Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare orde en veiligheid (1861 - 1868)

Brandweer

De brandweer in de gemeente bestaat uit 2 generale brandmeesters, 4 brandmeesters, 8 onder brandmeesters, 16 tellers, 4 boden en 360 manschappen. De brandblusmiddelen bestaan in vier stel brandspuiten, waarvan een als aanjager of zuig- en perspomp werkt en de andere alleen als perspomp.

Er doen zich in deze jaren verscheidene grote branden voor.
Zo treft het dorp Kloetinge een ramp door de brand in de kerktoren op 13 maart 1861.
Het gemeentebestuur van Kloetinge schrijft in een bedankbrief voor de hulp van de Goese brandweer het volgende:
Bij de ramp die gisterennamiddag onze gemeente bedreigde, mochten wij bij vernieuwing ervaren de grote bereidvaardigheid waarmede uw college daar waar het kan en behoefte schijnt te bestaan, placht hulp te bieden. De ijver waarmede wij gisteren ter gelegenheid van de brand in onze toren uw voortreffelijke brandweer, ruimschoots van brandblusmiddelen voorzien, onze gemeente zagen binnen snellen en de vaardigheid waarmede in een ogenblik des tijds alles tot een krachtdadig hulpbetoon was gereed, heeft onze dankbaarheid in hoge mate opgewekt en de overtuiging verlevendigd dat de nabuurschap van Goes in tijden van nood voor onze gemeente een onwaardeerbaar voorrecht is. Gelieft, Mijne Heeren! de opregte betuiging dier dankbaarheid aan te nemen en haar namens ons aan het bestuur uwer brandweer over te brengen met en benevens de hierbij gaande som van ƒ 40’.

Ook op de 18e juli 1862 doet zich een brand voor op de hofstede ‘Goenje’ in de Wilhelminapolder. De directeur van de Wilhelminapolder, de heer I.G.J. van den Bosch te Wilhelminadorp, schrijft het gemeentebestuur een dankbetuiging voor de bereidvaardigheid en spoed waarmee de brandweer in de morgen van die dag getracht heeft hulp te verlenen bij deze brand. Hij verzoekt die dankbetuiging ook te willen overbrengen aan ‘hen die met de brandblusmiddelen zijn toegesneld’.

Ook op 17 januari 1864 doet zich een grote brand voor in de pastorie aan de Voorstad van ds. J. Drost, predikant van de Hervormde gemeente. Het pand brandt volledig af.
Een bijkomstigheid is dat het vriezend weer is en de stadsvest met ijs is bedekt, waardoor de brandspuiten aanvankelijk geen bluswater kunnen bemachtigen. Het gemeentebestuur bedankt met grote nadruk Marinus van Zweeden en Adriaan van der Bliek die met bewonderenswaardige volharding openingen hebben gemaakt in het ijs waarmee de stadsvest toen was overdekt. Zonder dat was het niet mogelijk geweest om zo spoedig met de brandspuiten te werken als nu heeft plaats gevonden. Hiervoor worden ze hartelijk dank betuigd.

De burgemeester doet de volgende dag de gemeenteraad de officiële mededeling, dat bij de noodlottige brand gisteravond de brandweer van Kloetinge, Wilhelminadorp en ’s-Heer Hendrikskinderen met de spuiten zijn toegesneld. Hij merkt op: ‘Het is alleen aan de voorbeeldige orde, door de schutterij gehandhaafd, en de onvermoeide en onbezweken ijver onzer brandweer, gepaard aan de krachtige hulp van buiten, te danken dat het is mogen gelukken de brand in zoverre te beperken, dat hij zich bij twee percelen heeft bepaald’.
Hij kan niet anders dan met de meeste lof van alles wat tot blussing is aangewend gewagen en stelt voor de welgemeende dank van deze vergadering toe te brengen aan allen, die daartoe zoveel hebben bijgebracht. Hij stelt voor het college van burgemeester en wethouders te machtigen een krediet te openen om, ook tot aanmoediging voor het vervolg, daaruit premies toe te kennen.
Raadslid mr. De Laat de Kanter juicht dit voorstel zeer toe. Hij wenst aan het college voor dat doel een onbepaald krediet te verlenen en geeft in overweging, om bij het overbrengen van de dank van de gemeenteraad aan de brandweer, vooral de tevredenheid te kennen te geven over de uitmuntende staat waarin zich de blusmiddelen bevonden. Daardoor is het mogelijk geweest om zoveel dat groot gevaar liep te behouden. Bij acclamatie besluit de gemeenteraad hiertoe.
In de volgende raadsvergadering deelt de burgemeester mee dat het college gebruik gemaakt heeft van het in hun gestelde vertrouwen en een bedrag van ƒ 155 heeft verdeeld onder de verschillende corporaties die geassisteerd hebben bij de noodlottige brand bij ds. Drost en wel als volgt: aan de schutterij van deze gemeente ƒ 25; de brandweer van Goes ƒ 75; die van Kloetinge ƒ 20; die van Wilhelminadorp ƒ 20 en die van ‘s-Heer Hendrikskinderen ƒ 15. Tevens deelt hij mee dat de brandweer als dankbetuiging van de Zierikzeese Brandwaarborg Maatschappij heeft ontvangen een bedrag van ƒ 20.
Ds. Drost doet de burgemeester het mondeling verzoek om tijdelijk het thans buiten gebruik zijnde woonhuis aan de Lange Kerkstraat van de heer Van den Bree, in leven Frans kostschoolhouder van deze gemeente, te mogen betrekken. Het gemeentebestuur overweegt ‘dat de heer Drost en zijn talrijk kroost op het onverwachts en op een noodlottige wijze van woning verstoken is’. Besloten wordt de gemeenteraad voor te stellen dit huis aan het predikantsgezin kosteloos in gebruik af te staan.

