Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1861 - 1868)

Plaatselijke schoolcommissie

De plaatselijke schoolcommissie bestaat in 1861 uit vijf leden, te weten J.A.A. Fransen van de Putte (voorzitter), H.K. Dominicus van den Bussche (secretaris), mr. J.H. de Laat de Kanter en Jhr. mr. L.F. van Panhuis (lid). Vanaf 1864 bestaat de commissie uit de heren J.A.A. Fransen van de Putte (voorzitter) J. Kooman (lid), mr. J.G. de Witt Hamer (lid), M. Leopold en H.K. Dominicus van den Bussche (secretaris).

In haar jaarverslag over 1862 geeft de plaatselijke schoolcommissie haar afkeuring te kennen over het schoolgebouw van de heer Swart. Ze schrijft onder meer het volgende:
In de onmiddellijke nabijheid van het klokkenspel en een afspanning gelegen, waardoor aan de geregelde loop van het onderwijs grote hinder wordt toegebracht, zou de commissie haar verplaatsing naar een ander gedeelte van de stad zeer wenselijk achten, indien tegen die verplaatsing wederom geen andere bezwaren bestonden, die hare uitvoering zeer zouden belemmeren
Als gebreken aan dit schoolgebouw noemt de commissie onder meer: de te lage zoldering, ondoelmatige verwarming, het ontbreken van luchtverversing, ondoelmatige inrichting, ontbreken van een speelplaats, geen afscheiding tussen de klassen en geen doelmatige schoolbanken. De commissie doet enkele voorstellen aan de gemeenteraad voor verbeteringen.

Ook uit de commissie in haar jaarverslag over 1862 haar bedenkingen tegen het schoolgebouw van de armen- en wezenschool van de heer Cromjongh. Dit gebouw mist nagenoeg alle eigenschappen van een doelmatig en naar de eisen van de gezondheidsleer ingericht schoolvertrek. Gewezen wordt op het ontbreken van voldoende licht en lucht; het lokaal is vochtig; de lucht is bedorven en het secreet is zeer onhygiënisch.
Ook het schoollokaal van de Franse meisjesschool van mejuffrouw E. van Braambeek is naar het oordeel van de commissie niet vrij van gebreken.

Per 1 januari 1864 wordt benoemd tot Schoolopziener in het vierde district in Zeeland mr. J.H. de Laat de Kanter, lid van de gemeenteraad.

In oktober 1863 vraagt de heer Pilaar of het college het gevoelen van de indieners van het nader voorstel over het onderwijs, de heren De Laat de Kanter en Fransen van de Putte, deelt dat de schoolgebouwen van de gemeente in zo’n erbarmelijke toestand verkeren, dat daarvoor zulk een aanzienlijk offer van de gemeente geëist wordt.
De voorzitter zegt dat hij namens het college de vraag niet kan beantwoorden, maar zijn persoonlijke zienswijze gaarne wil meedelen. Hij verklaart de bezwarende zienswijze van de schoolcommissie niet te delen. Het is niet de vraag of de schoolgebouwen beantwoorden aan een wellicht aangenomen type of modelscholen in grotere steden wier middelen onbekrompen zijn, maar men moet zich hier beperken tot de beantwoording van deze vragen: zijn de schoolgebouwen nadelig voor de gezondheid van de kinderen of ongeschikt of nadelig voor het onderwijs zelf? En die vragen meent hij ontkennend te moeten beantwoorden.
De heer Fransen van de Putte, voorzitter van de plaatselijke schoolcommissie, bestrijdt de mening van de voorzitter dat de schoolgebouwen niet nadelig zouden zijn voor de gezondheid en het onderwijs. De school van de 1e klasse bijvoorbeeld is te laag en heeft geen afscheiding voor de klassen. De wezen- en armenschool is ook te laag, het licht verkeerd aangebracht, voorzien van een privaat in de school zelf, waardoor de lucht bedorven wordt en andere gebreken meer. Al hetgeen noodwendig nadelig moet terugwerken op de gezondheid van de kinderen en het onderwijs.
De heer De Laat de Kanter kan geheel instemmen met de zienswijze van de schoolcommissie. Hij somt nog een aantal gebreken op naast het door de heer Fransen van de Putte genoemde.
De meerderheid van de gemeenteraad steunt de opstelling van de leden De Laat de Kanter en Fransen van de Putte vooralsnog niet.

Toestand onderwijs

Het jaarverslag over 1862 geeft de volgende slotbeschouwing:
De slotsom is en blijft dan ook, dat de toestand van het onderwijs in deze gemeente noch tot uitbundig lof, noch tot bepaalde afkeuring aanleiding geeft. Vest men het oog op het onderwijzend personeel, zijn bekwaamheid, geschiktheid en ijver, dan voorzeker mag de gemeente zich in ruime gelegenheid, om de jeugd deugdelijk onderwijs te doen geniet, verheugen; let men daarentegen op de belangstelling in- en de vruchten van het onderwijs, op de enge grenzen, waardoor het om financiële redenen beperk is, dan blijft er nog veel te wensen en te verbeteren over, en zou waarschijnlijk menige gemeente in ons vaderland van gelijke rang, met voldoening de vergelijking met de onze doorstaan’.

Gewoon lager onderwijs

In de gemeente zijn zes scholen voor het lager onderwijs, te weten:

  • de openbare school van de eerste klasse met als hoofdonderwijzer de heer W. Swart en als hulponderwijzer de heer D.A.A. de Neijn van Hoogwerff tot in 1862 en de heer J.D. van den Berge vanaf 1862; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 90/135//180 jongens en meisjes; in 1866 wordt een speelplaats aan de school toegevoegd;
  • de openbare school van de tweede klasse met als hoofdonderwijzer de heer P. van Hiele en als huponderwijzer de heer W. Nagelkerke tot in 1862 en J.D. van Noppen vanaf 1862; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 142/ 160 jongens en meisjes; het schoolgebouw maakt een gunstige uitzondering op de meeste schoolgebouwen; het bezit in vele opzichten de eisen van een doelmatig en wel ingericht schoollokaal. In 1867 overlijdt de hoofdonderwijzer P. van Hiele; in zijn plaats wordt benoemd de heer C.J. Witte.
  • de bijzondere lagere school, als eerste opgericht ten koste van particulieren, met als hoofdonderwijzer de heer L. Brouwer; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 180/130/152/193 jongens en meisjes;
  • de bijzondere lagere school ‘Nathaniël’, als tweede opgericht ten koste van particulieren, met als hoofdonderwijzer de heer H. Bloemendal; deze vertrekt in 1867 naar elders en wordt opgevolgd door de heer L.M. van der Heijden. Het jaarverslag over 1867 vermeldt: ‘Op de in 1866 weder geopende bijzondere school Nathaniël werd ongeregeld onderwijs gegeven, de toestand dier school laat na het vertrek van den onderwijzer Bloemendal veel te wenschen over’. Het aantal leerlingen is gemiddeld 170/185 leerlingen; de school was het gehele jaar 1865 gesloten.
  • de Franse jongensschool met als hoofdonderwijzer de heer J.H. van den Bree en als hulponderwijzer de heer C. Hofman tot in 1862 en daarna de heer M.H. Kottmann vanaf 1862; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 20/25/23 jongens;
  • de Franse meisjesschool met als hoofdonderwijzeres mevrouw Erkina van Braambeek en als hulponderwijzeres F.C.J. Keizer tot in 1862 en daarna D.L. van der Velden vanaf 1862; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 29/55/45 meisjes; het schoolgebouw blijkt te klein te zijn, waarom het in 1866 is verlengd en vergroot;
  • de armen- en wezenschool met als hoofdonderwijzer de heer J.K.A. Cromjongh en als hulponderwijzer de heer B.J. Elsman; het aantal leerlingen bedraagt gemiddeld 112/103/160 jongens en meisjes;
  • de bewaarschool met als hoofdonderwijzeres mevrouw C.W.M. Söhr tot in 1864 en vanaf 1864 mevrouw L.J. Hardenberg; het aantal leerlingen is gemiddeld 47.

Hoofdonderwijzers zijn de heren W. Swart (van de openbare school van de 1e klasse) en P. van Hiele (van de openbare school van de 2e klasse). De eerstgenoemde telt doorgaans 125 leerlingen; de tweede 128 leerlingen.

In mei 1861 deelt de voorzitter de gemeenteraad mee dat er vooralsnog geen enkele sollicitant zich heeft opgedaan voor de hulponderwijzersplaats op de openbare school van de 1e klasse. De districtsopziener is van oordeel dat er bij het heersende gebrek aan bekwaam en geschikt personeel geen vooruitzicht bestaat iemand voor die betrekking te krijgen dan onder het aanbod van een jaarwedde van ƒ 500. Overwogen wordt dat de jaarwedde voor hulponderwijzers op de drie scholen voor gewoon lager onderwijs is bepaald op ƒ 300. Het college stelt voor in dit bijzonder geval een uitzondering te maken en de jaarwedde te bepalen op ƒ 500. Met algemeen stemmen wordt hiertoe besloten.

Op de openbare school van de 1e klasse wordt in mei 1861 benoemd tot hulponderwijzer de heer Dankert Antonius Adrianus De Neijn van Hoogwerff op de nieuw bepaalde jaarwedde van ƒ 500 per jaar. Hij neemt al spoedig ontslag in verband met zijn dienstplicht bij de nationale militie.
De hulponderwijzer F.C.J. Keizer neemt in 1861 ontslag. In de vacature wordt benoemd de heer C. Hofman. Ook de heer W. Nagelkerke krijgt een aanstelling tot hulponderwijzer aan de openbare school van de 2e klasse.
In januari 1862 geeft de hulponderwijzer, de heer C. Hofman, kennis van zijn benoeming tot hoofdonderwijzer voor uitgebreid lager onderwijs voor jongens te Tholen en verzoekt ontslag. En ook de hulponderwijzer W. Nagelkerke vertrekt in januari 1862. Hij geeft kennis van zijn benoeming tot hulponderwijzer te Zwijndrecht.

