijkt dat van links naar rechts de volgorde van de gebouwen aan de Voorstad het volgende is: straat - woning met twee woonkamers - de nieuwe smederij - de herberg etc. De smederij ligt links van de herberg en de wagenmakerij links van het woonhuis.

Weverij

Enige tijd vóór 1861 is de voormalige weverij opgeheven. Deze was gehuisvest in de vroegere kloosterkapel van het Gasthuis. Het Gasthuis is dringend verlegen om gebruik te kunnen maken van deze ruimte in dit gebouw. In november 1861 heeft er een onderzoek plaats gevonden ten aanzien van de inrichting van de ruimte van de voormalige weverij ten behoeve van het Gasthuis.
Het gemeentebestuur schrijft aan de commissie van geneeskundig toevoorzicht:
Wij nodigen u beleefd uit om morgen met ons te willen samen komen in het Gasthuis teneinde een lokaal onderzoek te doen nopens een geschikte inrichting van het gebouw van de voormalige weverij ten dienste van het Gasthuis’.

De gemeenteraad besluit in maart 1862 over de inrichting van het gebouw van de voormalige weverij voor gebruik door het Gasthuis. De aanbesteding vindt in het openbaar plaats aan aannemer G. van der Mark voor ƒ 1.252. Het verfwerk wordt gegund aan L. de Bruijn voor ƒ 145.

Winkeliers

Er zijn deze jaren tal van ambachtslieden maar ook winkeliers in de stad. De jaarverslagen maken melding dat de kleinhandel en winkelnering zich vrij goed staande houden. De volgende gegevens over winkeliers blijken uit de archiefstukken:

  • In november 1861 krijgt winkelier Dirk Hildernisse, wonend in wijk A nummer 202 aan de Vlasmarkt, vergunning om een schoorsteen op een bovenkamer van zijn woonhuis te plaatsen;
  • in februari 1863 krijgt de weduwe S. Lamsue toestemming om de gevel van haar huis in wijk A nummer 113 te veranderen;
  • in februari 1863 mag J. Bebelmans aan zijn winkel in wijk C nummer 15 uitstekende kasten laten maken;
  • in mei 1863 krijgt ook winkelier P.T. de Jonge vergunning om nog een winkelkast voor zijn woonhuis in wijk C nummer 36 in de Lange Kerkstraat gelijk aan de twee bestaande kasten aan te brengen;
  • in mei 1867 krijgt winkelier David Cappon vergunning om de achtergevel van zijn woonhuis in wijk D nummer 33, uitkomende in het Ossenhoofdstraatje, te verzetten;
  • in januari 1868 mag de winkelierster Frederika Klap de stoep voor haar woonhuis in wijk C nummer 138 in de Lange Vorststraat laten verleggen alsook de voorgevel beporten;
  • in juli 1868 krijgt winkelier D.A. Oerlemans vergunning om het bestaande raam en deurkozijn van het laboratorium in zijn pand in wijk D nummers 14 en 15 in de Keizerstraat te laten vervangen door een deurkozijn met twee deuren;
  • in december 1868 krijgt winkelier P. Stieger toestemming om in zijn woonhuis in wijk C nummer 46 in de Lange Kerkstraat een oude schoorsteen weg te breken en door een nieuwe te laten vervangen;
  • in december 1868 mag winkelier Pieter van der Reit het pakhuis achter zijn woonhuis in wijk C nummer 42 in de Lange Kerkstraat en uitkomende in de Korte Vosstraat tot woning inrichten.

Wijnhandelaren

De wijnhandel wordt nog steeds bedreven door M.J. de Jongh. Hij heeft zijn wijnpakhuis in het Schotje van Armoede in wijk C nummer 183. Het wijnpakhuis verkeert echter in een desolate toestand. Het is bijna bezweken of ingestort. Door tijdige ontdekking en de hulp van de ambachtslieden van aannemer H. Boet is met ondersteuning en schoren het grootste gevaar voorkomen. De wijnhandelaar krijgt in maart 1861 vergunning om zijn wijnpakhuis te herstellen en voor zoveel nodig te herbouwen. De gevel wordt vernieuwd.
Wijnhandelaar M.J. de Jongh levert ook wijnen aan Nederlands-Indië. Hij moet voor de uitvoer daarvan van het Departement van Koloniën een certificaat van oorsprong verkrijgen. Met zo’n certificaat mag het schip de havens in Nederlands-Indië invaren.

Ook bedrijven de weduwe A. Steendijk en F. van Heel de wijnhandel. Ook zij leveren wijn, wijnazijn, likeuren enzovoorts aan Oost-Indië met een certificaat van oorsprong van het Departement van Koloniën.

Zadelmakerijen

In februari 1861 geeft de zadelmaker M.D. Ramondt te kennen dat hij verlangt om aan de voorgevel van zijn woonhuis op de Grote Kade (ergens anders genoemd de Turfkaai) in wijk D nummer 28 een plakbord tegen de gevel aan te brengen en aan een van de schuifkozijnen een kapstok aan te brengen om zadelmakertuig op te hangen voor het uitstallen. Zadelmaker Ramondt levert elk jaar zadelmakerwerk bestemd voor Nederlands-Indië of Oost-Indië.
In 1863 betreft dit 20 halsters, 10 hoofdstellen en een paard slip en nog eens 5 zadels met toebehoren, 10 rijhoofdstellen, 12 over singels en 24 buiksingels.
In 1865 gaat het om 5 zadels, 15 rijhoofdstellen en 30 stalholsters.
In 1866 bestaat de levering uit zadelmakerwerk zoals zadels, hoofdstellen, halsters, karwatsen, sjabrakken enzovoorts + een kist gemaakt door J.J. Ramondt per barkschip ‘Nederland en Oranje’, kapitein J.W. Muller te Rotterdam, bestaande uit 14 rijzadels met stijgbeugels, 16 rijhoofdstellen, 8 dito, 15 stalhalsters, 36 buikcingels, 24 stijgriemen en 3 stukken touw, inhoudende vijf stel paardentuigen.

VERKEER EN VERVOER

Beurtveren en veerdiensten

Waren er in de 18e eeuw nog beurtveren met beurtschepen vanuit Goes op wel vijftien steden, thans is dit teruggelopen tot een enkele beurtveerdienst. Deze veren zijn thans uitsluitend in particuliere handen; het gemeentebestuur heeft hier geen bemoeienis meer mee.

Enkele berichten over de beurtvaarten komen we in het gemeentearchief over deze jaren nog tegen. Er zijn nog een tiental beurtschepen in de vaart, te weten op Rotterdam, Gouda, Dordrecht, Middelburg, Zierikzee en Bergen op Zoom, hoewel de vaart aan de vrije concurrentie is overgelaten. 
Zo krijgt de beurtschipper Marijn Bakker in november 1861 vergunning om in het huis aan de Kleine Kade in wijk B nummer 176 een gat in de schoorsteen te breken om een kachelbuis te plaatsen. 
Eind mei 1866 deelt de gemeenteraad van Gouda mee het verzoek van A. van de Visse om ontslag als schipper van het beurtveer tussen Goes en Gouda v.v. in te willigen. Goes is aan de beurt om in de vacature te voorzien. 
In januari 1868 is er een brief van de beurtschipper van Goes op Rotterdam Dirk Boer, wonend te Goes. Hij verzoekt hem gelijk te stellen wat betreft het betalen van sasgeld met andere vaartuigen van deze stad. 