De burgemeester ontvangt enkele dagen na de brand een brief van de Commissaris van de Koning met het verzoek om zijn tevredenheid aan de brandweer van deze gemeente te betuigen ‘voor de ijver betoond tot blussing van de brand in de avond van de 17e januari in deze gemeente ontstaan’. Ook de brandweerkorpsen van de gemeenten ’s-Heer Arendskerke, Kattendijke en Kloetinge worden bedankt voor hun assistentie.

Ook de generale brandmeesters sturen het gemeentebestuur een proces-verbaal toe, opgemaakt wegens absent gebleven manschappen bij de brand van de 17e januari.
Dit wordt in handen gesteld van de commissaris van politie. Naar aanleiding van het rapport van de commissaris van politie wordt echter besloten de nalatig gebleven manschappen niet te vervolgen met inachtneming van de aangegeven redenen van verschoning.

Soms is er sprake van opmerkelijke absentie van brandweerlieden bij oefeningen van de brandweer. Zo brengt de commissaris van politie begin januari 1862 rapport uit over het door hem gedaan onderzoek naar de reden van absentie van sommige leden van de brandweer bij de in december gehouden oefeningen. Overwogen wordt dat afwezigheid vanwege zich tijdelijk bevinden buiten de gemeente een verschoonbare reden is. Dit is echter geenszins het geval bij het houden van oefeningen waartoe de manschappen tijdig worden opgeroepen. De gemeenteraad is van oordeel dat de strafbaarheid van de plaats gehad hebbende nalatigheid wordt overgelaten aan de competente rechter en de commissaris van politie.
Ook in juni 1863 sturen de generale brandmeesters een proces-verbaal naar het gemeentebestuur wegens absentie en nalatigheid bij de beproeving van de brandspuiten op maandag en dinsdag 8 en 9 juni. Ze verzoeken om, onder terugzending van de brief, met de uitslag van die vervolging te worden in kennis gesteld. Het gemeentebestuur besluit dit stuk toe te zenden aan de commissaris van politie voor een spoedige vervolging. De directie van het brandwezen wordt uitgenodigd de veranderingen te willen voordragen die door haar doelmatig worden geoordeeld.

Van andere orde is in januari 1863 de zeer gevaarlijke bewaarplaats van lucifers en buskruit, ontdekt bij Smolders. De commissaris van politie heeft een onderzoek ingesteld ‘welk onderzoek voldoende uitkomsten heeft opgeleverd’.

In november 1864 besluit de gemeenteraad op verzoek van de generale brandmeester Liebert hem te machtigen om in 1865 een aanbrenger voor spuit nummer 4 aan te schaffen en de kosten daarvan ten bedrage van ƒ 320 te vinden door het niet vernieuwen van slangen en het bezuinigen van ƒ 50 op de gewone onderhoudskosten alsook door het verkopen van de alsdan overbodig geworden zuigpomp.
Ook in augustus 1865 worden vernieuwingen aan de brandspuiten gedaan. Aangeschaft worden ongeveer honderd el geweven aanvoerslangen en 40 el persslangen voor ƒ 170. Voor de huur van een bergplaats voor de brandspuiten in het koor van de Grote kerk wordt honderd gulden uitgetrokken.

Politie

Commissaris van politie is deze jaren de heer J.C. Dominicus van den Bussche.
In 1861 zijn politieagenten van de eerste klasse W. Wolfers, C. Schuerveld, D. Dronkers en J. Maartense en van de tweede klasse H. Frenks, P. van Liere, L. Maartense en H. Duivewaardt.
In februari 1863 overlijdt politiedienaar Maartense. In zijn plaats wordt benoemd de 47-jarige politiedienaar der tweede klasse Hendrik Freriks. In de plaats van Freriks wordt aangesteld tot politiedienaar 2e klasse de 27-jarige Cornelis Verburg; deze maakt in 1867 plaats voor Adriaan Vink.
Er is ook een rijksveldwachter in de gemeente. Deze wordt per februari 1863 vervangen door de veldwachter der 2e klasse met de rang van brigadier Johannis Daniël de Leeuw, thans te Tholen.
Politiedienaar H. Duivewaardt wordt eind 1866 eervol ontslagen; in zijn plaats komt Jan Kriekaard.