Het blijkt in deze tijd moeilijk te zijn om hulponderwijzers te krijgen. Jan Dirk van den Berge uit Hoek is in februari 1862 de enige sollicitant naar de betrekking van hulponderwijzer aan de openbare lagere school van de 1e klasse van de heer Swart. Hij wordt benoemd.
Maar voor de hulponderwijzersbetrekking aan de school van de 2e klasse van de heer Van Hiele noch voor de Franse school voor jongens heeft zich geen enkele sollicitant gemeld. De gerezen vrees dat voor de vroegere jaarwedden er zich niemand opdoen zal geeft het college aanleiding de gemeenteraad voor te stellen om beide jaarwedden met f 200 te verhogen. Vanwege het gebrek aan geschikt personeel besluit de gemeenteraad de jaarwedden van de hulponderwijzers aan de openbare scholen blijvend te bepalen op ƒ 500 per jaar.

Per 1 juli 1862 kan daarop tot hulponderwijzer aan de openbare gemeenteschool van de 2e klasse worden benoemd de heer Jacobus Daniël van Noppen, hulponderwijzer te Dreischor, in de vacature, ontstaan door het vertrek van D.A.A. de Neijn van Hoogwerff.
De hulponderwijzer Mattheus Henricus Kottmann kan per 1 september 1862 worden benoemd als hulponderwijzer aan de Franse school voor jongens wegens het ontslag van C. Hofman.

In januari 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van A.C. Koopman en anderen, allen inwoners van huizen aan de Korte Kerkstraat en omtrek. Ze verzoeken dat tot gerief van hen en andere buren in het gemis van welwater mag worden voorzien. Hieraan is gebrek ontstaan door het dempen van de wel aan het schoolgebouw van de heer Swart door een pomp op die wel te plaatsen tegen het pand ‘Het Slot Oostende’ van J.F. Koens. Het gemeentebestuur overweegt dat de betreffende wel oorspronkelijk daar is aangebracht tot het bijzonder gebruik van de bewoners van het pand dat thans tot schoolgebouw is ingericht, en het algemeen gebruik alleen is toegelaten omdat er voor de school geen uitsluitende behoefte aan het water bestond. Verder wordt overwogen dat de gemeente niet kan voorzien in het ongerief veroorzaakt door het dempen van welputten die niet voor algemeen gebruik zijn aangebracht. Besloten wordt de adressanten te kennen te geven dat er geen termen bestaan om aan hun verzoek te voldoen en dat het huis wordt vrijgelaten om op de voorgestelde wijze een pomp op die wel te plaatsen en te onderhouden zonder kosten voor de gemeente.

De hulponderwijzeres Wilhelmina Johanna Papendieck van de openbare school van de 1e klasse krijgt in oktober 1864 vergunning om aan een aan die school toegevoegde vierde klasse voor kinderen van 5 tot 6 jaren oud onderwijs te geven.
Ook wordt in 1864 Jacobus Ball toegelaten als huisonderwijzer in de vakken van het lager onderwijs binnen de gemeente.

Op 12 februari 1867 overlijdt de heer P. van Hiele, hoofdonderwijzer van de openbare school van de 2e klasse in de gemeente.
De weduwe M.P. van Hiele-van der Valk geeft kennis dat haar geliefde echtgenoot op de 12e dezer in de leeftijd van ruim 58 jaar is overleden. Ze schrijft: ‘U dankzeggend voor het vertrouwen dat Ge in hem als hoofdonderwijzer aan een der openbare scholen steldet’. Het gemeentebestuur schrijft haar een bericht van condoleance.
In juni heeft er een vergelijkend examen plaats voor benoeming van een nieuwe hoofdonderwijzer. Dit examen is door burgemeester Blaaubeen en wethouder Kakebeeke ‘met veel genoegen bijgewoond’. De aanbeveling van het college, opgesteld in overleg met de district schoolopziener, bestaat uit de heren C.J. Witte te Kloetinge, G. van der Kaaden te Wijk bij Duurstede en W. van Kamer te Middelburg. De heer C.J. Witte wordt met algemene stemmen benoemd tot hoofdonderwijzer van de school van de 2e klasse.

In maart 1867 merkt raadslid De Laat de Kanter bij de rondvraag in de gemeenteraad op dat het zijn overtuiging is dat het aantal leerlingen op de openbare school van de 1e klasse het absoluut noodzakelijk maakt om een tweede hulponderwijzer op die school aan te stellen.

In oktober 1867 rapporteert de plaatselijke schoolcommissie aan het gemeentebestuur dat de schoolopziener hen ter kennis heeft gebracht dat de onlangs benoemde hoofdonderwijzer C.J. Witte zich bij hem beklaagd heeft over het slecht bezoeken van de avondschool. Hiervan wordt slechts door 5 à 6 leerlingen gebruik gemaakt. Een bezoek, dat hij op die school heeft gebracht, heeft hem de overtuiging gegeven dat het onderwijs op die school in een ongunstige toestand verkeert. Vooral voor de leerlingen van de 1e klasse en die van de 1e afdeling van de 2e klasse is het bezoeken van de avondschool dringend noodzakelijk. De commissie pleit ervoor ‘naar middelen te zoeken om de leerlingen tot het bezoeken van de avondschool te nopen en meent dat een schrijven van het gemeentebestuur aan de ouders dier kinderen aan het gewenste doel zeer bevorderlijk zou zijn’.

De gemeentelijke bouwmeester overlegt in juni 1868 het gemeentebestuur opgemaakte plannen met een kostenberekening voor de verbetering van het gebouw van de openbare school van de 1e klasse en voor de gehele vernieuwing van dit schoolgebouw.
In de raadsvergadering van 30 juli 1868 wordt uitvoerig gesproken over de onvolkomenheid van dit schoolgebouw. Gekozen kan worden uit òf vergroting van het schoolgebouw òf stichting van een geheel nieuw gebouw.
Na uitvoerige bespreking brengt de voorzitter uiteindelijk in stemming om deze aangelegenheid aan te houden en het college uit te nodigen naar een ander geschikt terrein om te zien. Als dit gevonden is dan kan een nieuw plan opgemaakt en aan de gemeenteraad voorgelegd worden. Dit voorstel wordt met 6 tegen 2 stemmen aangenomen. Tegen stemmen de heren Van Voorst Vader en Saaymans Vader.

Eind december 1868 overlegt de voorzitter twee voorstellen voor een andere huisvesting van de school van de 1e klasse. Het ene behelst om de bestaande school af te breken en op dezelfde plaats te herbouwen. De kosten daarvan zijn ƒ 9.400. Het andere plan omvat het stichten van een geheel nieuw schoolgebouw op een daartoe aan te wijzen plaats. De kosten daarvan zijn ƒ 22.800. Het blijkt voor de gemeenteraad een moeilijke afweging.
Besloten wordt het voorstel van de heer De Laat de Kanter over te nemen om voor dit vraagstuk een commissie samen te stellen uit leden van de plaatselijke schoolcommissie, de schoolopziener en het dagelijks bestuur.

Wezen- en armenschool

De wezen- en armenschool is gevestigd in het schoolgebouw aan de Zusterstraat.
De school telt deze jaren circa 105 leerlingen. Hoofdonderwijzer is de heer J.K.A. Cromjongh.

De plaatselijke schoolcommissie legt in januari 1863 een brief met bijlagen over aan de gemeenteraad. Ze deelt hierin de hoofdgebreken mee die volgens haar aan het schoolgebouw van de wezen- en armenschool kleven en de wijze waarop daarin enigermate zou kunnen worden voorzien. Overwogen wordt dat deze schoolaccommodatie behoort tot de gebouwen van het weeshuis, vallend onder het bestuur van het Burgerlijk Armbestuur. Besloten wordt de brief met bijlagen in handen te stellen van het armbestuur met het verzoek om te vernemen of en zo ja, in hoever en op welke wijze aan de bezwaren van de schoolcommissie kan worden tegemoetgekomen.

De plaatselijke schoolcommissie geeft het gemeentebestuur in mei 1863 haar bezorgdheid te kennen over het onderwijs aan de armen- en wezen school. Ze maakt opmerkingen over de ondoelmatige inrichting van de school. Besloten wordt om de commissie een omschrijving te vragen van de hoofdgebreken van de schoollokaliteit, teneinde op basis daarvan met het bestuur van het weeshuis in overleg te treden om daarin zoveel mogelijk te voorzien.

In augustus 1863 brengt de plaatselijke schoolcommissie een rapport uit over de gebreken aan de wezen- en armenschool. Het gaat voornamelijk om de volgende gebreken:

  1. de school is te laag van verdieping;
  2. het privaat in de school bederft de lucht;
  3. er is gebrek aan luchtverversing;
  4. het licht is te zwak en onregelmatig aangebracht;
  5. de vochtigheid.

De commissie wenst dat deze gebreken verbeterd worden.
Het college stelt dit schrijven in handen gesteld van het Burgerlijk Armbestuur. Dit bestuur stuurt het gemeentebestuur in augustus 1863 een brief, waarbij met terugzending van de brief van de plaatselijke schoolcommissie de bezwaren worden opgegeven tegen het inrichten van de wezen- en armenschool volgens de door de commissie ontwikkelde denkbeelden. Overwogen wordt dat de wezen- en armenschool immers behoort tot de gebouwen van het weeshuis.
Het bestuur wijst op de onmogelijkheid om de jongensslaapkamer, die thans boven het schoollokaal ligt, naar een ander gedeelte van het weeshuis over te brengen. Bovendien zullen de verlangde veranderingen een aanzienlijke uitgaaf vergen, die niet van de armeninrichting gevorderd kan worden. Het armbestuur is daarom van oordeel dat die uitgaaf voor rekening van de gemeente dient te komen.

