Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1861 - 1868)

Grote of Maria Magdalenakerk

De kerktoren
Er ontstaan in 1867 grote zorgen over het verzakken van de toren van de Grote kerk.
In maart 1867 wordt geconstateerd dat de kerktoren scheuren vertoont, vermoedelijk door verzakking. Uit een onderzoek van de gemeentebouwmeester D. de Koning blijkt dat de toren aan het verzakken is doordat de steunbalken zodanig zijn doorgebogen dat deze in aanraking komen met het gewelf van de kerk. Daardoor vertoont deze scheuren. Een begroting van kosten voor de restauratiewerkzaamheden, bestaande uit eikenhouten leggers, een vloer onder het uurwerk, ondersteuning van de toren, arbeidsloon, smeedwerk en leidekkerswerk, bedraagt ƒ 4.924.
Voorzitter Blaaubeen deelt de leden van de gemeenteraad op 12 april 1867 mee ‘dat sedert enige tijd ter kennis van het college is gebracht dat er een verzakking aan de kerktoren bespeurd was, doch zonder dat bij daarop gedane inspectie door de opzichter van gemeentewerken en de bouwkundige van de Hervormde kerk enige noemenswaardige verandering bespeurd werden’.

Het college van burgemeester en wethouders vond het evenwel van belang om een nauwkeurig onderzoek in te stellen en dit op te dragen aan de gemeentelijke bouwmeester. Deze heeft daaraan voldaan en een rapport uitgebracht, waarin hij de globale kosten van de te verrichten herstelling begroot op ƒ 4.900. Onverwijld is meerdere steun aan de toren aangebracht. De kosten daarvan hebben ruim ƒ 100 bedragen.
De voorzitter merkt verder op dat vroegere stukken aangaande de toren bijeen zijn verzameld, onder andere ook de daarover aangegane overeenkomst tussen de raad der stad Goes en de kerkvoogden van de Hervormde gemeente van 20 juli 1835.
Deze overeenkomst berust op een zijns inziens ‘erroneuse’ grondslag. Door Gedeputeerde Staten werd aangegeven als zou, volgens artikel 6 van de additionele artikelen bij de acte van Staatsregeling van 17 maart 1798, de toren met toebehoren te beschouwen zijn als een eigendom van de kerkelijke gemeente, terwijl juist dat artikel het tegendeel schijnt te bepalen.
Het is volgens hem van het hoogste belang dat dit punt wordt uitgezocht, teneinde de rechten van de burgerlijke gemeente op goede grond te vestigen. Zou de gemeente eigenares zijn, dan heeft zij alleen te beslissen of de toren hersteld dan wel afgebroken zal worden. Dan behoort de afbraak aan de gemeente. Is daarentegen de kerkelijke gemeente eigenares, dan heeft deze als zodanig haar rechten.
Hij stelt voor de stukken ter inzage van de leden op de burgemeesterskamer te deponeren. Dringend worden de leden uitgenodigd om daarvan kennis te nemen, zodat spoedig deze aangelegenheid in behandeling kan worden genomen.
Raadslid O. Verhagen zegt bereids inzage van die stukken genomen te hebben. Zijns inziens is de toren met toebehoren het eigendom van de kerk, maar verplicht de transactie van 1835 de gemeente tot het onderhoud daarvan.
De gemeenteraad neemt het voorstel van de voorzitter over.

In de vergadering van de gemeenteraad van 22 mei 1867 komt de voorzitter terug op de toestand van de kerktoren. Hij meent dat de gemeente spoedig tot voorzieningen zal moeten overgaan. Volgens het rapport van de gemeentelijke bouwmeester van 20 mei 1867 is er nog altijd werking in de toren te bespeuren. De kosten zijn globaal berekend op ƒ 5.000. Tot dekking daarvan zijn twee oplossingen voorhanden, te weten:

  • het gebruik van de gelden die de gemeente tegoed heeft van het Rijk voor de afstand van de grond voor de nieuwe gevangenis en het nalaten van het werk voor het dempen van de stinksloten in de achterhaven;
  • het gebruik van de gelden voor de gevangenis en hetgeen dan nog te kort is uit te trekken in de begroting voor 1868.

De raadsleden De Laat de Kanter en Verhagen stellen voor de deliberaties over dit onderwerp aan te houden en de stukken bij de leden van de gemeenteraad rond te zenden. Daartoe wordt besloten.