Op 21 februari 1862 verleent de gemeenteraad politieagent J. Maartense een gratificatie van ƒ 25 voor ‘zeer moedig gedrag op 5 januari toen een zoontje van W.H. Benjaminse op een moeilijk bereikbare plaats in de vest door het ijs was gezakt. Bij welke gelegenheid Maartense, van dit voorval onderricht zijnde, ten aanzien van een grote menigte waarvan niemand de redding van het knaapje durfde ondernemen, zich te water heeft begeven en het kind opgehaald en aan wal gebracht heeft, alwaar het nog enige tekens van levens heeft gegeven, maar spoedig bezweken is’.

De commissaris van politie, J.C. Dominicus van den Bussche, verzoekt Zijne Majesteit de Koning in februari 1862 om verhoging van zijn jaarwedde. Hierover wordt het gevoelen van de gemeenteraad gevraagd. Het college van burgemeester en wethouders heeft bezwaar om het verzoek te ondersteunen gelet op de bijzondere duurte van de levensmiddelen en de huishuren in de gemeente. Bij een min gedrukte toestand zou het wenselijk zijn in het algemeen de jaarwedden van de gemeenteambtenaren te verhogen. Er zijn geen redenen om dit bij uitzondering voor de commissaris van politie te doen. Overigens wordt erkend dat een jaarwedde van ƒ 200 redelijk zou zijn; hij ontvangt nu ƒ 100. Ook de gemeenteopzichter ontvangt een jaarwedde van ƒ 200. Met name de raadsleden Fransen van de Putte, Saaymans Vader en De Knokke van der Meulen vinden dat zijn jaarwedde nu al verhoogd moet worden. Maar de meerderheid van de gemeenteraad steunt het advies van het college.
Maar zes jaar later, in juni 1868, dient Van den Bussche opnieuw een verzoek in om verhoging van de aan zijn functie verbonden jaarwedde. Raadslid De Knokke van der Meulen moppert dat dit nu al de derde keer is dat hij verhoging vraagt. Hij is er overigens wel van overtuigd dat zijn werkzaamheden zijn vermeerderd door de opening van het kanaal door Zuid-Beveland, waardoor een menigte van processen-verbaal tegen schippers die dat kanaal bevaren moet worden opgemaakt en hij voor het vele daaraan verbonden werk hulp nodig heeft en voor dat werk weinig beloning geniet.
Burgemeester Blaaubeen merkt op dat het hoofdverzoek van de commissaris is dat hij benoemd wil worden tot Commissaris der Rijkspolitie. Het is waar dat de werkzaamheden van het openbaar ministerie bij het kantongerecht zijn toegenomen, maar dat dit niet het geval is met de werkzaamheden voor de rijkspolitie. De gemeente dient geen lasten van het Rijk op zich te nemen. Met zeven stemmen voor en de stemmen van de voorzitter en raadslid mr. De Laat de Kanter tegen besluit de gemeenteraad tot verhoging van zijn jaarwedde met ƒ 300.

Het jaarverslag over 1866 vermeldt over de politiesterkte:
Ofschoon zoveel mogelijk naar behoren in de handhaving der politie wordt voorzien, moet evenwel worden opgemerkt, dat door de eerlang in werking te treden spoordienst, waarbij de gehele dag een of twee agenten zullen benodigd zijn, het getal der agenten wel te gering zal zijn om alles behoorlijk te kunnen surveilleren’.

Van het jaar 1868 volgen hier nog enkele voorvallen met betrekking tot de politie.
In juni rapporteert de agent van politie en onbezoldigd rijksveldwachter Wouter Wolfers dat hij omstreeks half vijf in de morgen heeft gezien dat Gerrit Breugelmans, koopman, in vodden en beenderen, met zijn kar bespannen met een hond is komen rijden over de wal bij de voormalige Koepoort. Toen hij de koopman zijn overtreding kenbaar maakte gaf deze hierop ten antwoord: ‘die strontige bagatellen daar kijk je na en het andere niet’. Hij heeft hiervan proces-verbaal opgemaakt.

Een ander voorval van een proces-verbaal van de commissaris van politie vindt ook plaats in juni 1868. De sigarenfabrikant Jacobus Johannes Le Cointre verklaarde dat hij hedenmorgen omstreeks negen uur zich in zijn winkel bevindende, door zijn werkster is geroepen geworden en deze heeft hem aangetoond de aan het raam aan de rechterzijde van zijn voordeur in de Lange Kerkstraat aan de publieke straat uitkomende de stopverf is uitgesneden geworden, kennelijk met het doel om er de ruit uit te nemen en zodoende te trachten binnen te sluipen.

