Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1861 - 1868)

Verdeling naar kerkelijke gezindte

De jaarlijkse ‘Verslagen van den toestand der gemeente Goes’ geven tot en met het jaar 1865 een verdeling van de inwoners naar godsdienstige gezindte. Ter illustratie volgt hieronder van een drietal jaren deze specificatie:

  1862 1864 1865
Hervormden 4.251  4.305  4.345
Evangelisch Luthersen 27 34  35 
Doopsgezonden 6
Chr. Afgescheidenen 341 341  334 
Rooms-katholieken 1.171 1.231  1.256 
Nederduitse Israëlieten 46 37  47 
Geen 13 16 
  5.855 5.969  6.031 

Hervormde gemeente

De Hervormde gemeente telt deze jaren circa 4.500 zielen.
Ze wordt gediend door drie predikanten, te weten ds. J. Drost, ds. R.S. Piccardt en ds. E. Moll.

Ds. Johannis Drost wordt in 1861 beroepen als predikant.
De Commissaris van de Koning deelt het gemeentebestuur mee dat hij is erkend als gerechtigd tot het genot van het landstraktement en andere voordelen van ‘s landswege, te rekenen van de dag van zijn bevestiging.
Op 17 januari 1864 ontstaat er brand in de pastorie van ds. Drost. Deze brandt geheel af.
In januari 1865 deelt ds. Drost mee dat hij voornemens is om in het tuinhuis E 58 in de Voorstad door de muur een gat te doen breken om daardoorheen buizen te leggen om een kachel te stoken. Hij krijgt hiervoor toestemming.

De diaconie van de Hervormde gemeente geeft in november 1863 kennis dat de kerkenraad besloten heeft op dinsdag 17 november in de namiddag een extra uitdeling van brood en spek te doen aan de armen van hun gezindte.

Christelijke afgescheiden gemeente

In maart 1861 krijgt W. de Jonge vergunning om de gevel van het kerkgebouw van de gemeente in wijk A nummer 169 aan de Wijngaardstraat te veranderen zoals aangegeven op de overgelegde fraaie tekening. Het kerkgebouw is vroeger tot pakhuis gebezigd, maar nu is het tot woonhuis ingericht.

De kerkenraad van de Christelijke afgescheiden gemeente verzoekt in september 1861 of de welpomp, thans staande voor hun kerkgebouw in de Wijngaardstraat, verplaatst of weggenomen mag worden omdat die pomp thans op de erve van de gemeente staat.
Het gemeentebestuur besluit om, zonder te erkennen dat de pomp geplaatst zou zijn op de erve van de afgescheiden gemeente, de pomp op die plaats weg te nemen. Als reden wordt opgegeven dat daar ter plaatse vroeger een pomp van de gemeente tegen de muur van het gebouw heeft gestaan. Maar ook omdat het water in de pomp door zijn onaangename reuk genoegzaam onbruikbaar is. Dit gebeurt onder voorbehoud evenwel om bij groot ongerief voor die buurt aldaar of in de nabijheid weer een pomp te plaatsen.

In augustus 1862 krijgt J. de Jonge Jzn., als beheerder van het gebouw dat in gebruik is voor godsdienstoefeningen in wijk D nummer 201, vergunning om daaraan voor eigen rekening een lantaarn te plaatsen en om, mede voor zijn rekening, een lantaarn te plaatsen op een schutsmuur van zijn woonhuis in wijk C nummer 218.

Het gemeentebestuur beraadt zich op 28 juni 1865 over een adres van de armenverzorgers van de Christelijke afgescheiden gemeente met het verzoek tot het bekomen van vergunning om voor hun armen gebruik te maken van de gemeenteapotheek en van de dienst van de gemeente heelmeester J. Kooman en de gemeente vroedvrouw mejuffrouw Baljé. Dit evenwel niet voor de geneesheer van de gemeente omdat de geneeskundige behandeling van hun zieken opgedragen is aan dokter N.J.F. Verschoor.
De commissie van toezicht op de gemeenteapotheek adviseert het verzoek af te wijzen.
Kennelijk voelt het college er wel voor het adres toe te staan.
De raadsleden De Laat de Kanter, Fransen van de Putte en De Knokke van der Meulen betogen het niet met het voorstel van het college eens te zijn. Het voorstel van het college wordt verworpen met vier tegen drie stemmen. Voor het voorstel stemmen wethouder Van Kerkwijk, wethouder Kakebeeke en de voorzitter.