De schoolcommissie stuurt in oktober 1863 een opgaaf van de gebreken en de onvoldoende inrichting van de wezen- en armenschool aan het gemeentebestuur. Daarover wordt het bericht van het Burgerlijk armbestuur, als zijnde het bestuur van het weeshuis, ingewonnen. Uit de reactie van het armbestuur blijkt dat het de opgegeven gebreken enigszins overdreven acht en zich onverplicht voelt om de kosten van de geconstateerde gebreken te dragen. Deze zouden nagenoeg gelijk zijn met die van de stichting van een geheel nieuw schoolgebouw. Het armbestuur meent die kosten te moeten laten voor rekening van de gemeente.

Het Burgerlijk Armbestuur schrijft in april 1866 een brief aan het gemeentebestuur met haar ongerustheid over het niveau van het daar gegeven onderwijs. Het op de wezen- en armenschool gegeven onderwijs zou niet voldoen aan de eisen van de tegenwoordige tijd. Voorgesteld wordt om aan die school een avondschool te verbinden. Daardoor zou het onderwijs, volgens het armbestuur, veel verbeterd worden. Het armbestuur oppert om voor de meerdere diensten aan de hoofdonderwijzer ƒ 200 en aan de hulponderwijzer ƒ 100 extra toe te kennen, te betalen uit de kas van de gemeente. Dit voorstel wordt door het gemeentebestuur aanvaard.

De hoofdonderwijzer van de wezen- en armenschool, de heer J.K.A. Cromjongh, deelt het gemeentebestuur op 27 mei 1868 het volgende mee:
Na een arbeid van 24 jaren aan het hoofd der wezen- en armenschool ben ik in de treurige noodzakelijkheid om die betrekking neder te leggen. Een voortdurende ongesteldheid veroorlooft mij, ook bij een langzame herstelling, niet langer in de school werkzaam te kunnen zijn en het is daarom en tevens voor den goede gang van de dag- en avondschool wenselijk dat daarin in mijn plaats worde voorzien’.
Al op 10 juni 1868 overlijdt de heer Cromjongh.
De gemeenteraad krijgt een voordracht voor de benoeming van een nieuwe hoofdonderwijzer voorgelegd. Daarop zijn vermeld de namen J.A. Kamberg te Dordrecht, J.D. van den Berge te Goes en W. van Kamer te ‘s-Gravenpolder. Benoemd wordt de heer Jan Dirk van den Berge met 5 tegen 3 stemmen.

Franse school voor meisjes

De Franse school voor meisjes is gevestigd aan de …
De school telt deze jaren doorgaans 33 leerlingen.
Hoofdonderwijzeres is mejuffrouw Erkina van Braambeek.

In februari 1862 wordt een nieuwe hulponderwijzeres aan de Franse meisjesschool, ook genoemd de gemeenteschool voor meer uitgebreid lager onderwijs voor meisjes, benoemd. Uit de vier sollicitanten wordt Dorothea Louisa van der Velden gekozen.

De hulponderwijzeres op de Franse meisjesschool, mejuffrouw F.C.J. Keiser, vraagt ontslag in verband met haar gezondheid.
In juni 1865 verzoekt mejuffrouw D.L. van der Velde ontslag als hulponderwijzeres aan de Franse school voor meisjes in verband met haar benoeming tot hulponderwijzeres te Genemuiden.
Voor de functie van hulponderwijzeres komt slechts één sollicitatie binnen, namelijk van mejuffrouw W.H. van Eijk te Heusden. Zij wordt op de voordracht geplaatst. Het blijkt dat zij bekend is met de hoofdonderwijzeres mejuffrouw E. van Braambeek en deze heeft de verzekering gegeven juffrouw Van Eijk gerustelijk te kunnen aanbevelen. Helaas deelt zij mee een betrekking in een andere gemeente te hebben aanvaard.

Franse jongensschool

De Franse jongensschool is gevestigd aan de Lange Kerkstraat C 43.
De school telt deze jaren circa 23 leerlingen.
Hoofdonderwijzer is de heer J.H. van den Bree (tot en met 1862) en M.H. Kottman (vanaf begin 1863).

In 1862 wordt aan de Franse school voor jongens, ook genoemd de openbare gemeenteschool voor meer uitgebreid lager onderwijs, tot hulponderwijzer benoemd de enige sollicitant, de heer Mattheus Henricus Kottman.

In maart 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de kinderen en behuwd kinderen van de heer J.H. van den Bree, hoofdonderwijzer van de openbare school voor meer uitgebreid lager onderwijs van de 11e maart, met kennisgeving van het overlijden van hun vader. Besloten wordt aan de kinderen een brief van rouwbeklag met betuiging van deelneming te zenden. In de tijdelijke waarneming wordt voorzien door de hulponderwijzer M.H. Kottmann.

De plaatselijke schoolcommissie stuurt in april 1863 twee brieven naar het gemeentebestuur. Ze draagt voor in hoever het traktement van de Franse onderwijzer in verband staat met wat van hem geëist wordt. Tevens geeft de commissie in bedenking om onder de vereisten op te nemen het onderricht in het Italiaans boekhouden en een oproeping te doen van sollicitanten op een traktement van minstens ƒ 1.600.

In de vacature van hoofdonderwijzer op de Franse jongensschool worden in mei 1863 acht sollicitanten opgeroepen voor het vergelijkend examen voor hoofdonderwijzer. Tot haar leedwezen ziet het college in overleg met de schoolopziener en de plaatselijke schoolcommissie en de examinatoren geen vrijheid uit die sollicitanten een voordracht te doen, zodat er later tot een nadere oproeping of andere maatregel zal moeten worden overgegaan.
Raadslid mr. De Laat de Kanter merkt op dat het na de ongunstige uitslag van het examen te voorzien is dat er nog een geruime tijd zal verlopen alvorens in de vacante hoofdonderwijzersbetrekking zal zijn voorzien. In zijn betrekking van schoolopziener geeft hij de wens te kennen dat de vergadering hem machtigt om in overleg met het college op de best mogelijke wijze te voorzien in de tijdelijke hulp die op die school nodig is. Zijns inziens is hulp voor de onderwijzer door het groot aantal leervakken een dringende vereiste. Het college neemt dat voorstel over, wat door de gemeenteraad met unanieme stemmen wordt goedgekeurd.

Het college heeft eind mei 1863 het voorstel van de schoolcommissie wat betreft de vervulling van de onderwijzersplaats aan de Franse school voor jongens overwogen en kan zich daarmee verenigen. Het stelt dan ook voor de schoolopziener uit te nodigen een oproeping van sollicitanten te doen op een jaarwedde van ƒ 1.600, terwijl tot aanbeveling zal strekken bekwaamheid tot het geven van onderwijs in het Italiaans boekhouden. Ingevolge het raadsbesluit van 31 mei 1863 heeft het college in overleg met de schoolopziener en de waarnemend hoofdonderwijzer in oktober 1863 tot hulponderwijzer op de Franse school tijdelijk aangesteld de heer Adriaan van der Linde, geëxamineerd als hulponderwijzer en voor de Franse taal, dit op een bezoldiging van ƒ 500 per jaar.

De heer Saaymans Vader oppert de vraag of er van deze gelegenheid geen gebruik kan worden gemaakt om een vroeger geopperd denkbeeld te verwezenlijken, namelijk de daar stelling van een gymnasium waarbij velen belang hebben, en het inkrimpen van het openbaar lager onderwijs, wat hij mogelijk en onschadelijk acht, uit hoofde van het bestaan van twee goed bezette bijzondere scholen.
Ook de heer mr. De Laat de Kanter verenigt zich met het voorstel van het college.
De heer Fransen van de Putte merkt nog op dat in evenredigheid van de openstaande onderwijzersplaatsen er zeer weinig geschikt personeel is, zodat hier en daar de opengevallen plaatsen onvervuld moeten blijven waarom men niet te veel van de sollicitanten vergen mag.

Door het overlijden van de hoofdonderwijzer, de heer Van den Bree, en het waarnemen van de hoofdonderwijzersbetrekking op de Franse jongensschool door de hulponderwijzer M.H. Kottmann is het nodig tijdelijk in een hulponderwijzersplaats te voorzien. De heer Adriaan van der Linde, hulponderwijzer te Wolphaartsdijk, is bereid tijdelijk hulp te verlenen. Hij wordt benoemd op een jaarwedde van 500 gulden.

De gemeenteraad besluit met algemene stemmen oproeping van sollicitanten te doen onder bepaling dat zij moeten bezitten de akte van hoofdonderwijzer en de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in de Nederduitse, Franse, Engelse en Hoogduitse talen en de wiskunde en dat de bekwaamheid tot het geven van Italiaans boekhouden tot aanbeveling verstrekt, dit op een jaarwedde van ƒ 1.600 en vrije woning.

Het gemeentebestuur ontvangt in oktober 1863 een brief van de waarnemend hoofdonderwijzer van de Franse jongensschool M.H. Kotmann, waarin hij zijn bezwaren meedeelt tegen het inzenden van een begroting voor in 1864 vermoedelijk benodigde schoolbehoeften en de wenselijkheid dat dit gebeurt door de te benoemen nieuwe hoofdonderwijzer. Het college vindt deze opmerking alleszins gegrond en besluit een globaal bedrag als maximum in de gemeentebegroting uit te trekken.