Schutterij

Dienstdoende schutterij
Het bestuur van de schutterij bestaat uit een kapitein, een 1e luitenant, een 2e luitenant en een vaandrig. Tevens is er een officier van gezondheid.

In januari 1861 krijgt M.J. de Jong desgevraagd eervol ontslag als 1e luitenant.
F. Pieterse stuurt in augustus 1861 een staat van dienst in, waaruit blijkt dat hij 15 jaar in die functie heeft gediend. Hij verlangt begiftigd te worden met het ereteken van langdurige trouwe dienst. Hieraan wordt voldaan.

In januari 1863 wordt besloten, na overleg met de kommandant van de dienstdoende schutterij, de Commissaris van de Koning in antwoord op zijn brief te kennen te geven dat de schutterij geen gebruik zal maken van de aangeboden gelegenheid tot het bekomen van getrokken geweren voor de schietoefeningen, maar wel van de gelegenheid om de aanwezige 24 stuks sabels te wijzigen naar het nieuwe model.

De schutter Jacobus Daniël Ramondt verzoekt in februari 1863 ‘om zijn schuttersbroek, die hij voorlopig van de kommandant gekregen heeft, te mogen behouden gedurende zijn diensttijd om reden dat hij zich bezwaard gevoelt er zelf een aan te schaffen en er zoveel anderen van mijns gelijken zijn als mijn broeder M.D. Ramondt en meer anderen die er ook een gekregen hebben en hij zelf ook gaarne in dat voorregt zoude willen deelen’.

In juli 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning met de kennisgeving dat de luitenant-kolonel, inspecteur der draagbare wapens, het tijdstip zal opgeven waarop de bij de schutterij voorhanden sabels aan de kapitein, chef van de geweerwinkel te Delft, vrachtvrij kunnen worden opgezonden om bij die werkplaats gewijzigd te worden.

De kapitein kommandant van de dienstdoende schutterij stuurt in mei 1864 bericht van het voornemen om de 11e bij gunstig weer een aanvang te maken met het schieten naar de schijf tot oefening van de leden van de schutterij en wel op woensdagen en zaterdagen in de maanden juni tot en met september tussen 5 en 8 uur in de namiddag en deze tot eind september voort te zetten, ter gewone plaats in de Oosterschans, telkens des avonds in de richting van het zuidwesten naar het noordoosten.

In mei 1865 deelt de kommandant mee dat de schijfschieting van de dienstdoende schutterij op woensdag 7 juni een aanvang zal nemen en verder bij voorkomende gelegenheden op woensdagen en zaterdagen tot eind september zal worden voortgezet, telkens des namiddags om half vijf in de Oosterschans.

In augustus 1865 wordt gedelibereerd over het ingekomen verzoek van verscheidene schutters om uit hoofde van onvermogen te worden voorzien van uniformkleding. Besloten wordt het verzoek in te willigen ten behoeve van 21 personen, waaronder C. Knieriem, A. Knieriem, H. Baarends, C. van Fraassen en C. van Zweeden.

Met het oog op de toenemende belangstelling van de dienstdoende schutterijen in de schietoefeningen en de daardoor ontstane behoefte in verscheidene gemeenten aan een schietbaan heeft de Minister van Oorlog in mei 1867 bij zijn departement een zodanige baan doen ontwerpen. Deze kan met geringe kosten doelmatig en eenvoudig opgesteld worden en levert voldoende zekerheid op. Een schets van de schietbaan is door zijn excellentie aan de bevelhebbers in de militaire afdelingen gezonden, teneinde de gemeentebesturen in hun afdeling desverlangd daarvan inzage zouden kunnen krijgen.

Een archiefstuk van juli 1868 laat een berekening zien van de benodigde wapens en het ledergoed voor de dienstdoende schutterij te Goes, te weten 1 sergeant-majoor, 6 sergeanten, 1 foerier, 3 korporaals, 2 tamboers en 91 schutters, samen 109 manschappen. Hiervoor zijn nodig 106 geweren, 18 sabels en 106 patroontassen, bandeliers en gordels.

Handboogschutterij ‘de Arend’
Het gemeentebestuur ontvangt in februari 1864 een brief van de directie van de handboogschutterij ‘de Arend’ met het verzoek vergunning te verlenen om een steng tot het schieten naar de vogel te mogen plaatsen op de zogenaamde Stoofweide, behoudens schikking met de pachters van dat perceel.

De directie van de Handboog sociëteit ‘de Arend’ geeft in april 1864 kennis dat de sociëteit het voornemen heeft ‘een steng te plaatsen voor het schieten naar den vogel’. Deze is weliswaar in gereedheid doch zij hebben tot heden niet kunnen slagen om met particuliere eigenaren een akkoord te treffen om deze in de nabijheid van de stad te plaatsen. Ze krijgen toestemming om dit te doen op de bij de heer H. van den Berge in gebruik zijnde Stoofweide.