In maart 1866 krijgt de hoedenfabrikant Johannes Pieter Magielse, in zijn hoedanigheid van kerkmeester van de gemeente van de weleerwaarde heer ds. H.J. Budding, leraar binnen deze afgescheiden gemeente, vergunning om volgens de overgelegde schetstekening een woonhuis te bouwen op de grond in wijk D nummer 177 aan de Westwal vanaf ‘de Zevenkoten’ naar de oliemolen ‘de Hoop’.

Er bevindt zich bij de archiefstukken ook een brief van de broodbakker en kerkenraadslid van de gemeente Benjamin Marinus den Boer, dat hij door aankoop eigenaar is geworden van het woonhuis in wijk B nummer 218 op de hoek van de Molendijk. Hij heeft het voornemen om op het erf daar achter alsnog te bouwen een woonhuis volgens de overgelegde tekening. De afgescheiden gemeente ziet zich in staat gesteld om, volgens een bijgaande schetstekening, een huis te doen bouwen tot verpleging van aan hun zorg toevertrouwde weduwen en wezen. Dit wil men tot stand brengen op de grond naast het huis in wijk D nummer 177 op de Westwal vanaf ‘de Zevenkoten’ naar de oliemolen ‘de Hoop’. Van deze grond is de gemeente door aankoop eigenaar geworden.

In maart 1867 komt er een verzoek binnen bij het gemeentebestuur van P. den Herder en A. Willeboer om acht vierkante ellen gemeentegrond, gelegen in de (voormalige en nog steeds zo genoemde) ‘oude achterhaven’, mede op erfpacht te verkrijgen. Ze willen dit perceel, bekend onder B nummer 218, gebruiken ‘om het gebouw tot openbare godsdienstoefening bestemd, staande op de Molendijk, te vergroten’. Maar in de raadsvergadering van 12 april 1867 komt een brief van de heren Den Herder en Willeboer om hun verzoek van 11 maart als niet gedaan te beschouwen. Door ‘voorgekomen omstandigheden’ zien ze zich andermaal genoodzaakt zich tot het gemeentebestuur te wenden. Ze zijn nu voornemens het gebouw te verbreden. Daarvoor hebben ze nodig acht vierkante ellen grond gelegen in de ‘oude achterhaven’ overeenkomstig de overgelegde tekening.

Begin mei 1867 komt er een geheel ander verzoek. De ondergetekenden P. den Herder, B.M. den Boer, L. Ortelee en M. Sterk ‘geven met eerbied en onderdanigheid kennis dat het gebouw, staande in de Keizerstraat A nummer 21, vroeger genaamd ‘de Zwaan’, door enigen onzer is aangekocht om te worden ingericht tot het houden van openbare godsdienstoefeningen’. Ze wensen, ‘gedachtig aan de les des Apostels Paulus, voor Koning en overheid en allen die in hoogheid gesteld zijn, te bidden, opdat wij onder onze wettige regering een stil en gerust leven mogen leiden’. ‘Op uw achtbare welwillendheid rekenende, tekenen zij’.

De metselaar Johannes Plazier geeft in augustus 1867 te kennen voornemens te zijn om in het gebouw op de Molendijk, vroeger bestemd tot het houden van openbare godsdienstoefeningen, en aldaar bekend onder nummer B 218, een schoorsteen te bouwen.

In oktober 1867 krijgt P.F. de Jonge namens de kerkenraad van de Christelijke Afgescheiden gemeente vergunning om de bouwvallige houten poort naast het kerkgebouw te verwisselen door een stenen muur met deur.

Rooms-katholieke gemeente

De rooms-katholieke gemeente bestaat deze jaren uit circa 1250 zielen en wordt al sinds 1836 gediend door pastoor Petrus Thielings. Kapellaan bij de gemeente is de heer P. van Hugten. Hij vertrekt in april 1862 naar Schipluiden en wordt opgevolgd door de heer J. Karsten en deze wordt dit jaar weer vervangen door de heer J.H. Muller uit ‘s-Heerenhoek. In 1864 is de heer J. Koekhoven kapellaan.