Van geheel andere aard is het veer over het Sloe. Op 3 mei 1861 verschijnt er een Publicatie van aanbesteding van het maken van enige werken tot verbetering van het veer over het Sloe op het eiland Walcheren. Ook op 20 april 1866 ontvangt het gemeentebestuur een bekendmaking van de voorgenomen aanbesteding van werken aan het veer van het Sloe. 

Te water wordt deze jaren veel materieel voor de in aanleg zijnde spoorweg aangevoerd, waardoor de vaart levendiger was dan in andere jaren. 

Postwagendiensten en diligences

Begin juli 1861 ontvangt het gemeentebestuur van de Minister van Binnenlandse Zaken een verzoekschrift van het bestuur van de Middelburgse Maatschappij van Stoomvaart om vergunning om een wagendienst aan te leggen tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer. Dit zal gaan dienen voor het vervoer van personen en goederen van geringe omvang in verband met hun Stoombootdienst tussen Middelburg en Rotterdam. Hierover wordt een gunstig advies afgegeven. In augustus 1861 verleent de Minister deze vergunning aan de Middelburgse Maatschappij van Stoomvaart voor het aanleggen van deze wagendienst.  

De logement- en stalhouder te Zierikzee J.P.J. Dronkers vraagt in 1862 een vergunning voor het aanleggen van een tweede diligencedienst van Middelburg op Goes, die in de zomermaanden doorgaat tot Schore en Kruiningen. Overwogen wordt dat het zeer te betwijfelen is of er aan een zodanige dienst behoefte bestaat. Bovendien levert de persoon van de verzoeker weinig waarborg op voor een goede en geregelde waarneming van die dienst. Het gemeentebestuur uit dan ook bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde concessie. Hierop volgt een afwijzende beschikking voor het aanleggen van een dergelijke wagendienst tussen Middelburg en Goes.

In mei 1865 verleent de Minister van Binnenlandse zaken een concessie aan Adriaan Krijger te Kruiningen voor een wagendienst tussen Goes en Kruiningen. Deze vertrekt van Kruiningen op dinsdag, donderdag en zaterdag ‘s morgens om 8 uur en retour van Goes ‘s middags om 3 uur.

Cornelis van Zweeden krijgt in september 1867 vergunning voor een wagendienst tussen Goes en Wolphaartsdijk.  

In 1868 zijn dan ook postwagendiensten:

  • tussen Goes en Middelburg van Willem de Fouw;
  • tussen Goes en het Katse veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Middelburg van Lourens Rijk en Pieter Panny; 
  • tussen Goes en het Kortgeense veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Vlissingen van Willem Adriaan Anemaet;
  • tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Middelburg van de Middelburgse Stoomvaart Maatschappij;
  • tussen Goes en Kruiningen van Adriaan Krijger;
  • tussen Goes en het Katse veer van Frans Kopmels;
  • tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer van Cornelis van Zweeden.   

De postwagendiensten worden verzorgd met de volgende diligences of postwagens:

  • twee geel geschilderde driebanks diligences, rijdend bij toerbeurt tussen Goes en het veer van het Sloe, staande onder directie van de heer W. de Fouw;
  • vier driebanks wagens, waarvan drie geel en een groen geschilderd, rijdend tussen Goes en het Catse veer, staande onder directie van de huurkoetsier Lourus Rijk;
  • een geel geschilderde driebanks wagen, rijdend tussen Goes en het Cortgeense veer, staande onder directie van de huurkoetsier Laurus Willeboer.

Elk jaar worden deze vervoermiddelen gekeurd door de commissaris van politie, vergezeld van de wagenmaker Damus Meijler en de smid Jan Wabeke, in de bergplaats van publieke vervoermiddelen. 

De directeur van de Stoomboten ‘Telegraaf’ te Goes, I.D. van der Bilt la Motthe, geeft het gemeentebestuur in januari 1868 kennis dat de heren Verweij & compagnon te Rotterdam hem hebben bericht dat ze tot op heden nog geen concessie voor de omnibusdienst van Goes op Wemeldinge v.v. op de stoomboten ‘Telegraaf’ hebben ontvangen. 

In april 1868 ontvangt het gemeentebestuur van Gedeputeerde Staten het verzoek om haar gevoelen kenbaar te maken over de door Cornelis van Zweeden aangevraagde vergunning voor een wagendienst tussen Goes en Hoedekenskerke. De burgemeester bericht terug dat ‘wij zeer ingenomen zijn met het voornemen van de adressant en zullende eene geregelde uitvoering van hetzelve bevorderlijk zijn aan een goede communicatie tussen deze gemeente en de stoombootdienst op de Westerschelde.
De te volgen weg van deze postwagen zal zijn de straatweg van Goes naar ‘s-Gravenpolder en vanaf ‘s-Gravenpolder naar Hoedekenskerke over de grindweg. Vermeld wordt dat het rijtuig zal zijn op vier wielen en met veren, bespannen met twee paarden, zonder onderweg van paarden te verwisselen. Vertrek van Goes des morgens om 8.30 uur, aankomst te ’s-Gravenpolder om 9.15 uur en te Hoedekenskerke om 10.00 uur. Na vertrek uit Hoedekenskerke is de aankomst te ‘s-Gravenpolder om 10.45 uur en te Goes om 13.30 uur.
In september 1868 verzoekt de ondernemer van de diligence van Goes op Hoedekenskerke, Cornelis van Zweden, subsidie voor het in standhouden van zijn dienst uit de provinciale fondsen omdat het weinige vervoer het hem anders onmogelijk maakt langer in de dienst te kunnen voorzien. Hij heeft over de maand mei slechts van het vervoer ontvangen 39 gulden, in juni 49 gulden en in juli 78 gulden. Dit is te gering voor het onderhoud van een span paarden en een rijtuig met voerman. Redenen waarom hij verzoekt zijn verzoek bij Gedeputeerde Staten gunstig te willen ondersteunen. 

De stalhouder Frans Kopmels deelt het gemeentebestuur in augustus 1868 mee dat hij Gedeputeerde Staten concessie heeft gevraagd voor een diligence, een wagendienst voor het vervoer van personen en goederen, tussen Goes en het Catse veer v.v. en tussen Goes en Wolphaartsdijk v.v. in verband met de aankomst aan het Catse veer en het Wolphaartsdijkse veer van de stoomboot van de Spoorboot Maatschappij te Middelburg. 

Stoombootdiensten

Begin november 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Verweij en Compagnon, cargadoors te Rotterdam en boekhouders van de Hollandsch Zeeuwsche Stoombootrederij. Bij de brief is een Reglement en Tarievenlijst gevoegd. De firma verzoekt vergunning voor het openen van een Schroef-Stoombootdienst tussen Rotterdam en Goes. Met het oog op de nog bestaande concessie voor een zodanige veerdienst en de omstandigheden waarin de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart verkeert wordt besloten de positie waarin het gemeentebestuur verkeert mee te delen. Ook zal het onnodige van een dadelijke vergunning worden betoogd. Vooralsnog wordt het verzoek van de hand gewezen. 

De Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart verkeert onmiskenbaar in problemen. Op 29 november 1862 neemt het gemeentebestuur voor kennisgeving een brief aan van de heren J. de Fouw, mr. P.J. van Voorst Vader en A. Nortier van 20 november. In deze brief wordt kennisgegeven van de door hen gedane aankoop van het Stoomschip ‘Stad Goes’ en het woonhuis en de erve op de Grote Kade, toebehoord hebbend aan de ontbonden Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart. Ze hebben het voornemen om de bestaande concessie over te nemen en de vaart van Goes op Rotterdam v.v. te bestendigen. 
De brief is geschreven met het oog op de dezer dagen aan de heren Verweij en Compagnon te Rotterdam verleende concessie voor een stoombootdienst tussen Goes en Rotterdam v.v. voor het vervoer van passagiers en goederen. Ook strekt deze brief tot voorkoming van alle moeilijkheden tussen die firma en genoemde concessionarissen omtrent de door het Stoomschip ‘Stad Goes’ gebruikt wordende los- en ladingsplaats aan de Grote Kade. In het belang van hun onderneming verzoeken ze om aan die firma een bepaalde vergunning te verlenen om, met uitsluiting van andere stoomboten, ten behoeve van de Goessche Stoombootonderneming genoemde los- en ladingsplaats in het vervolg te gebruiken. Deze vergunning is aan de ontbonden Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart, in de rechten waarvan de adressanten door aankoop van het stoomschip zijn getreden, door het gemeentebestuur steeds stilzwijgend verleend.
Besloten wordt aan de adressanten bij voortduring te vergunnen het gebruik van de los- en ladingsplaats voor het Stoomschip ‘Stad Goes’ aan de Grote Kade. Dit gebeurt echter niet met gehele uitsluiting van anderen, maar gaat alleen over het recht om daarvan bij voorkeur gebruik te maken zodat daarvan geen gebruik mag worden gemaakt door enig ander vaartuig hoe ook genaamd. 

Eind december 1862 wordt in handen van het college van burgemeester en wethouders gesteld een adres van de heren J.A.A. Fransen van de Putte, mr. M.P. Blaaubeen en F.S.A. Knitel, directeur en commissarissen van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart en als zodanig concessionarissen van een Schroef Stoombootdienst van Goes op Rotterdam. Dit behelst het verzoek om die concessie over te brengen op de heren mr. P.J. van Voorst Vader, J. de Fouw en A. Nortier, kopers van het stoomschip ‘Stad Goes’, voor hun firma de Goessche Stoombootonderneming. Besloten wordt tot inwilliging van dat verzoek gunstig te adviseren.

Tezelfdertijd, op 26 december 1862, ontvangt het gemeentebestuur een brief van Gedeputeerde Staten van 12 december met de mededeling dat de Minister van Binnenlandse Zaken vergunning heeft verleend aan de firma A.J. Verweij en Compagnon te Rotterdam voor een stoombootdienst tussen Rotterdam en Goes.

In januari 1863 is gedurende de onlangs gewoed hebbende storm door het stoomschip ‘Stad Goes’ enige schade veroorzaakt aan het sas. De kosten worden verhaald op de Goessche Stoomboot Onderneming. 

De Ingenieur van de 1e klasse voor het Stoomwezen schrijft het gemeentebestuur op 16 januari 1863 het volgende:
Naar aanleiding van het mij ter kennis gekomene is de Stoomboot ‘Stad Goes’ door verkoop niet meer het eigendom van de te Goes gevestigde Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart. De akte van vergunning voor die boot, aan deze maatschappij uitgereikt, is hierdoor niet meer geldig. Het schijnt echter dat de tegenwoordige eigenaar gebruik gemaakt heeft van die boot zonder van een behoorlijke akte voorzien te zijn’. 
Hij wijst erop dat hetzelfde is gebeurd met het stoomtuig, geplaatst in de voormalige garancinefabriek van de heer Van Renterghem. De vergunning voor het gebruik van dat stoomtuig is dus ook als vervallen te beschouwen.
Door de nieuwe eigenaren zal een nieuwe aanvraag om een vergunning dienen te worden gedaan. Dit is door de nieuwe eigenaren ook gedaan.

Op 31 januari 1863 komen bij het gemeentebestuur twee brieven binnen van de Goessche Stoombootonderneming. De ene brief behelst de mededeling dat tot conducteur op de stoomboot is benoemd Bernardus Adolf de Leeuw uit Rotterdam. Verzocht wordt om hem als politiebeambte te beëdigen. Dit gebeurt twee dagen later.
De andere brief houdt een kennisgeving in van de verkregen vergunning om de stoombootdienst van de ontbonden Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart op haar firma te doen overgaan mits borg stellende tot een bedrag van minstens ƒ 2.000. Daarvoor wil de heer mr. P.J. van Voorst Vader zich verbinden. Het hoofdbeheer blijkt overgegaan te zijn naar de heer Z.D. van der Bilt.
Van Gedeputeerde Staten komt eind januari 1863 een mededeling van de bewilliging tot het overgaan van de concessie van de Stoombootdienst van Goes op Rotterdam v.v. van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart op de Goessche Stoombootonderneming bij besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 1863.

Op 21 februari 1863 komt een brief van Gedeputeerde Staten bij het gemeentebestuur binnen. Deze bevat de mededeling van de verleende vergunning aan de firma A.J. Verweij en compagnon om de Stoomboot ‘Zuid-Beveland’, bestemd voor de dienst tussen Rotterdam en Goes, in de vaart te brengen.
Dit leidt weer tot een ingekomen brief van 21 februari 1863 van de hoofdcommissaris van de Vereniging van werklieden te Goes met de kennisgeving dat voor het lossen van de stoomboot ‘Zuid-Beveland’ van de vereniging geen gebruik gemaakt wordt. Het gemeentebestuur neemt deze voor informatie aan.

Op dezelfde dag, 21 februari 1863, ontvangt het gemeentebestuur ook een brief van de Agent van de Hollandsche en Zeeuwsche Stoombootrederij onder directie van de heren Verweij en compagnon te Rotterdam met het verzoek om een los- en ladingsplaats aan de kaai voor de stoomboot varende tussen Rotterdam en Goes. Hij geeft daarbij in overweging om een bepaling te maken dat stoomschepen, die elkaar in de haven voorbijvaren, niet dan met de minst mogelijke kracht elkaar zullen passeren. Besloten wordt de Stoomboot tot wederopzeggens het einde van de Kleine Kade in de hoek bij de ophaalbrug aan te wijzen. Dit onder de uitdrukkelijke bepaling dat het vervoeren van vrachtgoederen van en naar die boot nimmer mag gebeuren langs de Kleine Kade.

Geregeld doen zich problemen voor met de stoomboten die te Goes aanmeren. 
Zo wordt in mei 1863 door commiezen van de Rijksbelastingen overgebracht een afschrift van een proces-verbaal opgemaakt tegen Jan Brouwer, gezagvoerder op het stoomschip ‘Stad Goes’, wegens de aanvoer van zeep die niet behoorlijk door documenten is gedekt. 
In augustus 1863 komt ter sprake bij het gemeentebestuur dat de snelle vaart van de stoomboten door de haven afschuiving van de havenboorden veroorzaakt. Besloten wordt dan ook om de directie van de stoomboten ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’ aan te schrijven om voortaan met de minst mogelijke stoomkracht de haven te bevaren. Daarop geeft de directie als antwoord de kapitein gelast te hebben om zich daarnaar te gedragen.
In oktober 1864 besluit het gemeentebestuur tot voorkoming van klachten over het schutten van de stoomboten, varende vanaf Goes, de sas- en buitenhavenmeester te gelasten om bij gelijktijdige aankomst van beide stoomboten het eerst te schutten die boot die van Goes komt en naar buiten moet. 