Handboogschutterij ‘Jacoba van Beijeren’
De Koninklijke Handboogschutterij ‘Jacoba van Beijeren’, in het bezit zijnde van een tweede Banier of Standaard, is voornemens deze op vrijdag 17 juni ‘s avonds om 8 uur in het lokaal op Slot Oostende te onthullen. De directie van de sociëteit verzoekt het gemeentebestuur ‘haar wel de hoge eer aan te doen bij die onthulling tegenwoordig te zijn’. Burgemeester en wethouders maken daarvan gebruik en bij die gelegenheid zal de vereniging een medaille worden uitgereikt.

De Koninklijke Handboog Sociëteit ‘Jacoba van Beijeren’ geeft in juli 1864 kennis dat ze op vrijdag de 29e juli door het geven van een concours ‘met den handboog naar het Doel’ haar 50-jarig bestaan feestelijk wil herdenken. Ze neemt de vrijheid het gemeentebestuur te verzoeken haar wel met een bezoek te willen vereren en alzo op die dag des namiddags om 5 uur op het schoolplein ‘het Ravelijn’ tegenwoordig te zijn.
Er zit een paars gekleurd Programma voor het concours op het Slot Oostende, bewoond door J.J. Koens, bij, met de route die men vanaf het Slot zal lopen tot het schietplein. Tot afsluiting van het feest zal er ‘s avonds om 9 uur een Bal worden gehouden.
Ondertekend door W.A. Anemaet, hoofdman, en M.C. Zandijk, secretaris.
Aan de uitnodiging geeft het college van burgemeester en wethouders gehoor.

Schijf schieten
Notaris Mr. Johannes Louis Herbertus Liebert wenst in juli 1861 met enige vrienden en bekenden van tijd tot tijd op het Ravelijn, in gebruik bij J. Koens, in de aldaar aanwezige omwalling doel of schijf te schieten met een pistool.

Openbare orde

Bedelarij
In februari 1862 vestigt raadslid Saaymans Vader in de gemeenteraad bij de rondvraag de aandacht op het schandelijk bedelen dat binnen de gemeente plaats heeft, vooral op de marktdagen. Hij zegt: ‘Dan toch versperren de bedelaars de landlieden als het ware de weg, trekken en hangen hun aan de klederen en laten niet af tenzij hun een aalmoes wordt gegeven’. Hij geeft in overweging enige maatregelen te nemen.
De voorzitter zegt ‘dat er werkelijk door de politiebeambten op het bedelen gesurveilleerd wordt en zij op de marktdagen, als meestal bevinding, op die plaatsen waar de landlieden het meest overlast wordt aangedaan, dat zij evenwel niet overal tegelijk kunnen zijn en wat het ergste is, dat hun pogingen meestal afstuiten op de onwil van de ingezetenen om tot het beteugelen van de bedelarij mee te werken’. De heer Fransen van de Putte geeft in overweging bij publicatie tegen dat kwaad te waarschuwen en de politiedienaars met meer dan gewone zorg erop te laten toezien. De burgemeester zegt toe dat hij die aangelegenheid niet uit het oog zal verliezen.

Bij de begrotingsbehandeling van 28 oktober 1865 merkt raadslid O. Verhagen het volgende op: ‘Hij bedoelt het ergerlijk misbruik, dat des dinsdags binnen deze gemeente gemaakt wordt van het bedelen. Hij gelooft niet dat het bij de leden van de raad bekend is. Men moet toch om het ergerlijke daarvan te kennen, zich des dinsdags bewegen op plaatsen die door velen onzer op de uren dat dit plaats heeft zelden bezocht worden. Hij bedoelt des morgens bij het binnenkomen der landlieden aan de ingangen van de stad en des namiddags bij het verlaten, maar vooral ook bij de afspanningen tussen 1 en 2 uur. Hij betreurt dit schandelijk bedelen te meer, omdat men werkelijk kan zeggen dat te dezer plaatse voldoende hulp verleend wordt, althans kan worden, dan dat men zulke schandalen oogluikend zou moeten toelaten.
De voorzitter zegt, dat om de bedelarij te weren men wel een leger van agenten van politie moest houden, maar betreurt het dat de burgerij zelfs zo schaamteloos medewerkt om de bedelarij te bevorderen, instede van die tegen te gaan, door aan de huisdeuren giften te verstrekken’.
In de notulen van de raadsvergadering van 21 november 1865 staat vermeld:
Daarna besluit de raad evenals in vorige jaren door de uitdeling van eetwaren en brandstoffen op den nieuwjaarsdag, het bedelen tegen te gaan. De heer Fransen van de Putte zal de functie van voorzitter van de commissie wederom op zich nemen’.