Op 31 augustus 1861 deelt de Commissaris van de Koning de gemeenteraad mee dat het Zijne Majesteit de Koning behaagd heeft de heer pastoor P. Thielings te benoemen tot Ridder in de Orde van de Eikenkroon.
Op 7 september 1861 ontvangt de gemeenteraad een brief van het kerkbestuur van de parochie Sint Maria Magdalena met het bericht dat op woensdag de 11e september 1861 door de weleerwaarde heer pastoor Thielings zijn 25-jarig jubileum als pastoor in deze gemeente zal worden gevierd. De door zijn eerwaarde alsdan te celebreren Mis zal ‘s morgens om half tien aanvangen. De gemeenteraad wordt uitgenodigd om daarbij tegenwoordig te zijn. De gemeenteraad neemt de uitnodiging met genoegen aan. Op verzoek van het kerkbestuur krijgt de politie opdracht om de goede orde voor het kerkgebouw bij die gelegenheid te handhaven.
Het gemeentebestuur schrijft het kerkbestuur nadien:
Het was ons aangenaam bij u te worden uitgenodigd om tegenwoordig te zijn bij de op de 11e dezer in uwe kerk te celebreren Mis door de weleerwaarde heer pastoor uwer gemeente en alzo te kunnen deelnemen aan het Jubileum, door de waardige en algemeen geachte geestelijke alsdan te vieren. Buiten gewichtige verhindering zullen wij op het bepaalde uur tegenwoordig zijn om met genoegen gebruik te maken van de plaats ons van uwentwege in de kerk aan te wijzen’.

In november 1864 stellen Gedeputeerde Staten voor bericht en raad in handen van het gemeentebestuur een adres van het rooms-katholiek parochiaal armbestuur, strekkende tot het bekomen van de koninklijke machtiging om te aanvaarden een legaat van ƒ 4.000,00 aan dat armbestuur vermaakt door wijlen de zeer eerwaarde heer Petrus Thielings. Besloten wordt op dat verzoek gunstig te berichten. Hieraan is een bepaling verbonden tot een jaarlijkse uitkering van ƒ 150 aan de dienstmaagd van de pastoor.
Gedeputeerde Staten geven in januari 1865 machtiging aan het armbestuur van de rooms-katholieke parochie van de Heilige Maria Magdalena tot het aanvaarden van het legaat aan dat armbestuur, vermaakt door nu wijlen Petrus Thielings, ten bedrage van ƒ 4.000,00.

Op 18 juli 1864 overlijdt de weleerwaarde heer pastoor P. Thielings. Gedurende het gehele jaar 1863 kon hij vanwege zwakke gezondheid geen dienst doen. Hij wordt vervangen door de heer J.A. Eversteijn, vroeger pastoor te Katwijk. Deze vestigt zich in augustus 1864 in de gemeente.

De gevel van het kerkgebouw van de rooms-katholieke kerk wordt in mei 1866 beport door metselaar Cornelis Hootsmans. Tevens deelt het kerkbestuur het gemeentebestuur mee dat het tussen het kerkgebouw en de pastorie zou willen plaatsen een lokaal voor het bedelen van zijn gealimenteerden met een deur naar de straat.

Israëlitische gemeente

Ook deze jaren is er nog steeds een Israëlitische gemeente in Goes.
Op 15 augustus 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van het kerkbestuur van de Israëlitische gemeente met de kennisgeving van het voornemen om op vrijdag de 28e in haar kerk een plechtig feest te vieren ter gelegenheid van de inwijding van een nieuwe wetsrol. Het gemeentebestuur wordt uitgenodigd om die plechtigheid bij te wonen. Besloten wordt die uitnodiging te accepteren en de heren kerkmeesters daarvan te verwittigen.
De brief, ondertekend door de kerkmeesters M. Emanuel en E. Bannet, vermeldt dat het de bedoeling is ‘in hun kerk een plechtig feest te vieren ter gelegenheid van de inwijding van een nieuwe Wetsrol, met alle formaliteiten hieraan verbonden’.

Het gemeentebestuur keurt in mei 1867 het ingediende Reglement van het Israëlitische armbestuur goed. Daarop verzoekt het armbestuur voor zijn armen gratis gebruik te mogen maken van de diensten van de geneesheer en heelmeester van de gemeente en, op de gewone voorwaarden, van de gemeente-apotheek. Dit wordt zonder hoofdelijke stemming ingewilligd.

Nog een ander bericht van de Israëlitische gemeente dateert van 27 november 1868. Het armbestuur geeft daarbij kennis voornemens te zijn hun gewone collecte aan de huizen van de ingezetenen plaats te laten vinden op 4 december.

Vrijmetselaren

Het gemeentebestuur ontvangt in september 1865 een brief met bijgevoegde statuten van de Vereniging van Vrijmetselaren, genaamd ‘De opgaande Ster te Goes’. Besloten wordt daarop te antwoorden dat die vereniging is geïnstitueerd op 15 september 1860 onder de benaming van ‘De opgaande Ster’ omdat vroeger alhier een loge onder die benaming heeft bestaan doch deze is sedert vele jaren ontbonden en opgeheven.