In november 1864 doen zich opnieuw problemen voor. Het gemeentebestuur overweegt dat het meermalen gebleken is dat er bij het aankomen van de stoomboten aan het Goese Sas geen water genoeg voor de wal is om de buitenhaven te bevaren. Daardoor geraken die boten aan de grond in de schutkolk. Een gevolg hiervan is dat dan, vooral bij het uitvaren, alles in het werk wordt gesteld om vooruit te komen. De schroef wordt dan daarvoor in beweging gebracht. Dit geeft al schade veroorzaakt aan de vloer en daardoor zal in het vervolg grote schade en gevaar kunnen ontstaan, bijvoorbeeld doordat een door de schroef losgeslagen steen uit de vloer het sluiten van de deuren zou kunnen beletten. Daardoor zou bij grote aandrang van water de boven beugel kunnen springen of de deur uit de pot gelicht kunnen worden.
Verder wordt overwogen dat het meer en meer blijkt dat het werken van de schroeven van de stoomboten in de haven grote schade veroorzaakt aan de havenbermen en die beschadiging groter is naarmate met meerder kracht wordt gestoomd.
Dit geeft aanleiding voor het besluit van het gemeentebestuur om het werken met de schroef van de stoomboten in de havensluis te verbieden alvorens de boot het midden van de kolk heeft bereikt en de schroef zich bevindt in de richting van de palen die op de schutkolkdijken zullen geplaatst worden en blijven. Verder wordt besloten het varen in de haven met groter kracht dan nodig is om in minstens zestig minuten van de kade aan het Sas en van het Sas in de kade aan te komen te verbieden. De sas- en buitenhavenmeester wordt gelast op de nakoming van dit besluit te letten en bij strijdigheid daarmee proces verbaal op te maken.

In januari 1865 deelt de directeur Van der Bilt La Motthe het gemeentebestuur mee dat met ingang van 1 april 1865 tot gezagvoerder op de schroefstoomboot ‘Stad Goes’, dienstdoende tussen Goes en Rotterdam v.v., is benoemd de heer Gerardus Johannes Bruker, voorheen koopvaardijkapitein in dienst van de Middelburgsche Commercie Compagnie, thans zonder beroep, wonend te Middelburg. Hij komt in de plaats van de heer Jan Brouwer, die eervol is ontslagen per 1 april.

De agent van de Zuid-Bevelandse stoomboot, C.J. Geijsen, geeft in mei 1865 te kennen dat het kantoor van de stoomboot verplaatst is naar de Lange Dijk achter de Sint Jacobstraat vanaf de nieuwe gevangenis in wijk B nummer 130. Hij verzoekt daarom vergunning te verlenen om met een handkar van de hoek tot aan het kantoor te rijden, alsook om een uithangbord te plaatsen aan die dijk waarop vermeld staat ‘Kantoor Stoomboot Zuid-Beveland’.  

In oktober 1865 zijn er weer gedurig klachten van eigenaren en gebruikers van panden, aan de boorden van de haven gelegen, en van schippers. Steeds meer blijkt dat de kaaimuren en beschoeiingen, aangelegd op kosten van de gemeente, bloot staan aan beschadiging door de vaart van de stoomboten. Het gemeentebestuur besluit de directeuren van de stoomboten ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’, varende tussen Goes en Rotterdam, aan te schrijven om bij het beproeven van de werktuigen tegen het vertrek en bij het verlaten van de kade en het passeren van de fabrieken die aan de haven zijn gelegen en bij het naderen daarvan bij aankomst, de kracht van de machines en de vaart zodanig te matigen dat dergelijke beschadigingen ophouden. Bij voortgaande handelwijze zullen maatregelen worden genomen dat de boten in en even buiten de kade niet anders zullen mogen varen dan door paarden getrokken of voortgestuwd door het bomen zoals dit geschiedt met andere vaartuigen. 

Per 1 januari 1867 komt er een einde aan het bestaan van de Goessche Stoomboot Onderneming en de stoomboot ‘Stad Goes’. Op 27 december 1866 geeft J.D. van der Bilt La Motthe namens de Firma ‘de Goessche Stoomboot Onderneming’, gevestigd te Goes, kennis ‘dat wij voornemens zijn met de 31e dezer maand de dienst met onze stoomboot ‘Stad Goes’, varende tussen Goes en Rotterdam en tussen gelegen plaatsen v.v., uit hoofde van het winterseizoen te staken, waarvan op de gebruikelijke wijze aan de belanghebbenden is kennisgegeven. Tevens hebben wij de eer u te berichten dat verscheidene omstandigheden de niet-voortzetting van onze onderneming raadzaam maken en wij dientengevolge zijn besloten die te ontbinden, weshalve wij niet voornemens zijn de stoomboot ‘Stad Goes’ met het aanstaande voorjaar weer in de vaart te brengen’.
De directie van de Stoomboot vraagt daarop vergunning om de stoomboot, ‘welke haar vaart heeft gestaakt en op morgen van Rotterdam herwaarts komen zal, voorlopig te leggen in de kade alhier op de door uw college aan te wijzen plaats’. 

In dit verband dient ook melding gemaakt te worden van een brief van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Zierikzee van 6 mei 1868 met het verzoek om adhesie te betuigen aan een adres aan Provinciale Staten van Zeeland, strekkende tot het bekomen van een verbinding van Zierikzee met de te openen spoorweglijn van Goes op Bergen op Zoom. Dit zou dan moeten gebeuren door middel van een stoombootdienst van Zierikzee op het Goessche Sas in verband met een omnibusdienst van daar op het spoor. De Zierikzeese Kamer van Koophandel vraagt dit in het belang van de eilanden Schouwen en Duiveland. Burgemeester Blauwbeen deelt de gemeenteraad mee dat het college zeer ingenomen is met dat denkbeeld en gaarne het voorstel doet om de verlangde adhesie te verlenen. De gemeenteraad stemt hier dan ook mee in. 

Huurkoetsiers

In januari 1863 geven de vrachtrijders Jan Koens en Adriaan de Klerk kennis dat Koens bij akte van 18 juni 1861 pachter is geworden van het zogenaamde nachtwerk in deze gemeente voor zeven jaar. Door zijn klimmende jaren is Koens buiten de mogelijkheid geraakt om alles wat daartoe betrekking heeft met die nauwkeurigheid en zorg uit te voeren die de zaak vereist. Daarom is hij te rade geworden onder goedkeuring van het gemeentebestuur zijn pacht aan een ander over te laten. Hij heeft Adriaan de Klerk bereid gevonden de pacht op de geldende voorwaarden over te nemen. Als borgen voor de richtige nakoming daarvan verbinden zich de huurkoetsiers Laurus Willeboer en Dignus Willeboer. Het gemeentebestuur gaat hiermee akkoord. 

De huurkoetsier Jacobus Johannes Koens wijst het gemeentebestuur in september 1867 op ‘de grote moeilijkheden en bezwaren welke het gevolg zijn van de nauwe passage voor rijtuigen langs de west- en zuidzijde van het kerkhof, zijnde de route naar zijn afspanning, waarvan het drukke verkeer met rijtuigen in de laatste jaren zeer aanzienlijk is toegenomen en alzo op het wenselijke om daarin door het afnemen van een gedeelte van dat kerkhof ter verbreding van de straat te voorzien. De grote moeilijkheden aan de nauwe passage verbonden worden niet weinig verhoogd door de gladde ijzeren deksels waarmee de beide goten op de draaien bij het weeshuis en de Kreukelmarkt zijn gedekt en waardoor niet zelden de paarden uitglijden en geheel onderste boven vallen’. Dit is de reden waarom hij verzoekt of het de gemeenteraad behagen moge genoemde straat langs het kerkhof zo mogelijk enige ellen te verbreden. En zeker om in alle gevallen de gladde ijzeren deksels van de goten te doen vervangen door zulke deksels waardoor het vallen van de paarden meer zou worden belet. 