Burgemeester en wethouders maken op 24 oktober 1868 bekend dat ze met leedwezen bemerken dat de bedelarij in deze gemeente wederom op schaamteloze wijze toeneemt. Overwogen wordt dat bedelarij luiheid en zedeloosheid voedt, de goede werking der armverzorging verlamt en alzo als een ernstig maatschappelijk kwaad moet worden aangemerkt. Besloten is te waarschuwen tegen het bedelen, dewijl daarop streng zal worden gewaakt en tegen de schuldigen proces-verbaal opgemaakt en dringend uit te nodigen de meer gegoeden om niet meer aan hun huizen of aan de bedelaars hun giften uit te reiken.

Koffiesiroop
In juni 1863 komt in de raadsvergadering een brief van de plaatselijke commissie van geneeskundig onderzoek aan de orde. Deze bevat een kennisgeving van een door haar gedaan scheikundig onderzoek van de koffiestroop die in de gemeente verkocht wordt en de bij die gelegenheid gedane ontdekking dat deze met plusminus 36 procent vreemde bestanddelen is vermengd en wel met zand, krijt en gemalen steenkolen.

De gemeenteraad besluit van die bevinding openbare bekendmaking te doen en de handelaren in dat fabricaat speciaal te wijzen op de bepaling van de Wet van 19 mei 1829 voor het beteugelen van eet- en drinkwaren met schadelijke zelfstandigheden. Ook wordt besloten aan de geneeskundige commissie de dank van de vergadering te betuigen voor haar gedane mededeling.

Voetzoekers en vuurpijlen
In februari 1863 doen burgemeester en wethouders, naar aanleiding van artikel 17 van het ‘Brandreglement in de gemeente Goes’, de bekendmaking dat het in de avond van de 19e dezer, bij gelegenheid van ‘s Konings jaardag, geoorloofd is voetzoekers, vuurpijlen en andere vuurwerken af te steken, doch uitsluitend op de Grote Markt, de Vlasmarkt, de Beestenmarkt en de Grote kaai. En dat het verboden blijft dit elders te doen, zo mede het schieten van kanonnetjes, snaphanen, pistolen, donderbussen en ander geweer, op straffe bij voormeld reglement bedreigd.

Vernielzucht
In augustus 1865 geeft raadslid Saaymans Vader het college in overweging in hoever het doelmatig kan worden geacht om voor de ramen van de weverij latwerk aan te brengen tot beveiliging van de ruiten, die nu voortdurend worden ingeworpen. De voorzitter antwoordt dat het onmogelijk is dit te voorkomen en het met de glazen van de kerk hetzelfde geval is.

Suikergoed
De openbare gezondheidscommissie stelt het gemeentebestuur in november 1866 voor om bij advertentie in de Goessche Courant de ingezetenen te waarschuwen voor het gebruik van gekleurd suikergoed, bonbons en dergelijke in met het Sint Nicolaasfeest te koop gestelde eetwaren, omdat deze dikwijls met voor de gezondheid schadelijke verfstoffen gekleurd worden.

Loterijen
S.J. de Jonge krijgt in juni 1864 vergunning om een onderhandse loterij te houden met een aantal loten van 133 à 75 cent het lot. De verloting zal plaatsvinden ten huize van de heer P. Rose op 16 juli om 18 uur. De loten bestaan uit:
2 Amerikaanse klokken ƒ 48;
1 Smallegange Kroniek van Zeeland ƒ 16;
1 Wagenaar Vaderlandse Historiën ƒ 10;
1 grote Duitsche pijp met ingelegd roer ƒ 3,50;
2 tekendozen ƒ 6;
2 stereoscopen ieder met 12 platen ƒ 15,75;
1 kinder dito ƒ 1,50;
1 waterpas in koker ƒ 2.

Maatregelen tegen brandgevaar
Bij de behandeling van wijzigingen in het Brandreglement in de raadsvergadering van 6 mei 1868 acht wethouder Fransen van de Putte het wenselijk artikel 10 te lezen als volgt: ‘Het is verboden in de kom der gemeente bergplaatsen van hooi en stro daar te stellen, hooibergen aan te leggen en hetgeen verder in dat artikel volgt’. De gemeenteraad besluit hiertoe.
Ook wordt op voorstel van raadslid O. Verhagen de wijziging opgenomen: ‘Ongezuiverde petroleum en nafta mag in deze gemeente niet worden aangevoerd, vervoerd, bewaard of verkocht, zonder verlof van de politie’.

Kermis
In verband met het heersen van de cholera stelt het college de gemeenteraad in juli 1866 voor, in navolging van andere gemeenten, de kermis dit jaar niet te doen plaats hebben. Dit voorstel wordt door de gemeenteraad zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

In augustus 1868 deelt M. de Jonge mee het plan te hebben gedurende de kermis voor zijn deur een waranda te maken.