In de raadsvergadering van 5 juni 1867 deelt de voorzitter mee dat de bezwaren van de verzakking van de kerktoren alleen op gissingen berusten en daarover nog niets met zekerheid is te zeggen. Nu echter het tijdstip van het herstellen van het uurwerk en het jaarlijks versteken van de speeltrommel is aangebroken, komt het het college voor dat dit een geschikte gelegenheid is om de zaak grondig te onderzoeken. Dit kan door de gehele speeltrommel van het klokkenspel en een gedeelte van de plankenvloer waar het speelwerk op rust, weg te nemen. Daarna kunnen de gebinten in ogenschouw worden genomen. Hij vertrouwt dat de gemeenteraad dit plan zal goedkeuren en de aan te wenden kosten voor een en ander zal honoreren. Het voorstel wordt met algemene stemmen overgenomen.
Op 25 juni 1867 wordt een brief voorgelezen van de gemeentelijke bouwmeester betreffende de toren. Bij de brief is een tekening en een berekening van de kosten gevoegd.

In de vergadering van de gemeenteraad van 25 juli 1867 deelt voorzitter Blaaubeen mee, ingevolge de hem opgedragen last, gesproken te hebben met de president van de kerkvoogdij van de Hervormde gemeente over het herstel betreffende de toren. De tekeningen zijn hem ter hand gesteld. Hij heeft aangedrongen op een bijdrage van de kerkvoogdij.
Daarop heeft de kerkvoogdij meegedeeld dat de kerkelijke fondsen enkel bestemd zijn en besteed mogen worden voor de eredienst. De kerkelijke gemeente heeft niet het minste belang bij het hebben of behouden van een toren die uitsluitend bestemd is en ook gebruikt wordt voor de burgerlijke gemeente. Volgens haar is de toren met het uurwerk en het klokkenspel geheel voor rekening van de gemeente en komen de overige hoek- of keelkepers voor rekening van de kerk. De kerkvoogdij heeft dan ook besloten geen bijdrage te verlenen aan het onderhoud van de toren.

In de volgende raadsvergadering, die van 21 augustus 1867, deelt de voorzitter mee dat het college gemeend heeft, met het oog op het verzoek van de kerkvoogdij om spoedig bericht aangaande de kerktoren, nu reeds ter tafel van de gemeenteraad te brengen een concept besluit. Dit luidt als volgt:

De gemeenteraad van Goes;

gezien de rapporten van de bouwmeester van de gemeente over de toestand van de kerktoren, waarin het uur- en speelwerk zich bevindt, en de tot behoud van de toren aan te wenden middelen met een begroting van kosten;

gezien de resolutie van de kerkvoogden, waarbij dit college zich onbevoegd en onverplicht verklaart zich met het herstel van de toren te belasten of in de kosten bij te dragen;

gezien de overeenkomst met betrekking tot het onderhoud van de toren van 20 juni 1835 tussen de gemeenteraad en de kerkvoogden der Hervormde gemeente;

overwegende dat het wenselijk is dat de kerktoren met het uur- en speelwerk behouden blijven;

dat echter op de burgerlijke gemeente geenszins de verplichting rust om de kosten voor haar rekening te nemen en haar financiële krachten daarenboven dit bezwaarlijk zouden gedogen;

besluit:

  1. Aan de kerkvoogden voor te stellen om de kerktoren met het uur- en speelwerk te behouden, dit voor gemene rekening, dat is ieder voor de helft van de kosten van dat behoud dragende, en in voege als door de bouwmeester der gemeente is ontworpen of op zodanige andere wijze als in gemeen overleg met de kerkvoogden zal worden bepaald.
  2. Voor het geval dit voorstel niet door kerkvoogden mocht worden aangenomen, af te zien van alle verder gebruik van de kerktoren, speciaal van het daarin voor rekening van de gemeente geplaatste uur- en speelwerk, alle onderhoud van die toren te staken en aan kerkvoogden over te laten het nemen van zodanige maatregelen als zij met het oog op de gevaarlijke toestand van die toren ter voorkoming van ongelukken zullen geraden oordelen.
  3. In dit laatste geval een uurwerk in de stadhuistoren te doen plaatsen, waarvan de plantekening en begroting met de meeste spoed aan de goedkeuring van de raad zullen worden onderworpen.