Ook de andere huurkoetsier, Pieter Willeboer, doet tegelijkertijd en wel op 21 september 1867, van zich horen. Hij deelt mee dat ‘hij grote moeilijkheid, somtijds met gevaar gepaard gaande, ondervindt door de donker bij zijn woning en stalling bij het aankomen en afrijden van wagens des avonds laat en des morgens vroeg’. Hij verzoekt ‘eerbiedig doch dringend om op de hoek van de cingel nabij zijn woning een lantaarn te doen plaatsen ter voorkoming van ongelukken, temeer den weg zich door kruist en met het oog op de spoorweg de passage aldaar nog drukker staat te worden en het onmogelijk is om onder de aldaar staande bomen het punt van de wagens of rijtuigen te onderscheiden en het meermalen gebeurd is dat men tegen of zeer nabij elkander is en uit dergelijke voorvallen somtijds de gevolgen niet te berekenen zijn’. 

Spoorweg

Deze jaren staan in het teken van de aanleg van de spoorlijn door Zuid-Beveland.

Op 9 juli 1861 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissie voor de Staatsspoorwegen met de kennisgeving dat Ingenieur M. Simons weldra in deze gemeente met het doen van opmetingen, waterpassingen, enzovoorts voor de aanleg van de spoorweg zal beginnen. Besloten wordt de hulp en medewerking van de ingezetenen bij officiële bekendmaking in te roepen om de werkzaamheden te vergemakkelijken en te bevorderen. 

In september 1861 komt er een circulaire van de Commissaris van de Koning met het bericht dat eerlang een aanvang zal worden gemaakt met de werkzaamheden voor de opneming, uitbakening enzovoorts voor de spoorweg van de sectie Woensdrecht - Goes met het verzoek aan de bevordering van dat werk mee te werken. 

De Commissaris van de Koning verzoekt het gemeentebestuur in december 1861 om bij het ontvangen van ‘ordonnanties van betaling’ wegens aangekochte percelen voor de aanleg van de spoorweg deze aan de belanghebbenden te doen uitreiken en de ontvangst ervan te berichten aan de Commissie voor de staatsspoorwegen. Daaraan zal worden voldaan.

De Ingenieur van de Staatsspoorwegen schrijft het gemeentebestuur op 4 mei 1862: 
De richting van de spoorweg tussen Woensdrecht en Goes, zoals zij uitgebakend is, goedgekeurd zijnde, zo maakt het thans een punt van overweging uit waar het voor de Stad Goes bestemde station zal moeten worden geplaatst en het zou mij aangenaam zijn het gevoelen van het bestuur uwer gemeente dienaangaande te kennen. Als plaatsen komen in aanmerking de op bijgaand kaartje roodgekleurde gedeelten A en B in de zogenaamde Ter Welhoek met een toegang voor A langs de stads- of Poelweg of langs het Steenwegje en voor B langs de Steenweg‘. 

Het gemeentebestuur antwoordt hierop onder meer:
Het komt ons voor dat de plaatsing van de voormalige Koepoort op de kaart niet juist is, maar deze werkelijk behoort in den hoek der gracht alwaar wij de vrijheid genomen hebben een x te plaatsen. Dat daardoor de toegang tot den Poelweg, op die kaart aangewezen als aanbevelenswaardig om te komen op het station gemerkt A, niet recht maar met een bocht, wel een met opgaande bomen beplant terrein zal lopen, waarom zowel als om het station van twee zijden der stad, door de Koepoort en Ganzepoort, bereikbaar te maken het ons verkieselijker voorkomt den weg te maken door de nummers 97 en 98 van het Kadaster, op de wijze zoals wij ons veroorloven in potlood aan te wijzen.
Het station B van de zijde van de stad te bezoeken komt ons hoogst ongeraden voor, vooral om de nauwheid van de Voorstad die alsdan in haar geheel gepasseerd zou moeten worden en evenals de toegang tot A langs het Steenwegje aan grote bezwaren zou onderhevig zijn, vermits dat wegje aanmerkelijk verbreed zou moeten worden en dan nog met moeite bereden zou kunnen worden’. 
Bij de betreffende archiefstukken bevindt zicht een grote fraaie situatiekaart.

Op 10 mei 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de eerstaanwezende Ingenieur bij de Staatsspoorwegen te Bergen op Zoom. Daarbij wordt meegezonden een kaart van dat gedeelte van de gemeente hetwelk in aanmerking zou kunnen komen voor het plaatsen van een station. Verzocht wordt om daarover het gevoelen van het gemeentebestuur te mogen kennen. Besloten wordt een keuze te doen uit de twee opgegeven punten en met opgave van een veranderde toegang daarvan, dit onder terugzending van de kaart. De Ingenieur wordt verzocht om de aanleg van de te maken toegangsweg zoveel mogelijk voor rekening van het Rijk te doen ‘en deze zwaar gedrukte gemeente zo min doenlijk te bezwaren’.

Op 5 juli 1862 krijgen de grootse plannen een concretere uitwerking. Van de Commissaris van de Koning ontvangt het gemeentebestuur een brief waarbij worden toegezonden de stukken zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet van 28 augustus 1851 met betrekking tot de Staatsspoorweg van Bergen op Zoom naar Goes, voor zoveel de spoorlijn in deze gemeente zal zijn gelegen. Deze stukken worden ter visie gelegd. De tervisielegging geeft de grondeigenaar, de heer Jacob Kakebeeke, aanleiding ‘ten aanzien van de van de eventueel aan te leggen spoorweg door deze gemeente en betreffende het verlenen van uitwegen aan zodanige percelen als welke door dien weg zullen worden afgesneden van de uitwegen thans aan dezelve behorende’. Het gemeentebestuur oordeelt het verlangen van Kakebeeke billijk en is van mening dat dit behoort te worden ingewilligd. Besloten wordt het bezwaarschrift bij de verdere behandeling van de zaak in gunstige overweging te nemen. 

De burgemeester overlegt op 7 februari 1863 de bij hem ingekomen kennisgeving van Gedeputeerde Staten van de benoeming van de heren Jhr. P. Damas van Citters en mr. J.C.R. van der Bilt als commissie uit dat college tot het aanhoren van de bezwaren die mochten worden ingebracht tegen het plan voor de aanleg van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes voor wat deze gemeente betreft.
Er wordt tegelijk ook een Bekendmaking gepubliceerd over de ter inzagelegging van de plannen, kaarten, grondtekeningen en verdere stukken met betrekking tot de percelen in de gemeente, die tot onteigening voor de aanleg van de spoorweg zijn aangewezen. 
Op 14 maart 1863 vindt de zitting van de commissie tot onderzoek van de bezwaren tegen de aanleg van de spoorweg door deze gemeente plaats. De burgemeester krijgt een afschrift van het proces-verbaal en van het advies van de commissie. 