Niet houden veemarkten
In oktober 1866 ontvangt het gemeentebestuur een adres van 138 ingezetenen, allen handelaren of winkeliers in de gemeente. Ze geven te kennen dat vorig jaar de veemarkten en dit jaar de kermis om bij de gemeenteraad overwegende redenen niet zijn mogen gehouden worden; dat adressanten daarin hebben berust, overtuigd dat rijpe overweging tot die besluiten had geleid; dat daardoor evenwel aan de handel in het algemeen, doch aan de kleinhandel in het bijzonder, een gevoelige slag is toegebracht; dat thans opnieuw het tijdstip staat aan te breken waarop de gewone veemarkten plegen gehouden te worden. Ze menen dat er thans gronden aanwezig zijn die voor het laten voortgaan van de veemarkten pleiten. Ze noemen vervolgens vijf argumenten.

De voorzitter zegt dat het college de ingezetenen erkentelijk is voor de lijdzaamheid waarmee door de burgerij is gedragen zowel het besluit om de toondagen vorig jaar als de kermis dit jaar niet te houden. Ze hebben het adres rijpelijk overwogen en zijn om die en de daarin opgegeven gronden genegen het verzoek in te willigen. Daarvoor doet het college de gemeenteraad een voorstel. Dit wordt met 8 tegen 2 stemmen ingewilligd (tegen stemmen de leden Van den Bosch en Saaijmans Vader).

Overtredingen
In april 1861 ontvangt het gemeentebestuur van de commissaris van politie een afschrift van een proces-verbaal, opgemaakt tegen J. Driesprong wegens het rijden over de Markt en het breken van de afsluitingsketting voor het Stadhuis.

Rechtbank

Tot begin de zestiger jaren waren in Goes een kantongerecht en een arrondissementrechtbank gevestigd.

In juli 1862 deelt voorzitter Blaaubeen de leden van de gemeenteraad mee dat ze ‘voorzeker, evenals hij, met diep leedwezen hebben vernomen het voornemen van de Minister van Justitie om de arrondissementrechtbank alhier op te heffen en over te brengen naar de gemeente Sas van Gent’. Hij stelt voor om namens de gemeenteraad een adres in te dienen bij de Tweede Kamer van de Staten-Generaal met het verzoek om het wetsontwerp waarin de vestiging van een arrondissementrechtsbank te Sas van Gent wordt voorgedragen, niet aan te nemen. Immers zo mogelijk Goes te laten in het bezit van zijn rechtbank. Dit tweeledig voorstel wordt zonder discussie aangenomen.

In de vergadering van de gemeenteraad van 15 september 1862 brengt de voorzitter ter tafel een door hem opgesteld adres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal tot behoud van de arrondissementrechtbank binnen deze gemeente.
Het concept is rondgezonden geweest bij de leden van de gemeenteraad. Er zijn geen opmerkingen over gemaakt. De heer De Knokke van der Meulen betuigt namens de vergadering de voorzitter dank voor de uitmuntende samenstelling van het adres. Het stuk wordt in druk toegezonden aan de voorzitter van de Tweede Kamer.

In december 1862 ontvangt de burgemeester met een brief van Gedeputeerde Staten afdrukken van het bestek en de bekendmaking van het driejarig onderhoud van het gebouw dat in gebruik is bij het provinciaal gerechtshof.

In augustus 1865 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissaris van de Koning met het verzoek om bericht en raad aan de Minister van Binnenlandse zaken ten aanzien van een schrijven van de heer mr. J.W. de Querlemont, substituut-Officier van Justitie bij de arrondissementrechtbank te Goes. Deze persoon verzoekt aangesteld te mogen worden als 2e luitenant à la suite bij de dienstdoende schutterij van deze gemeente. Er is bezwaar ingediend en dit heeft geleid tot correspondentie. Besloten wordt de loop van deze zaak aan de Commissaris van de Koning over te laten.

Op 25 november 1865 schrijft het college van burgemeester en wethouders aan de Minister van Justitie: ‘Bij de behandeling van de begroting heeft de gemeenteraad eenparig het gevoelen geuit dat, bij de gedrukte financiële toestand waarin deze gemeente verkeert, het onverantwoordelijk is de lokalen, bij de arrondissementrechtbank en het kantongerecht sedert jaren kosteloos in gebruik, op dien voet langer aan het Rijk af te staan. De gemeenteraad heeft het college uitgenodigd u met deze zienswijze bekend te maken en bij bestendiging van het gebruik van deze lokalen op een convenabele jaarlijkse huurprijs als door vele andere gemeenten genoten bij u beleefd aan te dringen’.