De voorzitter deelt mee dat het nemen van een besluit wel urgent is ‘daar in den laatsten tijd veel werking in den toren bespeurd is’.
Raadslid Van Voorst Vader zegt dat hij met grond meent te kunnen verzekeren dat het voorstel bij het kerkbestuur geen ingang zal vinden. Hij acht het ook niet billijk de kerkelijke gemeente de helft van de kosten te laten dragen van een toren waarbij zij geen het minste belang heeft.
De voorzitter bestrijdt dit echter.
Van Voorst Vader repliceert dat, als men het onderhoud beter behartigd had, bij voorbeeld door de vermolmde balken bijtijds door gave te vervangen, de toren zich thans niet in deze ongunstige toestand zou bevinden en dat wel niemand zal tegenspreken dat de thans bestaande calamiteit het gevolg is van de verwaarlozing van het onderhoud.
Voorzitter Blaaubeen zegt dat hij die bewering op de krachtigst mogelijke wijze tegenspreekt. Hij verklaart deze te zijn geheel bezijden de waarheid. Er is in de gehele toren geen vermolmd hout te vinden. De oorzaak ligt niet in verwaarloosd onderhoud maar uitsluitend in de primitieve constructie van de toren. Dat blijkt uit de daarvan vervaardigde tekeningen, die thans hier aanwezig zijn.
De heren Verhagen en Van den Bosch bevestigen de woorden van de voorzitter. Zij hebben de toren bezichtigd en zijn tot dezelfde conclusie gekomen, namelijk dat het ligt aan de gebrekkige primitieve constructie van het steunpunt van de toren.
Het voorstel van het college wordt aangenomen met de stemmen van de leden Van Voorst Vader en Nortier tegen.

Op 18 september 1867 wordt een gecombineerde vergadering gehouden van kerkvoogden en notabelen over het al dan niet aanvaarden van het voorstel van de gemeenteraad om de kerktoren met het uur- en speelwerk te behouden voor gemeenterekening, dat is ieder voor de helft van de kosten van het behoud. Het college heeft na ontvangst van dat besluit de gemeentebouwmeester gevraagd aan te geven wat zo spoedig mogelijk moet gebeuren tot behoud van de kerktoren. Deze heeft daarop schriftelijk voorgesteld om nog dit jaar tot het schoren over te gaan en de toren zo te voorzien, dat de vernieuwing van het kruis tot het voorjaar kan worden uitgesteld, terwijl de tijd daartussen tot het samenstellen van het kruis zou ten nutte gemaakt worden. Het hout zal bij inschrijving geleverd worden door de timmerman en molenmaker J.P. Muller.

Het klokkenspel
In mei 1863 schrijft het gemeentebestuur een brief aan de directeur van de Algemene Brandverzekering Maatschappij te Utrecht over de verzekering van de toren en het klokkenspel. De op de kruiskerk staande toren met het daarin geplaatste klokkenspel en uurwerk is verzekerd voor ƒ 20.000. Dit bedrag is op verre na niet voldoende om bij eventuele brand in de kosten van herbouw van de toren zelf te voorzien. Het komt het gemeentebestuur wenselijk voor dat onder de verzekering het klokkenspel en uurwerk niet zijn begrepen, maar de verzekerde som alleen bestemd zal zijn voor de herbouw van de toren. De verzekeringmaatschappij wordt voorgesteld om op de polis de woorden ‘met desselfs klokkenspel en uurwerk’ te royeren.
Er zit een interessante opgave bij de archiefstukken van het gewicht van de klokken in ponden met een zwaarte van 0,49409 kilo. Het gewicht van de klokken nummers 7 tot en met 34 varieert van 526 tot 13 ponden. De gewichten hebben respectievelijk de volgende gewichten: 526 - 516 - 412 - 344 - 276 - 210 - 206 - 180 - 152 - 130 - 120 - 106 - 104 - 78 - 74 - 70 - 54 - 50 - 38 - 36 - 29 - 21 - 21 - 21 - 21 - 20 - 17 - 17 - 17 - 17 - 15 - 15 - 15 – 13 pond.
De nummers 1 tot en met 6 hebben respectievelijk de volgende gewichten: 1986 - 1464 -  1192 - 942 - 686 - 560 pond. Samen hebben de 34 klokken een gewicht van 10771 pond of 5320,87 kilo. De zogenaamde ‘dove klok’ heeft een gewicht van 1566 kilo en de zogenaamde ‘boven klok’ van 2218 kilo.