In januari 1865 wordt het schoolgebouw van de Franse jongensschool ingezet voor de huisvesting van het gezin van ds. Drost van de Hervormde gemeente. De pastorie van het predikantengezin is door brand verwoest en bovendien is de kinderziekte in dit huisgezin uitgebroken. Nadat de kinderziekte begin februari geweken is, wordt het gebouw van de Franse jongensschool weer in gebruik gesteld en de daartoe afgestane bijzondere school Nathaniël ontruimd.
De gemeenteraad besluit in 1865 tot opheffing van de bestaande Franse school voor jongens met ingang van 31 juli 1865 en tot eervol ontslag van M.H. Kottmann als waarnemend hoofdonderwijzer en A. van der Linde als tijdelijk hulponderwijzer Dit in verband met de stichting van de hogere burgerschool in de gemeente. De directe aanleiding van de opheffing is het invoeren van het middelbaar onderwijs.

In juni 1867 deelt de voorzitter de gemeenteraad mee dat tot voorkoming van het ongerief dat wel eens ondervonden is door op een minder geschikte plaats het postkantoor te vestigen, burgemeester en wethouders op het denkbeeld gekomen zijn om de Minister van Financiën over het beschikbaar komen van de voormalige Franse school mededeling te doen. Dit gebouw zou tot woning en postkantoor uitnemend geschikt zijn.

De Minister antwoordt hierop dat het Rijk alleen in enkele voorname steden postgebouwen bezit en het niet met de aangenomen beginselen overeen te brengen is dit ook tot andere gemeenten uit te strekken. Daarom kan aan het voorstel tot aankoop niet worden voldaan. Hij verklaart zich echter wel bereid het gebouw, indien het geschikt wordt bevonden, van de gemeente te huren en voorgoed voor postkantoor te bestemmen. Daarop is door het college geantwoord dat in de begroting voor 1867 de verkoopsom van dat pand in ontvangst is gebracht en de gemeente de inkomst dit jaar niet kan missen.
Maar op 21 augustus 1867 neemt de gemeenteraad zonder hoofdelijke stemming het voorstel van het college over om de voormalige Franse jongensschool te verkopen. Dit nadat de gemeenteraad eerst uitgesproken heeft het gebouw niet meer te bestemmen voor de publieke dienst.

Het raadsbesluit van 5 september 1867 tot openbare verkoop van het pand van de voormalige Franse jongensschool wordt goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Er zit een begroting bij de stukken om twee kamers van de voormalige Franse jongensschool tot ijkkantoor in te richten. De begroting behelst het uitbreken van vijf lichtkozijnen in de gevel aan de open plaats, het uitbreken van een deurkozijn in de gevel langs de Korte Vorststraat, het maken van zetblinden aan de lichtkozijnen en het timmeren van een portaal.
In de vergadering van de gemeenteraad van 10 september 1867 deelt de voorzitter mee dat het college het verkieslijk vindt alleen het huis te veilen en de schoollokalen van de Franse jongensschool te doen inrichten voor ijkkantoor en te trachten daarvoor een billijke huur van het Rijk te verkrijgen. Hij heeft door de bouwmeester een tekening en begroting van kosten laten opmaken. Deze bedraagt ƒ 216. De toewijzing van het huis zal plaatsvinden onder goedkeuring van de gemeenteraad. De raad verenigt zich met de zienswijze van het dagelijks bestuur.

Op dinsdag 8 oktober 1867 ‘s avonds om 8 uur vindt in het logement ‘de Korenbeurs’, bewoond door de heer P.J. Breker, ten overstaan van notaris J.G. Risseeuw, de publieke verkoop aan de meestbiedende plaats van:
'Een hecht, sterk en zeer logeabel woonhuis en erve, staande en gelegen aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat in wijk C 43, thans bewoond door de heer Leopold, uitmakende het westelijk deel van sectie D 336, bekend als Franse school ter grootte van 363 ellen.
Waarvan de vroeger gebruikte schoollokalen grenzend tegen de Korte Vosstraat het oostelijk deel van het kadastrale nummer uitmaakt en niet onder het te verkopen perceel begrepen is'.

De voorzitter deelt de gemeenteraad namens het college mee dat bij de gehouden publieke veiling op 8 oktober van het huis van de voormalige Franse jongensschool hoogste bieder is geweest de heer Martin Stieger, wonende binnen deze gemeente, met de som van ƒ 3.300 alsmede ƒ 30 voor losse goederen en dat pand mitsdien aan hem is toegewezen.

In de raadsvergadering van 10 november 1867 deelt de voorzitter mee dat de aanbesteding voor de inrichting van een ijkkantoor in de lokalen van de voormalige Franse jongensschool heeft plaats gehad. Deze is gegund aan de minste inschrijver W. den Besten voor ƒ 422. De Commissaris van de Koning deelt mee dat door de Minister hoogstens ƒ 100 voor huur van dat lokaal kan worden toegestaan. Hij stelt namens het college voor het behoorlijk ingericht ijkkantoor voor ƒ 100 per jaar aan het Rijk in huur af te staan en hen te machtigen daaromtrent een contract met de minister te sluiten. Dit wordt akkoord bevonden.

Bijzondere lagere school

De eerste bijzondere lagere school is gevestigd aan de Wijngaardstraat.
De school telt doorgaans 180 leerlingen. Hoofdonderwijzer is de heer L. Brouwer.

De tweede bijzondere school, genaamd ‘Nathaniël’, telt doorgaans 165 leerlingen. Hoofdonderwijzer is de heer H. Bloemendal.

In januari 1863 komt er een brief bij het gemeentebestuur binnen van de heer Leendert Brouwer te Sliedrecht met het bericht van zijn benoeming tot hoofdonderwijzer van de bijzondere school voor christelijk onderwijs in deze gemeente.

De heer Jacobus Ball wordt in 1863 benoemd tot hulponderwijzer aan een van de bijzondere scholen.

De hoofdonderwijzer van de bijzondere school, Matthijs Laurens van der Heijden, deelt in januari 1868 mee dat hij al vanaf oktober 1867 een grote teleurstelling heeft ondervonden wat betreft de liefdegiften, waarop hij het gewaagd heeft zich in Goes te vestigen. Het is daarom dat hij, om de kommervolle omstandigheden waarin hij zich met zijn gezin bevindt, zich gedrongen gevoelt de vrijheid te verzoeken om privaatonderwijs te geven te zijnen huize of aan de huizen van de ingezetenen van de stad in de Hollandse en Franse talen.

In april 1868 geeft de heer M.L. van der Heyden het gemeentebestuur het volgende te kennen:

  • dat uit oorzaak van de geringe inkomsten, die hij van de school van De Jonge genoot, ik mij gedrongen heb gevoeld dezelve te verlaten en op raad van de schoolopziener aan wie ik mijn droevige omstandigheden heb bloot gelegd, een huis heb gehuurd dienstig voor school en woonvertrek tezamen;
  • dat, daar ik van oktober 1867 tot mei 1868 nog altijd vrij ben gebleven van huishuur te betalen, maar nu voor mij voor het vervolg de verplichting werd opgelegd zelf daarvoor zorg te dragen, ik geen andere raad wist dan om zelf een school op te richten, ware het alleenlijk om de kosten der wekelijkse huishuur bedragende ƒ 2,25 te dekken om dan voor het overige van de privaatlessen, die tot nog toe niet meer dan ƒ 4 per week opleveren, voor mijn gezin in de dagelijkse behoeften te kunnen voorzien;
  • dat het schoolvertrek de volgende afmetingen heeft: ….;
  • dat mijn enige hoop is dat het schoolvertrek met dit getal kinderen bij aanvang de goedkeuring van uw college kan wegdragen daar het toch, zo ik vermeen, voor een korte tijd zal zijn, daar ik reeds lang zoekende ben naar een andere betrekking buiten deze stad en mijn ziel nog met diep berouw is bezield van Sint Philipsland te hebben verlaten. Misleiding is daarvan de oorzaak, want de eigenlijke twist of onenigheid die er tussen ds. Budding en J. de Jonge heeft plaats gehad is voor mij geheel achterwege gehouden.

Ik heb de eer met alle hoogachting te zijn’.

Bijzondere school Nathaniël

De bijzondere school ‘Nataniël’ is gevestigd in het schoolgebouw aan de Lange Vorst in wijk C nummer 218 (in de tuin van bakker Johannes de Jonge: de achtergevel is deels ingegraven in de Oostwal).
De school telt deze jaren doorgaans 180 leerlingen.
Hoofdonderwijzer is de heer H. Bloemendal.

In augustus 1864 geeft de hoofdonderwijzer H. Bloemendal van de school ‘Nathaniël’, in een uitvoerig schrijven te kennen ‘dat hij, gezien hebbende de Verordening in het belang van de openbare gezondheid in de gemeente Goes, met hartelijke droefheid vervuld werd over zulk een ingrijpen in de vrijheid van geweten en verordening tegen Gods Heilig Woord en verklaren moet dat, indien de genoemde artikelen ook op de school Nathaniël, van God gegeven, van toepassing gehouden worden, deze school, door de Liefde Gods in Christus gegeven, voor iedereen geopend, zonder onderscheid van rang, staat, godsdienst en nu vier jaren uit Gods Hand onderhouden, tot zegen van vele arme kinderen van deze stad, bij de inwerkingtreding van zulk een verordening gesloten zal moeten worden. Naardien hij, gedachtig aan het Woord van God: Zijt de magten over u gesteld onderworpen, zich in het minst niet tegen haar wenst te verzetten en door de genade Gods in Christus Jezus vurig hoopt aan te houden in het gebed tot God met allen die Desselfs Liefde geloven in Jezus Christus jegens alle mensen zonder onderscheid, dat het Hem moge behagen uwe harten te neigen om naar den Woorde Gods aangaande deze vrije school van Godswege te beschikken en die te beschermen zoals Christelijke regenten schuldig zijn, als hij immer dankbaar wenst te erkennen de vrijheid gedurende 4 jaren onder uw bestuur genoten’.
Waar het de heer Bloemendaal om gaat is de verplichting tot vaccinatie. Zie hierna het verhandelde over de vaccinatie.