De Commissaris van de Koning stuurt op 2 mei 1863 een brief aan het gemeentebestuur met een afdruk van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1863. Deze brief geeft de eigendommen aan die ten behoeve van de aanleg van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes ten algemenen nutte in het publiek belang en ten name van de Staat behoren te worden onteigend. Hij verzoekt daarvan een bekendmaking te doen overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 28 augustus 1851.

Op 27 juni 1863 neemt het gemeentebestuur kennis van een circulaire van de Commissaris van de Koning van de 19e juni met verzoek om medewerking, in het kader van het volgende spoorwegtraject, bij de opneming en uitbakening van de spoorweg van Goes naar Vlissingen. Daaraan wordt voldaan.

In september 1863 volgt er een nieuwe aanschrijving van de Commissaris van de Koning. Hij verzoekt om de daarin opgegeven gemachtigden voor de aankoop van de eigendommen ten dienste van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes de behulpzame hand te bieden. Daaraan zal worden voldaan.

De ene circulaire over de aanleg van de spoorlijn volgt de andere op. Zo ook in januari 1864. Er komt dan een circulaire over toegestane vrijdom van briefport voor dienstzaken over de aankoop van percelen voor de staatsspoorwegen. 
Begin maart 1864 ontvangt de burgemeester een aanschrijving van Gedeputeerde Staten voor het andermaal ter visie leggen van de plannen en verdere stukken betreffende de spoorweg van Bergen op Zoom tot Goes omdat er meer grond moet worden onteigend dan vroeger is aangewezen. 

In februari 1864 komt er een brief van Gedeputeerde Staten met een uitnodiging om de beschouwingen van het gemeentebestuur mee te delen omtrent het verzoek van het Burgerlijk Armbestuur betreffende de afstand van grond vallende in de lijn van de spoorweg. Het gemeentebestuur geeft een beschouwing overeenkomstig het daartoe gedane voorstel van de burgemeester. Kort daarop komt de beschikking van Gedeputeerde Staten op het verzoek van het Burgerlijk Armbestuur over de afstand van grond vallende in de lijn van de staatsspoorweg en de verkoop van de op die grond staande bomen. 
Ook wordt goedkeuring van Gedeputeerde Staten ontvangen van het contract tot afstand van grond van het weeshuis aan de stad voor de spoorweg door deze gemeente.

Van andere orde is een brief van Gedeputeerde Staten van maart 1864. Daarbij wordt voor advies in handen van het gemeentebestuur gesteld een adres van de heer G. Alberts met verzoek om vergunning voor het gebruiken van een vervoerbaar stoomwerktuig bij de werkzaamheden aan de spoorweg van Bath naar Goes. Besloten wordt daarop goedgunstig te beslissen. Er komt binnen enkele weken een beschikking op het adres van Alberts over het gebruik van een vervoerbaar stoomtuig.

Begin maart 1864 doet de burgemeester een bekendmaking dat de commissie uit het college van Gedeputeerde Staten haar werkzaamheden heeft volbracht en dat op de secretarie ter inzage zal liggen het uitgewerkte plan met algemeen lengteprofiel en algemene situatiekaart van de spoorweg van Woensdrecht naar Goes en verdere stukken, die tot onteigening voor de aanleg van de spoorweg zijn aangewezen. Bij deze stukken bevindt zich een mooie tekening van de spoortrein met locomotief en personenwagens en goederenwagens. 

Begin april 1864 ontvangt de burgemeester een brief van Gedeputeerde Staten waarbij wordt ingezonden het proces-verbaal van de commissie die op de 24e maart te Goes zitting heeft gehouden over de onteigening voor de spoorweg. Dit wordt ter visie gelegd.  

In juni 1864 ontvangt de burgemeester een brief van de commissaris van de Koning met een afdruk van het Koninklijk Besluit van 20 mei 1864 waarbij nadere aanwijzing geschiedt van te onteigenen percelen voor de spoorweg. Hiervan wordt overeenkomstig bekendmaking gedaan. 

De werkzaamheden aan het nieuwe spoor geven ook reden tot overlast. De hoofdonderwijzer Brouwer van de bijzondere school in de Wijngaardstraat geeft in augustus 1864 te kennen ‘dat de wagens bestemd voor het vervoeren van het grind, benodigd voor de spoorweg, als ze leeg terugkomen om een nieuwe vracht te halen, de Wijngaardstraat passeren. Dikwijls volgen drie van die wagens onmiddellijk op elkaar en rijden in redelijke draf voort. Dit geraas veroorzaakt dat telkens het onderwijs in de school voor enige ogenblikken moet worden gestaakt. Hij geeft zijn wens te kennen dat het uw edelachtbaren behagen mocht te gelasten dat genoemde wagens de terugweg nemen langs de singel aan de oostzijde der stad. Een weg zeker wel wat langer, maar waarop men in de regel niet zoveel hinderpalen zal ontmoeten door het tegenkomen van andere wagens of zodanige maatregelen te beramen waardoor genoemde bezwaren mogen worden uit de weg geruimd’. 
In augustus 1864 komt er opnieuw een brief van het hoofd van de bijzondere school aan de Wijngaardstraat bij het gemeentebestuur binnen. Opnieuw zijn er klachten over het onverpoosd rijden van lege wagens, die grint hebben gelost voor de spoorweg voorbij zijn school, dit tot grote hinder voor het onderwijs. Hij verzoekt dat deze wagens zullen rijden buitenom de stad. Ook andere bewoners van de Wijngaardstraat doen hun beklag hierover. 
Wethouder Kakebeeke wordt uitgenodigd bij de aannemer van de spoorweg pogingen aan te wenden om dit bezwaar te doen ophouden.

In oktober 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gemachtigden tot de aankoop van gronden vallende binnen de staatsspoorweg door Zuid-Beveland. Kennis wordt gegeven van de wegen in de gemeente Goes waarvan de doorsnijding gevorderd wordt. Dit met verzoek om te mogen weten of er en zo ja, welke bepalingen omtrent die doorsnijding zouden dienen te worden gemaakt. Naar aanleiding van het bij die brief gedane aanbod zijn die heren uitgenodigd voor een bespreking met het gemeentebestuur op aanstaande maandag. 

Ook in oktober 1864 doet de voorzitter de gemeenteraad mededeling van een ingekomen missive van de commissie tot aankoop van gronden voor de spoorweg betreffende de doorsnijding van wegen in deze gemeente, zijnde de straatweg van Goes naar Kloetinge en de Poelweg, waarvan de eerste is rijksweg, zodat daarbij alleen de Poelweg in aanmerking komt.
Hij deelt mee dat het college een conferentie met de commissie gehouden heeft. Het is hen gebleken dat de overwegen met afsluitingen, op- en afritten van de overwegen tot aan de afsluiting in onderhoud zullen blijven bij de gemeenten die thans daarmee belast zijn. Dit onderhoud zal zich bepalen tot het in stand houden van de opritten met grind waarvoor de gemeente enige vergoeding zou kunnen vorderen.

Het college ontvangt in november 1864 een brief van de heer mr. J.L.H. Liebert in zijn functie van gemachtigde tot de aankoop van gronden voor de spoorweg. Hij verzoekt dat vanwege de gemeente Goes voor dat doel worden afgestaan 7 roeden en 73 ellen zijkant van weg en watergang voor een bedrag van ƒ 146, vrij van kosten. Besloten wordt de gemeenteraad hiervoor een voorstel te doen.