Bij de omvangrijke bundel archiefstukken hierover bevindt zich een fraai ‘Reclameblad’ van A.H. van Bergen te Oldambt in de provincie Groningen voor koper- en metaalwerk, muzijk, bekkens, brandspuiten, pompen, brandspuitslangen en dergelijke.

Stadhuis

De gemeenteraad stelt in juli 1864 het bestek en de voorwaarden vast voor de aanbesteding van vernieuwingen en veranderingen aan gemeentelijke gebouwen. Wat betreft het Stadhuis zal de aannemer in de stadsgang de drie ramen van de hal, die in deze gang uitkomen, moeten dicht metselen. Daarvoor zullen de nodige tanden gebroken worden in het bestaande metselwerk om een goede verbinding te krijgen, alles van Waals hardgrauw in slappe basterd tras.

In de begroting voor 1866 is een post opgenomen voor het schilderen van het Stadhuis met de beide torens van ƒ 350. Dit onderhoud is meer dan nodig om die in goede staat te behouden. Tevens is een post opgenomen om het achterste dak boven het Stadhuis te vernieuwen. Indertijd is hierop een dakbedekking gelegd van Franse leien. Deze bedekking kost jaarlijks veel aan onderhoud en zou nu geheel moeten worden vernieuwd tot vermindering van het jaarlijks onderhoud dat een leiendak in de regel vordert. Voorgesteld wordt dit te vervangen door een bedekking met dakpannen. De kosten hiervan worden begroot op ƒ 245.

Tevens wordt in de begroting voor 1866 geld uitgetrokken voor een ruimere huisvesting van het stadsarchief. De archiefkamer is al sinds geruime tijd veel te klein gebleken en te bekrompen voor een behoorlijke berging van het archief. Aan een vergroting was niet te denken zolang het aangrenzend vertrek als gijzelkamer moest dienen. Omdat door de ingebruikname van de nieuwe gevangenis ook dit vertrek ter beschikking komt van het gemeentebestuur, kunnen de beide kamers nu bij elkaar worden gevoegd. Hierdoor wordt voldoende ruimte voor het archief verkregen. De kosten van het samenvoegen en het aanbrengen van kasten zijn begroot op ƒ 200.

Gevangenis of Huis van Arrest

Het aantal in bewaring gestelde personen in het Huis van bewaring was over 1862 59 (waarvan 43 mannelijke en 16 vrouwelijke), over 1864 18 (waarvan 15 mannelijke en 3 vrouwelijke), over 1865 22 (waarvan 21 mannelijke en 1 vrouwelijke).

De gemeenteraad neemt in zijn vergadering van 23 november 1861 kennis van een bericht van de Commissaris van de Koning. Hierbij worden toegezonden afdrukken van het bestek en de bekendmaking van de aanbesteding van het derde perceel van de opbouw van het Huis van Arrest en Bewaring. De burgemeester wordt verzocht deze stukken ter visie te leggen, een lokaal voor het doen van de aanbesteding beschikbaar te stellen en de inschrijvingsbiljetten in een gesloten bus te verzamelen. De sleutels van de twee ongelijk werkende sloten op die bus zullen aan de Commissaris van de Koning worden gezonden.

Aangezien de werkzaamheden aan de nieuwe gevangenis in december 1861 nog niet afgelopen zijn en de aangrenzende tuin achter de stadsschuur daarvoor nog niet kan worden verpacht, besluit de gemeenteraad dit perceel in 1862 zo lang mogelijk in gebruik te laten bij de laatste pachter Frans Reijerse en wel op dezelfde voorwaarden en voor hetzelfde bedrag als hij die in het openbaar heeft gepacht op 7 januari 1860.
 
De burgemeester overlegt in december 1862 een bij hem ingekomen brief van de Commissaris van de Koning, benevens afdrukken van het bestek en van de bekendmaking van de aanbesteding van de verdere opbouw van het Huis van Arrest en Bewaring. Hieronder is ook begrepen het weer opbouwen van het afgebroken gedeelte van de stadsschuur.
 