Op 10 september 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de plaatselijke schoolcommissie met kennisgeving van de onverwachte sluiting van de bijzondere school van de onderwijzer Bloemendal en de vele verzoeken om leerlingen van die school op te nemen op de openbare scholen. De commissie verlangt op aanstaande woensdag een buitengewone zitting voor de toelating van deze leerlingen te houden. Daarmee wordt akkoord gegaan. Van de bijna 200 leerlingen blijken er nauwelijks 24 ongevaccineerd te zijn.

In januari 1865 bedanken burgemeester en wethouders het bestuur van de bijzondere school Nathaniël voor het welwillende aanbod om gebruik te maken van het door hen bezeten schoollokaal zolang de besmettelijke ziekte ten huize van ds. J. Drost het gebruik van het gemeentelokaal verbiedt. Het college schrijft:
Wij willen volgaarne van dat aanbod profiteren en daartoe in het bezit van de sleutel van dat lokaal gesteld te worden om de waarnemend hoofdonderwijzer van de Franse jongensschool in de gelegenheid te stellen het benodigde schoolmateriaal over te doen brengen en het nu afgebroken onderwijs donderdagmorgen te hervatten’.

Volgens het rapport van de geneesheer Callenfels is de dienstbode van de predikant Drost lijdende aan kinderziekte. De predikant wordt door het college uitgenodigd de catechisatie niet te houden zolang er geen verklaring van een geneeskundige zal zijn afgelegd dat het gevaar voor besmetting uit zijn woning heeft opgehouden.

Burger bewaarschool

De plaatselijke schoolcommissie schrijft begin april 1861 een brief aan de gemeenteraad. Daarin bepleit ze de wenselijkheid van oprichting van een burger bewaarschool. Om dit te kunnen beoordelen verzoekt de commissie opgave van het aantal kinderen tussen 2 en 6 jaar uit het bevolkingsregister van ouders die geacht kunnen worden een zeker schoolgeld te kunnen betalen.
Alvorens hierover te besluiten wordt de commissie enige nadere mededelingen gevraagd over de klasse van ingezetenen die de commissie op het oog heeft. Verder merkt het college op dat deze inrichting een bijzondere (en dus geen gemeentelijke) onderneming dient te zijn. Nog meer kosten voor het onderwijs zou te bezwarend zijn voor de kas van de gemeente.

In februari 1864 ontvangt het gemeentebestuur de kostenbegroting voor het aanbrengen en in orde maken van een nieuw lokaal aan de school van de heer Swart om te dienen voor een bewaarschool voor kinderen uit de meer gegoede stand. Uit de begroting blijkt dat de kosten zullen bedragen ƒ 110.
Dit geeft raadslid Saaymans Vader aanleiding om te vragen of de verandering aan het schoolgebouw van de heer Swart geen invloed zal hebben dat de school dan ruimte verliest en er later klachten zullen inkomen.
De voorzitter wijst er echter op dat het daarvoor bestemde lokaal niet als school gebruikt wordt. Hierin bevindt zich nu de bibliotheek van de boekerij van het Nut en er wordt op woensdagen en zaterdagen oefenschool gehouden. Door het verenigen van dat lokaal met de school wordt er meer aan ruimte gewonnen.

De burger bewaarschool telt gemiddeld 10 leerlingen.

Armen bewaarschool

De toestand van het lokaal van de armen-bewaarschool op de Beestenmarkt is vrij voldoende; in deze jaren worden hieraan geregeld verbeteringen aangebracht.
In juli 1864 verzoekt de hoofdonderwijzeres mejuffrouw C.W.M. Söhr ontslag ‘onder dankzegging voor het gedurende ruim tien jaren genoten voorrecht zich aan het hoofd dier school geplaatst te zien alsook voor de welwillende medewerking der schoolcommissie’. Ze krijgt per 1 oktober eervol ontslag. De plaatselijke schoolcommissie draagt in 1864 voor benoeming tot hoofdonderwijzeres op de bewaarschool twee sollicitanten voor. De gemeenteraad benoemt daaruit mejuffrouw L.J. Hardenberg.
Raadslid Saaymans Vader vraagt of niet een van de kwekelingen van juffrouw Söhr in staat zou zijn de betrekking van hoofdonderwijzeres van de bewaarschool te aanvaarden. Hij voorziet dat het invoeren van de leermethode van Fröbel op die school weer tot vermeerdering van uitgaven zal leiden en aan het onderwijs al zoveel door de gemeente wordt bijgedragen dat hij bezwaar maakt nu weer nieuwe kosten te maken.
Raadslid De Laat de Kanter zegt dat de jaarlijkse kosten die thans aan de armenbewaarschool worden besteed, naar het oordeel van de schoolcommissie en de schoolopziener toereikend zullen zijn en de invoering van de leerwijze van Fröbel tot geen verhoging van die kosten aanleiding zal geven. Alleen bij de aanvang zal een uitgave vereist zijn voor het aankopen van speelgoed en dergelijke, welke naar zijn inschatting de ƒ 200 niet zal overschrijden. Met algemene stemmen wordt besloten op de bewaarschool de leermethode van Fröbel in te voeren.

In september 1864 ontvangt het gemeentebestuur van de plaatselijke schoolcommissie een brief met voorstellen over de inrichting van de bewaarschool en de invoering van de leermethode van Fröbel. Besloten wordt daarnaar een onderzoek in te stellen en zoveel mogelijk aan het verlangen van de schoolcommissie gevolg te geven.
De plaatselijke schoolcommissie neemt met genoegen kennis van het besluit van de gemeenteraad om op de armen bewaarschool de leerwijze van Fröbel in te voeren. Tot voorbereiding van de invoering daarvan en in afwachting van de aanstelling van een nieuwe hoofdonderwijzeres stelt de commissie het volgende voor: a. de bestaande schooltafels te laten vermaken, zodat de tafelbladen horizontaal liggen, en de banken van leuningen te voorzien; b. aan te schaffen het Fröbel speelgoed zoals aangegeven op een bijgevoegde lijst (een kantoorberging voor het speelgoed; een modeltafeltje; een houten raam van 2½ x 1½ el; 24 verscheiden houten vormen; een hoop zand; drie dozijn leien et cetera).

Mejuffrouw L.J. Hardenberg vraagt per 1 mei 1868 eervol ontslag uit haar betrekking van hoofdonderwijzeres van de armenbewaarschool. Het college stelt een voordracht op met de volgende drie namen:

  1. Mejuffrouw P. Heijblom;
  2. Wilhelmina van Kleef;
  3. Hermina Everardina Wiesveld, allen te Rotterdam.

Met algemene stemmen wordt mejuffrouw Pieternella Heijblom benoemd.

De burger bewaarschool voor minvermogenden telde in 1868 183 leerlingen.

Overige vormen van onderwijs

Er zijn deze jaren in de gemeente ook een klein-kinderschool met gemiddeld 60/42 kinderen; een school voor vrouwelijke handwerken met doorgaans 40/51 leerlingen en een naai- en breischool voor minvermogenden met 30/45 leerlingen.
Huisonderwijs wordt gegeven door de heren P.J.K. Thomson en A.P. Snoep.
Verder zijn er nog een zangschool met een directeur aan het hoofd en in 1868 48 leerlingen en een gymnastie-school met één onderwijzer en gemiddeld 40 leerlingen per jaar.

School voor middelbaar onderwijs

In januari 1863 legt de burgemeester een bij hem ingekomen brief van de inspecteur van het middelbaar onderwijs over. Deze geeft daarbij zijn voornemen te kennen op het laatst van deze maand de gemeente te bezoeken om gezamenlijk in overleg te treden aangaande de regeling van het middelbaar onderwijs in Goes. Deze zaak wordt voorlopig aan de prudentie van de burgemeester overgelaten.

In juni 1864 ontvangt het gemeentebestuur een mededeling van de Minister van Binnenlandse Zaken over gerezen bezwaren tegen het verlenen van een hogere subsidie van het Rijk ten behoeve van een te Goes te vestigen school voor middelbaar onderwijs dan daarvoor in de regel wordt verleend. Besloten wordt dit bericht te stellen in handen van de plaatselijke schoolcommissie en de schoolopziener voor bericht en raad.
Het gemeentebestuur ontvangt in juli 1864 bericht en raad van de plaatselijke schoolcommissie ten aanzien van de aanschrijving van de Minister van Binnenlandse zaken over de vestiging van een gemeenteschool voor middelbaar onderwijs.

Meisjesschool voor meer uitgebreid lager onderwijs

In juli 1868 wordt de Tafel van werkzaamheden van de openbare meisjesschool voor meer uitgebreid lager onderwijs te Goes vastgesteld. Zo krijgt b.v. de 3e klasse op maandag achtereenvolgens Frans, Nederlandse taal, schoonschrijven, vaderlandse geschiedenis, Frans, handwerken; op dinsdag achtereenvolgens Frans, kaartschetsen, lezen, rekenen, Nederlandse taal, handwerken; op woensdag achtereenvolgens schoonschrijven, opstel, Frans; op donderdag achtereenvolgens aardrijkskunde, Frans, natuurlijke historie, vormleer, rekenen op de lei, handwerken; op vrijdag achtereenvolgens algemene geschiedenis, Nederlandse taal, Frans, vaderlandse geschiedenis, handwerken; op zaterdag achtereenvolgens rekenen, Frans, Nederlandse taal.

Hogere Burgerschool

In deze jaren vindt de stichting plaats van een Hogere Burgerschool te Goes. De in 1863 aangenomen Wet op het Middelbaar Onderwijs was hiervoor de directe aanleiding.