In januari 1865 is er een ingekomen brief van de Minister van Binnenlandse zaken, namens deze de secretaris-generaal van de Staatsspoorwegen, met de volgende inhoud:
Ik heb de eer u hierbij te doen toekomen een ordonnantie van betaling wegens schadeloosstelling voor ingenomen eigendommen, gelegen in de gemeente Goes en Kloetinge, ten behoeve van de spoorweg van Roosendaal naar Goes volgens de hierbij gaande lijst no. 4/48. Ik verzoek u dat stuk aan de belanghebbende te willen uitreiken en de bijgevoegde lijst, na door u ondertekend te zijn, zonder geleidende missive aan het departement terug te zenden’.

De Ingenieur van de Staatsspoorweg, de heer Simon te Bergen op Zoom, doet in februari 1865 het voorstel om, bij het vestigen van een station tot watervoeding in deze gemeente, daarvoor te mogen gebruik maken van het water uit de grachten of de vest rondom de stad voor de locomotieven. Dit water is daarvoor geschikt bevonden. Hij wil graag vernemen of over dat water zal kunnen worden beschikt en zo ja, of men dan ook de zekerheid zou kunnen verlangen dat niet te eniger tijd dat waterreservoir wordt opgeruimd of onbruikbaar gemaakt.
Hierover houdt het college een conferentie met de ingenieur. Daarbij komt ook ter sprake de verlichting van de weg van de singel tot het stationsgebouw. 
Bij het college zijn geen bezwaren tegen een vergunning om gebruik te maken van het water uit de vest ten dienste van de spoorweg ingekomen. De voorzitter stelt de gemeenteraad dan ook voor het verzoek in te willigen en de verzekering te geven dat de stadsvest zal blijven bestaan en het water niet onbruikbaar zal worden gemaakt. Het voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen, echter onder uitdrukkelijk voorbehoud dat het de gemeenteraad ten allen tijde vrij blijft aan de singels, de kanten van de vest of door de vest zodanige werken aan te leggen als in het belang van de gemeente wenselijk of noodzakelijk zullen voorkomen en onder verplichting aan de zijde van de administratie van de spoorweg om, zo nodig, voor haar rekening door het aanbrengen of verlengen van kokers of buizen het water uit de vest in de sloot of de watergang, lopend ten oosten van de stationsweg, te doen uitvloeien. 

Tegelijk deelt de voorzitter de gemeenteraad mee in de conferentie met de Ingenieur ook te hebben besproken over de verlichting van de weg tussen de singel en het stationsgebouw.  Overeengekomen is dat vanwege de directie over de spoorweg zal worden gerealiseerd de gasleiding, de candelabres en de lantaarns in en op de stationsweg. De gemeente zal voor haar rekening nemen de verlichting van deze weg en van de singels of toegangswegen. 

Warmoezenier Marinus de Dreu deelt het gemeentebestuur in december 1865 mee dat hij bij aankoop eigenaar is geworden van de houten directiekeet, staande nabij het stationsgebouw voor de spoorweg in de gemeente. Hij is voornemens deze af te laten breken en weer op te bouwen op zijn grond gelegen tussen de percelen E 136 en 137 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk.

Het gemeenteverslag over 1865 vermeldt dat ‘de onteigening van gronden voor de staats-spoorweg van het oostelijk gedeelte van dit eiland tot en met deze gemeente is afgelopen, de baan uitgebakend en in aanleg'

In de raadsvergadering van 20 april 1866 stelt de voorzitter voor dat de gemeenteraad het college machtigt tot aanstelling van een assistent binnenhavenmeester op een bezoldiging van ƒ 50 per jaar. Als reden daarvoor noemt hij dat door de vele aanvoeren ten behoeve van de staatsspoorweg de haven, strekkende van buiten de brug tot aan de grens van de Wilhelminapolder, bijkans onophoudelijk met drukke scheepvaart is bezet voor het lossen van materialen. Het is onmogelijk dat de brugwachter, die tevens binnenhavenmeester is, die surveillance uitoefent en tegelijkertijd voor het openen en sluiten van de brug zorgt. Het zou dan uitsluitend iemand moeten zijn om de ligging van de schepen in dat gedeelte van de haven te surveilleren om de vrije vaart van de stoomboten en andere schepen te verzekeren. De gemeenteraad gaat met dit voorstel akkoord.

Eind mei 1866 delen dertien bewoners of eigenaren van percelen gelegen in het gebied ‘Tussen de twee poorten’ mee dat door het dagelijks rijden van de zogenaamde spoorkarren, die gebruikt worden voor het weghalen van de aangevoerde grond aldaar, de hinder aan de straten zo toeneemt dat onderscheidene regenbakken gesprongen, ja zelfs enige muren gebarsten zijn. Ze hebben ondervonden en nagegaan dat dit bij het rijden van de zogenaamde boerenwagens het geval niet zo erg is. Redenen waarom ze verzoeken, na gedaan onderzoek, te willen verbieden of althans te wijzigen het rijden met zwaarbeladen karren. De ondertekenaren van de brief zijn o.a. de heren C. Wessels, J.P. den Boer, J. Brouwer, Jozias van de Velde, B. Janse, M. Harinck en J. van Blitterswijk en de dames Harinck, B. den Boer, C. de Munck, J.M. Dekker en J.C. John.

In augustus 1866 komt er bericht van de Commissaris van de Koning met toezending van een afdruk van het Koninklijk Besluit houdende aanwijzing van de eigendommen die ten behoeve van de aanleg van de staatsspoorweg van Goes langs Middelburg naar Vlissingen en van het kanaal van Vlissingen naar Middelburg met de daarbij behorende werken, dienen te worden onteigend. De tussenkomst van het gemeentebestuur wordt verzocht opdat het in de Goessche Courant wordt geplaatst (‘Het komt mij wenselijk voor dat die plaatsing zo spoedig mogelijk in een nummer van de courant geschiede’).

Aan het einde van de vergadering van de gemeenteraad van 4 september 1866 deelt de voorzitter nog mee een uitnodiging ontvangen te hebben van de aannemer van de spoorweg aan de leden van de raad en de secretaris om morgenochtend om tien uur deel te nemen aan de eerste rit van de locomotief op Zeeuwse bodem. Hij geeft deze uitnodiging door ter kennisname. 