Eind januari 1866 komt er een reactie van de Minister van Justitie op het verzoek van de gemeenteraad om vergoeding voor het gebruik van de lokalen van de rechtbank en het kantongerecht. Hij deelt mee geen bezwaar te hebben het verzoek in te willigen doch meent dat een vergoeding van ƒ 700 per jaar voldoende is. Hij stelt voor een overeenkomst hiervoor aan te gaan.

In mei 1867 fungeert ook mr. J.A. van Hoek, wonend in de Wijngaardstraat in wijk A nummer 173, als substituut-officier.

Notarissen

In januari 1866 overlijdt notaris mr. A. Smallegange.

Er komt een mededeling van de Commissaris van de Koning dat tot notaris in het arrondissement Goes is benoemd mr. Johannis Louis Hubertus Liebert, kandidaat-notaris en procureur bij en rechter-plaatsvervanger in de arrondissementrechtbank aldaar in de plaats van de overleden notaris Smallegange.

Het gemeentebestuur ontvangt in februari 1866 een brief van de heer W.A. Anemaat, waarbij op de voorgrond wordt gesteld dat de heer mr. J.L.H. Liebert, benoemd tot notaris, voor zijn betrekking van boekhouder in de leenbank zal moeten bedanken. Deze betrekkingen zijn op grond van de Wet op het notarisambt onverenigbaar zijn.

Bordelen of huizen van ontucht

In december 1866 verzoekt Carolus Maes verlof tot het houden van een zogenaamd speel- of nachthuis en wel in het pand in wijk C nummer 254. Hij verklaart zich bereid tot zoveel mogelijke voorkoming van prostitutie en de gevolgen daarvan, de publieke vrouwen die zich in zijn nachthuis zullen bevinden in het algemeen belang te laten visiteren, mits de kosten daarvan niet ten laste van hem worden gebracht. Hij belooft verder zich te zullen gedragen naar de voorschriften die de gemeenteraad of de burgemeester in het belang van een goede politie doelmatig en nodig zullen achten.

De gemeenteraad houdt zich in juli 1867 bezig met een ontwerp voor een Verordening op de huizen van ontucht en publieke vrouwen.
Raadslid Saaymans Vader vraagt of er uitgemaakt is dat in deze gemeente, waar geen garnizoen ligt en geen zeevaart plaats heeft, dergelijke huizen door het bestuur behoren te worden toegelaten. De burgemeester antwoordt dat dit punt sedert lang een onderwerp van beraadslaging bij de gezondheidscommissie is geweest. Deze heeft sedert jaren op een regeling uit een sanitair oogpunt aangedrongen. De commissie acht zo’n verordening hoogstnoodzakelijk ‘teneinde de meer en meer toenemende syfilitische ziekten te keer te gaan, zullende door het toelaten van publieke huizen en vrouwen de zedeloosheid meer gebreideld dan uitgebreid worden’.
Raadslid Van den Bosch kan zich omtrent dit punt niet verklaren. ‘Hij beschouwt alleen het verschijnsel zoals het zich voordoet en betreurt het dat het noodzakelijk wordt geacht een dergelijk voorstel te doen. Hij kan de opmerking niet weerhouden dat hier opnieuw het bewijs wordt geleverd, dat naarmate het godsdienstig onderbewustzijn vermindert, de zedeloosheid toeneemt, en dat dit grotendeels is toe te schrijven aan de richting van het openbaar onderwijs, waarbij alleen op de verstandelijke ontwikkeling wordt gelet, doch de zedelijke ontwikkeling geheel verwaarloosd’.
Deze opmerking wordt op felle wijze bestreden door de raadsleden De Laat de Kanter en Fransen van de Putte.

In juni 1868 wendt Pieter Godefridus Visscher, wonende in het huis in wijk A 191 of 190 aan de Wijngaardstraat, zich tot het gemeentebestuur. Hij verzoekt toestemming ‘om ook in het genot te mogen delen, evenals anderen, om te zijnen huize te mogen houden Meisjes, welke volgens de Politieverordening aan de visitatie zullen voldoen. Aangezien zijn huis te allen tijde op een fatsoenlijke wijze is ingericht, alwaar geen sterke dranken te bekomen zijn en niets minder dan 25 cent wordt getapt, zodat elk niet in huis komt te allen tijde voor de goede orde te blijven bewaren. Aangezien er toch veelal in elke stad een fatsoenlijk huis meestal bestaat waar een Heer wel is in de Stilte wil komen. Zo hoopt hij dat uw edel achtbaren toch aan zijn dringend verlangen en verzoek mag voldoen om hem die toestemming te verlenen, daar hij zich anders niet in staat bevindt om zijn schatten en lasten op te kunnen brengen welke al zo groot zijn’.

In de stad is ook het zogenaamde Rachabs huis in wijk D nummer 176a. In juli 1868 deelt de metselaar Jan Plazier het gemeentebestuur mee voornemens te zijn het Rachabs huis af te breken tot vijf palmen onder het dak en daarna weer op te bouwen.