In de vergadering van de gemeenteraad van 25 februari 1864 deelt de voorzitter mee dat de plaatselijke schoolcommissie, ingevolge de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juli 1863, een plan heeft ontworpen om in deze gemeente in de behoefte aan degelijk middelbaar onderwijs te kunnen voorzien. Het plan bestaat uit de volgende onderdelen:

  • in tabel A: het programma van een Hogere Burgerschool met een zesjarige cursus voor jongelieden van 11 à 12 tot 17 à 18-jarige leeftijd;
  • in tabel B: het programma van een Burger Avondschool met een driejarige avondcursus bestemd voor toekomstige ambachtslieden van 14 à 15 tot 17 à 18-jarige leeftijd;
  • in tabel C: een staat van het voor die scholen benodigd onderwijzend personeel met de geraamde jaarwedden en overige kosten aan de uitvoering van het plan verbonden.

Deze stukken worden bij de leden van de gemeenteraad rondgezonden. Het college van burgemeester en wethouders deelt de gemeenteraad mee zich volkomen te kunnen verenigen met het plan. De gemeenteraad wordt voorgesteld te besluiten dat in deze gemeente zal worden gevestigd A. een Hogere Burgerschool en B. een Burger Avondschool, onder voorbehoud van voldoende subsidie van rijkswege.
Dit voorstel wordt met 8 tegen 3 stemmen aangenomen. Tegen stemmen de heren mr. Saaymans Vader, mr. Van Voorst Vader en mr. Smallegange.
De gemeenteraad draagt het college op een verzoek op te stellen tot het verkrijgen van de benodigde subsidie van het Rijk.

De gemeenteraad ontvangt op 7 mei 1864 een brief van de Minister van Binnenlandse Zaken met het verzoek om nadere inlichtingen te verstrekken over de financiële toestand van de gemeente tot rechtvaardiging van een hoger subsidie voor de regeling van het middelbaar onderwijs dan in de regel verleend wordt.
De burgemeester neemt op zich daarvoor in persoon, zo mogelijk vergezeld van de schoolopziener, zich naar ’s-Gravenhage te begeven. Maar op 21 mei deelt de burgemeester mee dat hij hieraan geen gevolg heeft kunnen geven omdat de Minister verhinderd was hem bij zich te ontvangen. Besloten wordt tot beantwoording van het verzoek van de Minister de inlichtingen schriftelijk in te zenden.
Ingevolge het besluit van de gemeenteraad wordt bij de Minister ingezonden het plan tot inrichting van een Hogere Burgerschool. Vooral wordt met het oog op het verkrijgen van een hogere subsidie daarbij aangegeven de minder gunstige financiële toestand van de gemeente.

Op 28 juni 1864 doet de voorzitter mededeling aan de gemeenteraad van een bij het college ingekomen brief van de Minister van Binnenlandse Zaken met de mededeling dat er bezwaren gerezen zijn tegen het verlenen van hogere rijkssubsidie dan daarvoor gewoonlijk wordt verleend. De Minister verzoekt om nadere inlichtingen over dat onderwerp en wil weten of de gemeente voornemens is voldoende lokalen voor zulk een school met een zesjarige cursus in te richten en daarvan in dat geval een tekening in te zenden.
De brief wordt voor bericht en raad voorgelegd aan de plaatselijke schoolcommissie.

Op 4 augustus 1864 komt er bericht van de plaatselijke schoolcommissie. Het college is, evenals de plaatselijke schoolcommissie, van gevoelen dat, ingeval onoverkomelijke bezwaren van financiële aard inkrimping van het ontworpen plan noodzakelijk maken, dan in de eerste plaats het onderwijs in de klassieke talen zou moeten worden opgeofferd maar dat de Burger Avondschool daarin behouden moet blijven. Aan de Minister van Binnenlandse Zaken wordt van dat gevoelen kennisgegeven met het verzoek om een hogere subsidie van het Rijk en, dit punt geregeld zijnde, nader op het verschaffen van lokalen terug te komen.

Het punt van de Hogere Burgerschool komt op 10 februari 1865 opnieuw in de gemeenteraad ter sprake. Wanneer het Rijk geen een ruime ondersteuning verleent ‘zal vooreerst geen uitvoering gegeven worden aan de plannen op wier verwezenlijking terecht hoge prijs wordt gesteld’. De voorzitter meent uitzicht te mogen geven op een jaarlijks subsidie van ƒ 7.000 indien de Hogere Burgerschool en de Burger Avondschool volgens het ontworpen plan tot stand worden gebracht met weglating van de cursus voor oude talen.
Desgevraagd hebben de plaatselijke schoolcommissie en de schoolopziener te kennen gegeven ‘volgaarne te zullen meewerken tot alles wat het tot stand komen van het voor deze gemeente zo onschatbare middelbaar onderwijs zal kunnen bevorderen’.
Maar vooreerst wenst het college het standpunt van de gemeenteraad te vernemen, namelijk ‘of naar zijn mening het bedrag van het subsidie, waarop thans uitzicht is gegeven, voldoende is om definitief tot de vestiging van de genoemde inrichtingen voor middelbaar onderwijs te besluiten’.
De voorzitter zegt dat het college van oordeel is dat met een rijkssubsidie van ƒ 7.000 per jaar er geen bezwaar bestaat om tot een inrichting voor middelbaar onderwijs in deze gemeente te besluiten. Dit voorstel wordt zonder hoofdelijke stemming met algemene stemmen aangenomen.

Op 15 maart 1865 komt er een brief bij de gemeenteraad binnen van enige ingezetenen, waarbij zij hun ingenomenheid betuigen met en hun erkentelijkheid voor het genomen besluit van de gemeenteraad tot het oprichten van een Hogere Burgerschool en een Burger Avondschool, ‘waardoor de vruchten van het middelbaar onderwijs in ons midden zullen genoten worden’. Het notulenboek vermeldt: ‘De hieruit gebleken belangstelling der ingezetenen in deze belangrijke aangelegenheid is met genoegen opgemerkt en het adres nedergelegd in het archief’.

De plaatselijke schoolcommissie dient in april 1865 bij het gemeentebestuur de volgende stukken in met betrekking tot het middelbaar onderwijs in Goes:

  1. een plantekening van een nieuw op te richten gebouw met een kostenberekening belopende ƒ 30.000;
  2. een ontwerpverordening tot regeling van dat onderwijs;
  3. een ontwerpbesluit tot vaststelling van het aantal leraren en het bedrag van hun jaarwedden;
  4. een ontwerpbesluit tot heffing van schoolgeld en een ontwerpverordening regelende de invordering;
  5. een ontwerpbesluit tot opheffing van de thans bestaande Franse school voor jongens en het verlenen van eervol ontslag aan de onderwijzers van die school;
  6. een ontwerp-missive ten geleide van de stukken genoemd onder 1, 2 en 3 aan de Minister van Binnenlandse Zaken.

In de opvolgende vergadering van de gemeenteraad brengt de voorzitter de volgende voorstellen in stemming:

  1. de goedkeuring van het plan tot bouw en inrichting van de school op het terrein van de tegenwoordige stadsschuur. Dit voorstel wordt met eenparigheid van stemmen aangenomen. Alleen raadslid Saaymans Vader stemt tegen. Hij vindt dat het de financiële draagkracht van de gemeente te boven gaat en opteert voor uitbreiding van de Franse school onder toevoeging van een tekenschool;
  2. de verordening tot regeling van het onderwijs wordt goedgekeurd met algemene stemmen;
  3. het besluit tot de aanstelling van het aantal leraren en hun jaarwedden wordt goedgekeurd met algemene stemmen;
  4. het besluit tot heffing van schoolgeld wordt met algemene stemmen aangenomen;
  5. het ontwerpbesluit tot opheffing van de Franse school voor jongens wordt aangehouden totdat de goedkeuring van de Minister op de andere besluiten is ontvangen.

Op 18 april 1865 komt de goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken binnen. De Minister oppert om, als de benoeming van personeel tijdig kan geschieden, met de inrichting in september 1865 te starten, al is het dan ook aanvankelijk in hulplokalen en met een beperkt aantal klassen. De gemeenteraad gaat hier graag mee akkoord.
Er wordt dan nu ook besloten de school voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs, genaamd de Franse school voor jongens, ingaande 1 augustus 1865 op te heffen. De overweging daarbij is dat er geen behoefte meer aan die school bestaat bij het in werking brengen van een Hogere Burgerschool. De hulponderwijzer tevens waarnemend hoofd van de school M.H. Kottmann wordt eervol ontslag verleend. Het college zegt de gemeenteraad toe de bouw van de nieuwe inrichting te zullen bespoedigen.
In de raadsvergadering van 28 juni 1865 kan de voorzitter meedelen dat de aanbesteding van de bouw van de Hogere Burgerschool zal plaatsvinden tegen 1 juli. De kosten zijn begroot op ƒ 30.000. De gemeenteraad besluit hiervoor een geldlening aan te gaan.

Op aanbeveling van de plaatselijke schoolcommissie en de schoolopziener benoemt de gemeenteraad op 8 augustus 1865 de volgende leerkrachten met ingang van 1 september 1865:

  • S.C.L. Misch, gepensioneerd kapitein der infanterie te Bergen op Zoom, als leraar in de wiskunde;
  • dr. C. Walig, hulpleraar aan de hogere burgerschool te Deventer, als leraar in de natuur- en scheikunde;
  • A.W. van Campen, predikant te Andijk, als leraar in de Nederlandse taal, geschiedenis en aardrijkskunde;
  • F.L. Faisel te Utrecht, als leraar in de Franse taal;
  • M. Leopold, leraar aan de rijkskweekschool voor onderwijzers te ‘s-Hertogenbosch, als leraar voor de Duitse en Engelse talen;
  • E. Huizinga, hoofdleraar van de school voor nijverheid en zeevaart te Delfzijl, tot leraar in de wiskunde en werktuigkunde;
  • D. de Koning, bouwkundige te Rotterdam, tot leraar in het hand- en rechtlijnig tekenen;
  • P.F. van Slijpe, hoofdonderwijzer van de openbare school voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs te Middelharnis, tot leraar in de Engelse taal;
  • P. van der Meulen te Biervliet tot leraar in de gymnastiek;
  • Mr. M.J. de Witt Hamer tot leraar in de staatshuishoudkunde.