Voorzitter burgemeester Blaaubeen merkt aan het einde van de vergadering van de gemeenteraad van 22 mei 1867 op ‘dat meer en meer het uitzicht ontstaat dat eerlang de dienst op de spoorweg zal worden aangevangen. Het college is op het denkbeeld gekomen om bij het invoeren van dit communicatiemiddel zo mogelijk algemene periodieke veemarkten te dezer plaatse in te voeren. Het spreekt vanzelf dat daarbij van onderscheidene zijden medewerking zal moeten worden verzocht, doch alvorens tot zodanige maatregelen een bepaald voorstel te doen wensen zij het gevoelen van de leden van de raad te kennen’.
Wethouder Fransen van de Putte wenst een enkel woord over het nut van deze zaak te spreken, daar hij door afwezigheid vermoedelijk de volgende vergaderingen niet zal kunnen bijwonen. Hij betoogt het volgende:
Naar hij verneemt vorderen de werkzaamheden aan de afdamming der Oosterschelde uitmuntend, zodat het uitzicht bestaat, dat de spoorweg op een vervroegd tijdstip kan worden geopend. Met die opening verkeert Goes naar de algemene mening op een gewichtig keerpunt, immers als landstad bestaat deze gemeente voornamelijk van de weekmarkten en rijst als van zelve de vraag of die, bij aansluiting aan grotere plaatsen, zullen bestendigd blijven, in bloei toenemen of verminderen. Voor dit laatste bestaat gevaar wanneer er geen werkzaamheid en energie bij het bestuur en de ingezetenen wordt betoond, als middelen om de markten van Goes te bestendigen en zo mogelijk uit te breiden.
Als een uitmuntend daartoe dienstig middel acht hij de instelling van algemene periodieke veemarkten. Goes als in het midden van Zeeland gelegen, biedt daartoe de meest geschikte gelegenheid aan. Die markten moeten niet beschouwd worden als tentoonstellingen van alleen uitmuntend vee, neen, oude en jonge paarden, hoornvee van alle soort, schapen, lammeren, varkens, alles moet aangeboden worden. De verbeterde communicaties stellen daartoe de producenten van dit eiland niet alleen, maar ook van de andere eilanden in staat. Verscheidenheid van aanvoer zal met de spoorweg kopers lokken en kunnen dergelijke markten goed tot een centrale markt maken, evenals dit thans reeds ten opzichte van de wolmarkt het geval is. Daardoor kunnen naar zijn oordeel de bestaande markten worden bestendigd en verlevendigd en alzo tot meerdere bloei der gemeente leiden’. 
De deliberaties over dit gewichtig onderwerp worden tot de volgende vergadering aangehouden. 
In de volgende vergadering van de gemeenteraad van 5 juni 1867 of 1868 ? brengen de heren Verhagen en De Laat de Kanter hulde aan het voornemen van het college. Zij zijn hiermee hoogst ingenomen. Met algemene stemmen wordt dit beleidsvoornemen aangenomen. 

In juni 1867 merkt raadslid De Laat de Kanter in de vergadering van de gemeenteraad op vernomen te hebben dat er uitzicht bestaat dat in juli volgend jaar de spoorweg in exploitatie zal komen. Hij vraagt in hoever de gemeentelijke bouwmeester voldaan heeft aan de hem gevraagde inlichtingen over de voorgenomen demping van een gedeelte van de vest tot uitbreiding van de stad. De voorzitter antwoordt dat die informatie nog niet ontvangen is, maar spoedig verwacht kan worden. 

De gemeentearchivaris van Middelburg, mr. J.H. de Stoppelaar, bericht in augustus 1867 aan zijn Goese ambtgenoot dr. R.A.S. Piccardt: 
Het zal u niet onbekend zijn dat alhier de vorige maand een feestviering heeft plaats gehad bij gelegenheid van de aanvang der werken voor de oude Zeeuwsch- Limburgse spoorweg. Daar ook uw gemeente min of meer betrokken is, had ik het voornemen aan uw gemeentebestuur een exemplaar van de daartoe strekkende feestwijzer aan te bieden. Helaas heb ik dit door de drukte als voorzitter der feestcommissie verzuimd. Deze wordt hierbij alsnog toegezonden’.

In de raadsvergadering van 15 april 1868 komt een voorstel van het college ter tafel voor de benoeming van een speciale commissie tot het voorbereiden van en voortdurend regelen van de in het leven te roepen veemarkten. Naar het oordeel van het college moet, wil die commissie doelmatig werken, deze zijn samengesteld uit een lid van het dagelijks bestuur, twee leden van de gemeenteraad en vier leden te kiezen uit de handel, landbouw en neringdoende stand, bijgestaan door een ambtenaar van de gemeentegriffie als secretaris.
Benoemd worden tot voorzitter J.A.A. Fransen van de Putte, namens de gemeenteraad de heren O. Verhagen en A. Nortier en als leden van de handelstand, landbouw en neringdoende stand de heren J.H.C. Kakebeeke, P. Fabry de Jonge, J.M. Kakebeeke en C.E. Massee en tot secretaris C. Risseeuw. 

De commissie stuurt op 10 juni 1868 een brief met een concept verordening naar het gemeentebestuur. Raadslid De Laat de Kanter is teleurgesteld, vooral wat betreft artikel 1 over de aanvoer van vee. Hij meent dat het de bedoeling was op iedere marktdag gelegenheid te geven tot aanvoer van vee en daardoor aan de marktdagen enige uitbreiding te geven.
Wethouder Fransen van de Putte merkt op aanvankelijk hetzelfde denkbeeld te hebben, maar bij het bespreken van de realisering van de veemarkten in de commissie voerden de praktische leden aan dat hij zich in die mening had vergist. Dit gaf aanleiding tot de nu voorliggende redactie om de marktdagen van voldoende belang te doen zijn om vreemde kopers op deze dagen te lokken.
De heer Verhagen merkt op dat het hoofddoel van de commissie is om door het aangeven van bepaalde marktdagen kopers te lokken en alzo de eerste stoot tot realisering te geven. Minder gunstige gevolgen zijn daarvan te verwachten bij het houden van wekelijkse markten. De bepaling van premies voor ieder stuk vee is om alle veehouders aan te moedigen hun vee ter markt te brengen, hetzij veel hetzij weinig.
Niettemin, de heer De Laat de Kanter is niet overtuigd van de noodzaak van de beperking van de marktdagen, vooral wat betreft de aanvoer van paarden. Slechts tweemaal in het jaar is in zijn oog te gering voor het houden van paardenmarkten. Wethouder Fransen van de Putte antwoordt daarop dat voor de paardenmarkten zijn aangewezen de tijdstippen waarop het werk begint en wanneer de paarden gestald worden. 

De voorzitter deelt de gemeenteraad op 10 juni 1868 mee dat hem ter ore is gekomen dat de spoorweg, lopende langs deze gemeente, eerlang zal worden geopend. Hij is van gevoelen dat die opening met enige plechtigheid zal dienen plaats te hebben en meent dat er op de provinciale begroting een post voorkomt tot het bestrijden van dergelijke kosten. Hij stelt voor bij Gedeputeerde Staten een aanvraag te doen om uit die post een bijdrage voor dat doel beschikbaar te stellen. Waarop raadslid O. Verhagen opmerkt dat hij bij zijn verblijf in Den Haag vernomen heeft dat de opening van de spoorlijn op 1 juli zal plaats hebben. Er wordt uitgegaan van een bedrag van ƒ 2.000.
Gedeputeerde Staten berichten op 19 juni 1868: 
In antwoord op uw schrijven van de 13e dezer hebben wij de eer u te melden dat wij bereid zijn voor de feestviering bij gelegenheid van de opening van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes uit de provinciale fondsen een krediet te verlenen tot een maximum van ƒ 2.000. Het zou ons echter aangenaam zijn dat te dezer zake door uw vergadering te rade wierd gegaan met een commissie uit ons midden waartoe wij de heren mr. Van der Bilt en Buteux hebben uitgenodigd’. 
Bij de archiefstukken bevindt zich de ‘Feestuitgave van de Middelburgsche Courant van 1 juli 1868 met daarboven de kop: EERSTE ZEEUWSCHE SPOORWEGLIJN, met een tekening van de spoortrein eronder. 

In de vergadering van de gemeenteraad van 20 juli 1868 zegt voorzitter Blaaubeen met het grootste genoegen aan de gemeenteraad te kunnen meedelen dat de feestviering op de 1e juli, bij de opening van de spoorweg Bergen op Zoom-Goes, in alle opzichten naar wens is verlopen en daarvoor door het dagelijks bestuur openlijke en individuele dankbetuigingen zijn gedaan.