Opmerkelijk is het zeer grote aantal sollicitaties naar de betrekking van conciërge.
De benoemde leraar D. de Koning wordt tegelijk aangesteld tot bouwkundige van de gemeente onder voorwaarde dat, indien zijn examen voor het tekenen mislukt, hij zijn betrekking als bouwkundige van de gemeente zal verliezen.
Allen worden benoemd op een jaarwedde van ƒ 1.600.
Uit de benoemden wordt de heer M. Leopold benoemd tot directeur van de school op een jaarwedde van ƒ 200 gulden met vrije woning, vuur en licht.

Tegelijkertijd benoemt de gemeenteraad een commissie van toezicht op de Hogere Burgerschool. Deze bestaat uit de heren: mr. J.H. de Laat de Kanter, mr. C. de Witt Hamer, dr. E. Moll, W.J.H. Liebert en dr. N.J.F. Verschoor. De heren De Witt Hamer en Liebert aanvaarden deze benoeming niet. In hun plaats worden benoemd de heren J.W. van Kerkwijk en dr. K. Broes van Dort. Mr. De Laat de Kanter wordt voorzitter.

De commissie van toezicht over het middelbaar onderwijs overlegt in september 1865 aan de gemeenteraad het ontwerp van een reglement voor de vergaderingen en werkzaamheden van de commissie. Omdat het college van oordeel is dat dit urgent is met het oog op de opening van de Hogere Burgerschool en de Burger Avondschool stelt de voorzitter de gemeenteraad voor dadelijk tot behandeling over te gaan. De algemene strekking en de bijzondere artikelen worden onveranderd vastgesteld.
De commissie deelt in september 1865 mee dat voor het lopende jaar zijn benoemd tot voorzitter de heer mr. De Laat de Kanter en tot secretaris de heer dr. N.J.G. Verschoor.

Op 23 oktober 1865 komt het verheugende nieuws dat voor de Hogere Burgerschool en de Burger Avondschool een rijkssubsidie is toegekend van ƒ 7.000 per jaar. De voorzitter maakt van deze gelegenheid gebruik om de heer De Laat de Kanter als voorzitter van de commissie ‘zijn warme dank te betuigen voor zijn onvermoeide pogingen, die tot zodanige gelukkige uitkomst hebben geleid, waardoor deze gemeente in het bezit is van een inrichting, waardoor verlichting, beschaving, veredeling van geest zo zeer kunnen worden bevorderd. Hij vertrouwt dat de raad dit gevoelen delen zal en doet dit dus ook in zijn naam. Wat zelden plaats vond tijdens de raadsvergaderingen gebeurt na deze woorden van voorzitter Blaaubeen. Het notulenboek vermeldt op deze plaats: ‘(Applaus)’.
De heer De Laat de Kanter merkt op dat de uitkomst alleen is verkregen kunnen worden door de volhardende medewerking van de voorzitter, het dagelijks bestuur en vooral ook aan de krachtdadige ondersteuning van de plaatselijke schoolcommissie.

Voor de inrichting van de Hogere Burgerschool krijgt de gemeenteraad in december 1865 aangeboden het ontwerp voor de te maken meubilaire voorwerpen, bestaande in een bestek met negen tekeningen en een begroting van kosten ten bedrage van ƒ 3.855,98. In een begeleidende map bevinden zich fraaie tekeningen van het aanzicht en de indeling van de nieuwe school.

Nadat de gemeenteraad eerst op 22 januari 1866 in een besloten zitting anderhalf uur heeft gesproken over de aanbesteding van de bouw van de school wordt besloten de bouw en woning te gunnen aan de vijfde inschrijver, Willem de Jonge, voor ƒ 32.000 en het ameublement aan de laagste inschrijver, W.J. van de Weert, voor ƒ 4.451. Hiervoor wordt een geldlening aangegaan van ƒ 44.000 van de Nederlandsche Hypotheekbank te Rotterdam. De last voor de gemeente komt op ongeveer ƒ 2.700 per jaar.
Verscheidene raadsleden (Saaymans Vader, Van Voorst Vader en Van den Bosch) vinden het bedrag de draagkracht van de gemeente te boven gaan. Immers, het oorspronkelijke besluit van de gemeenteraad liep over ƒ 30.000, thans gaat het over een bedrag van bijna de helft meer. De overige leden steunen echter het voorstel van het college. Ze erkennen wel het hoge bedrag, maar het belang van deze voorziening prevaleert. Raadslid dr. Broes van Dort zegt: ‘Dit is de materiele zijde. Ziet men echter op de intellectuele en morele kant, dan mag geen financieel bezwaar terughouden van de daarstelling ener zoo algemeen nuttige zaak’. Met 7 tegen 3 stemmen wordt het voorstel aangenomen.
In de raadsvergadering van 18 april 1866 deelt de voorzitter mee dat de lijst van intekening voor de geldlening van ƒ 44.000 is voltekend. Hij voegt daarbij de mededeling dat de besteding van de Hogere Burgerschool daarna definitief is toegewezen.

Het jaarverslag over 1866 tekent met voldoening aan:
Er bestaat een hogere burgerschool met zesjarige cursus en een burgeravondschool. Het getal leerlingen op de burgerschool bedroeg gemiddeld 46, dat van de burgeravondschool 19. Het getal leraren aan de hogere burgerschool bedroeg 8. Aan de burgeravondschool mede 8t. Van het rijk is ontvangen aan subsidie ƒ 7.000’.
Uit de jaarverslagen over 1867 en 1868 blijkt dat de hogere burgerschool bezocht werd door respectievelijk 43 en 51 leerlingen en de burgeravondschool door respectievelijk 21 en 19 leerlingen.

De inspecteur van het middelbaar onderwijs bezoekt op 22 mei 1867 de nieuwe school. De commissie van toezicht over het middelbaar onderwijs deelt de gemeenteraad mee dat hij bij zijn bezoek zijn tevredenheid over het onderwijs heeft betuigd en verklaarde dat de inrichting met een school met een 5-jarige cursus kan worden gelijkgesteld. Dit wordt met genoegen vernomen.

Op 21 augustus 1867 deelt de bouwkundige, de heer J.H. Hannink, de gemeenteraad mee dat de werkzaamheden aan de bouw van de Hogere Burgerschool zijn voltooid en voor oplevering gereed zijn. Het gemeentebestuur ‘heeft geen bezwaar gemaakt dat gebouw te accepteren’.
De heer J.H. Hannink deelt de gemeenteraad op 2 mei 1868 het volgende mee:
Aangenaam was mij de uitnodiging welke ik in der tijd van uw edelachtbaren ontving betrekkelijk het bouwen van de Hogere Burgerschool, welke uitnodiging ik met de meeste bereidvaardigheid heb aangenomen.
Thans is dit gebouw sedert een tijd in gebruik en volledig voltooid!
Met grote zelfvoldoening aanvaardde ik die taak welke ik de eer had onder uw edelachtbaren medewerking en vertrouwen zonder moeilijkheid op den in het bestek bepaalde tijd ten einde te brengen.
Ik betuig u mijnen hartelijke dank voor het vertrouwen mij daarbij in zo ruime mate geschonken, welke bij mij een aangename herinnering achterlaat en waarvan ik opnieuw bij missive van uw edelachtbaren van 19 februari uwe tevredenheid desbetreffende alsmede het einde der geldelijke voldoening mogt erlangen’.

De gemeenteraad besluit op 24 juni 1868 tot wijziging van de Verordening op het middelbaar onderwijs in de gemeente in die zin dat daarin opgenomen worden de vakken werktuigkunde, kosmografie en warenkennis.

Burgeravondschool

Op 15 maart 1865 komt er een adres bij de gemeenteraad binnen van enige ingezetenen, waarbij zij hun ingenomenheid met en hun erkentelijkheid betuigen voor het genomen besluit van de gemeenteraad tot het oprichten van een Hogere Burgerschool èn een Burger Avondschool binnen de gemeente, ‘waardoor de vruchten van het middelbaar onderwijs in ons midden zullen genoten worden’. Het notulenboek vermeldt:
De hieruit gebleken belangstelling der ingezetenen in deze belangrijke aangelegenheid is met genoegen opgemerkt en het adres nedergelegd in het archief’.

Het adres luidt als volgt:
De ondergetekenden hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het besluit van uw raad, waarbij de oprichting van de hogere burger- en burgeravondschool is aangenomen. Met het oog op de weldadige vruchten die zij van dat besluit verwachten, voelen zij zich gedrongen om hun ingenomenheid daarmede, hunne erkentelijkheid daarvoor aan uw achtbaren uit te spreken.
De eenparige bekrachtiging door uwe vergadering van het daartoe leidend voorstel acht zij een gelukkige samenstemming in deze aangelegenheid van zo groot en overwegend belang voor de burgerij, maar ook een billijke erkentenis van de lofwaardige pogingen door het dagelijks bestuur aangewend om deze zaak tot stand te brengen.
En, is in de laatste jaren veel goeds door het bestuur beraamd, ondernomen en uitgevoerd, dat de burgerij met dankbaarheid vervult jegens de Hoofden des bestuurs en hun beleid op hoogen prijs doet stellen. Hoog staat in de schatting der ondergetekenden het thans voorgesteld plan om de Wet op het mddelbaar onderwijs ook in deze gemeente ten uitvoer te leggen.
Zij waarderen zeer de volhardende ijver waarmede door het dagelijks bestuur in overleg met de heer district schoolopziener gearbeid is om tot deze uitkomst te geraken, waarmede meerdere bezwaren moesten overwonnen worden, mag ook de uitkomst des te hoger worden geroemd.
De ondergetekenden, die voor hunne kinderen dringend behoefte aan de oprichting van zodanige school gevoelden, zien een wens voldaan, die met hunne tederste belangen in het nauwste verband staan.
Maar het is niet alleen om hun zelf wil dat zij het genomen besluit toejuichen, zij hebben evenzeer het oog op de burgeravondschool, die voor onze ambachtstand een zo gewenste en nodige zaak is, deels omdat ook deze stand, naar hun bescheiden mening, in de voordelen van het uitgebreid onderwijs delen moet. Deels omdat juist voor dien stand de gelegenheid tot wetenschappelijke vorming tot hiertoe zo beperkt was gebleven.
Zij zien daarin de kiem van nieuw leven voor de gemeente; zij staan vast in de overtuiging dat degelijk en uitgebreid onderwijs, dat brede ontwikkeling van den geest, voortgang van kennis en wetenschap de enig duurzame bron is van het maatschappelijke welvaren. En zij verblijden zich daarom dat voor onze gemeente een nieuwe weg geopend wordt om gelijke tred te houden met de voortgaande ontwikkeling van onze tijd, om, op het gebied van industrie, handel en kunst voorwaarts te streven.
Daarom gevoelden zij zich gedrongen almede hun erkentelijkheid te betuigen aan het hoofd onzer gemeente en aan de leden van het dagelijks bestuur, die door hun pogingen de grond legden tot een raadsbesluit waarvoor volgende geslachten nog zullen danken.

Ondertekend door:
Van Heel
J.H.C. Kakebeeke
O. Verhagen
S. Piccardt
K. Broes van Dort
J. Mulder
C. de Fouw
J.A. Stokmans
D. Hildernisse
Van den Bussche
J.H. Janssen
W.J. de Weert
De Jongh
E. de Meulemeester
Krol van der Hoek
L. Meijers
G. van der Hoek
P.J. de Wijs
J.G. Johannissen
P.V. Becker
Elzevier Stokmans
J.A. van der Hoek
G.J. van Kalmthout
J.J. Hartman
P.J. van Kalmthout

De commissie van toezicht over de school voor middelbaar onderwijs stelt in september 1865 voor om op de Burgeravondschool tot leraar in de Nederlandse taal aan te stellen de heer W. Swart en tot leraar in de geschiedenis en aardrijkskunde de heer P. van Hiele, hoofdonderwijzers van de beide openbare scholen, ieder op een jaarwedde van ƒ 100. De commissie doet vooral dat voorstel omdat het zo gewenst is het lager aan het middelbaar onderwijs te doen aansluiten en de voorgedragen personen ruimschoots de vereiste bekwaamheid bezitten. Uit de toelichting namens het college blijkt dat de lessen op de Burgeravondschool om 8 uur ‘s avonds aanvangen.

Het jaarverslag over 1866 vermeldt:
Het is te betreuren dat voor de burgeravondschool, de werkbazen nog niet genoeg beseffen, het nut dat de burgeravondschool voor die knapen kan opleveren; de meesten toch willen de jongens niet op den bepaalde tijd, den winkel of het buitenwerk doen verlaten, waardoor zij of geheel van de burgeravondschool verstoken blijven of ongeregeld komende, geene vruchten van het gegeven onderwijs kunnen inoogsten’.

In mei 1867 oppert de commissie van toezicht over het bestuur van het weeshuis bezwaren tegen de regeling van de schooluren van de Burgeravondschool. In overleg met de inspecteur voor het middelbaar onderwijs wordt voorgesteld die school voortaan van de paasvakantie tot de volgende cursus te sluiten en dit mede te doen, wat de lopende cursus betreft, met het einde van deze week.
Raadslid Verhagen vindt het van belang om bekend te zijn met het aantal leerlingen dat van de avondschool gebruik maakt. En ook het getal van de leerlingen, dat in de zomer de lessen verzuimt. Hij is namelijk geïnformeerd dat er bij de ambachtslieden geen zucht tot medewerking is.
De voorzitter en de heer De Laat de Kanter delen mee, dat het grootste getal leerlingen herhaaldelijk de lessen niet bijwoont en dus moet weggezonden worden, omdat zij te veel verzuimen. Om die reden willen zij volgaarne hun stem geven aan het voorstel van de commissie.
Wethouder Fransen van de Putte heeft nòg een argument voor het voorstel van de commissie. Namelijk dat de ambachtsleerlingen in de zomer al om 5 uur ‘s morgens, soms zelfs vroeger, met werken aanvangen tot ’s avonds 7 uur, zodat ze, zeer natuurlijk, door vermoeidheid slechts weinig lust tot leren hebben. Zonder nu te willen beweren dat de heren over het algemeen het onderwijs tegenwerken, erkent hij graag dat ze zeer weinig medewerking betonen. Hij betreurt het dat de weldaden van het uitstekend onderwijs door de ambachtslieden niet meer op prijs worden gesteld.
Het voorstel van het college wordt met algemene stemmen aangenomen.
De gemeenteraad benoemt in december 1867 in de plaats van de overleden heer P. van Hiele tot leraar in de geschiedenis en aardrijkskunde aan de Burgeravondschool de heer C.J. Witte.

Breischool

In september 1866 krijgt Pieternella Nonnekes, echtgenote van G. Verheule, vergunning om in haar woning in de Ossenhoofdstraat D 165 een breischool te houden. Het lokaal heeft een hoogte van 3 el, een lengte van 3.7 el en een breedte van 3.1 el.

Schoolstrijd om vaccinatie leerlingen

In november 1864 komen verzoeken bij het gemeentebestuur binnen over de verplichte vaccinatie voor schoolgaande kinderen. Het ene is van de heer H. Bloemendal en betreft een verzoek over het niet toepassen van artikel 59 voor de bijzondere school Nathaniël. Het andere verzoek is van de heer C.C. van den Bosch en betreft het niet toepassen van genoemd artikel voor de bijzondere scholen in deze gemeente. Het derde is van de heer ds. J. Drost en betreft het niet toepassen van genoemd artikel op al de scholen.
De gemeenteraad besluit de verzoeken van de heren Bloemendal en Van den Bosch van de hand te wijzen met 7 voor en 1 stem tegen (van de heer Saaymans Vader).
Raadslid Saaymans Vader houdt in de raadsvergadering een uitvoerig betoog ‘en ontwikkelt de gronden volgens welke hij meent dat de raad niet bevoegd is de vaccinatie verplichtend te maken’. Hij dringt erop aan nu reeds artikel 59 van de desbetreffende Verordening te wijzigen.

Er vindt in de vergadering van de gemeenteraad van augustus 1866 een buitengewoon uitvoerige bespreking plaats over het voorstel van raadslid Van den Bosch tot verhoging van de schoolgelden. Buitensporig lang zijn de beschouwingen van sommige raadsleden.
Ook de plaatselijke commissie geeft een uitvoerig commentaar op het voorstel van de heer Van den Bosch.
Raadslid Broes van Dort zegt hierover onder meer:
De loop echter, die de debatten deze avond genomen hebben, de geest die erin doorstraalt; de woorden, die er gebezigd zijn; dit alles noopt mij om nog een enkel kort woord in het midden te brengen.
En dan mag ik in de eerste plaats mijn leedwezen niet ontveinzen over sommige uitdrukkingen die gebezigd zijn in het zo even voorgelezen rapport van de plaatselijke schoolcommissie. Uitdrukkingen die ik hier niet zal specialiseren, maar die mij toeschijnen insinuaties te bevatten tegen de geachte voorsteller die hij niet verdiend heeft en waarvan men, in elk geval, in gebreke is gebleven het bewijs te leveren.
Evenmin hebben de discussies, met hoeveel redenaarstalent ook gevoerd, zich ditmaal gekenmerkt door dien geest van waardigheid en kalmte, dien ik een eerste vereiste reken bij de verdediging ener goede zaak. Men is daarbij, wellicht zonder het te willen, vervallen in een kritiek van bedoelingen die, zo ze in deze vergadering ingang en weerklank mogten vinden, ieder lid van den raad in het vervolg zou moeten terughouden om een voorstel te doen. Niemand toch zou op die wijze gewaarborgd zijn dat zelfs zijne edelste drijfveren niet in een verkeerd daglicht zullen worden gesteld. Dat behoort zo niet’.
Daarna sluit de voorzitter de discussies en brengt beide voorstellen in hoofdelijke stemming. Ze worden verworpen met 6 tegen 2 stemmen voor. Voor stemmen de heren C.C. van den Bosch en mr. P.H. Saaijmans Vader. Vanwege het vergevorderd uur wordt de vergadering gesloten en de overige punten tot een volgende vergadering aangehouden.

Overige zaken onderwijs

In 1862 ontvangt het gemeentebestuur een adres aan de gemeenteraad van enige ouders van schoolgaande kinderen in deze gemeente. Ze verzoeken, om daarvoor aangevoerde redenen, de schooltijden voor zoveel de dagschool betreft voor al de gemeentescholen gelijk te stellen van 9 tot 12 uur des voormiddags en van 1 of 2 uur tot 4 uur des namiddags. Dit schrijven wordt eerst voor advies in handen gesteld van de plaatselijke schoolcommissie. Dokter K. Broes van Dort uit zijn bezwaren tegen een eventuele wijziging van de schooluren om redenen van gezondheid voor de kinderen.

P.F. van Slijpe geeft in februari 1868 kennis van het volgende:
Door de edelachtbare heer Saaymans Vader is verzocht zijn dochter Gabrielle een paar malen per week des avonds een uur les te geven'. De commissie van toezicht op de scholen voor middelbaar onderwijs schrijft: ‘Onder terugzending van het verzoek van de leraar P.F. van Slijpe om privaatles te mogen geven aan mejuffrouw Gabrielle Saaymans Vader, in onze handen gesteld door de burgemeester, hebben wij de eer u te berichten dat tegen het verlenen der gevraagde vergunning bij ons geen bedenking bestaat