In maart 1863 deelt de voorzitter de gemeenteraad mee dat het college van de aannemer van het 4e perceel van de in aanbouw zijnde gevangenis aangezocht is om aan hem af te staan ongeveer 3000 kubieke ellen grond tegen betaling van ƒ 500. Of, indien die hoeveelheid slechts 2200 el bedraagt, alsdan tegen betaling van ƒ 400, Daarvoor zou geschikt zijn de grond gelegen aan de westzijde van de haven bij de brugwachterswoning en die bij de woning van Hendrik van den Berge. Het college wil het verzoek inwilligen omdat de betreffende grond voor de gemeente geen waarde heeft en voor het beoogde doel zeer geschikt is. Temeer daar bij die gelegenheid de bouwvallige brugwachterswoning, die slecht geplaatst zou kunnen worden, geamoveerd kan worden en verplaatst tegen de zijmuur van de woning van de weduwe De Jonge. Daarvoor wordt ongeveer ƒ 900 nodig geacht.

In mei 1863 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer M.D. Broekman, gemachtigde van de aannemer van het 4e perceel van de bouw van het nieuwe Huis van Arrest. Hij geeft daarbij te kennen dat voor de aanvulling van het daarvoor bestemde terrein ongeveer 3000 kubieke el grond nodig is. Tegen een vergoeding van ƒ 400 verzoekt hij die grond beschikbaar te stellen. Als geschikt wordt aangewezen het hoge gedeelte naast en achter de brugwachterswoning aan de haven en een oude dijk gelegen ten noorden van het huis bewoond door Hendrik van den Berge, sluitende aan de weg naar Wilhelminadorp.

In mei 1863 komt er een brief van de aannemer van het vierde perceel voor de bouw van het Huis van Arrest en bewaring met het verzoek om hem voor de aanvulling van het terrein waarop de nieuwe gevangenis wordt gebouwd de benodigde grond van de gemeente af te staan. Hij biedt aan om daarvan te betalen ƒ 500 indien daarvan 3000 kubieke el benodigd is en ƒ 400 als die hoeveelheid mocht teruggebracht worden tot 2200 kubieke ellen.
Het gemeentebestuur overweegt dat aan het gedaan verzoek onverhinderd kan worden voldaan door het afstaan van de grond liggende naast en achter de brugwachterswoning en de dijk tussen het woonhuis in huur bij H. van den Berge en de Jan Pier en Pink polder. Door het wegvoeren van de eerstgenoemde grond zou er een geschikte gelegenheid ontstaan om de bouwvallige brugwachterswoning te verplaatsen. Besloten wordt deze aangelegenheid aan de beslissing van de gemeenteraad te onderwerpen. Gedeputeerde Staten keuren het besluit van de gemeenteraad tot afstand van 2 à 3000 kubieke el grond tot aanvulling van het terrein van de nieuwe gevangenis voor ƒ 400 à ƒ 500 goed.

De Commissaris van de Koning overlegt bij brief van 3 december 1863 de bestekken en de bekendmaking van de aanbesteding van het voltooien, zowel in- als uitwendig, van de gebouwen van het Huis van Arrest en bewaring. Hierbij zijn tevens begrepen het leveren en aanbrengen van de toestellen voor de verwarming van de nieuwe gevangenis door heet water. De scheidingsmuren en de cellulaire wandelplaatsen met hun funderingen alsook al wat verder op en onder het terrein binnen de omringmuur moet worden daar gesteld, uitmakende het 5e perceel van de bouw.
 
In september 1864 schrijft de Ingenieur van de Waterstaat dat de bouw van het nieuwe Huis van Arrest en bewaring zover is gevorderd dat men eerlang wenst over te gaan tot het stellen van de benodigde stookplaatsen. Burgemeester en wethouders kunnen op 8 oktober 1864 een opneming doen van de inrichting van de stookplaatsen en van het herstel van de naast de nieuwe gevangenis staande stadsschuur.
Bij die gelegenheid wordt geconstateerd dat de inrichting van de stookplaatsen voldoende waarborgen tegen het gevaar voor brand oplevert en de stadsschuur behoorlijk in zijn vorige staat is hersteld. Het gemeentebestuur besluit de Ingenieur te informeren dat er bij het college geen bezwaar bestaat tegen de inrichting van de stookplaatsen in het Huis van Arrest en bewaring. Ook dat de stadsschuur weer door de gemeente zal worden overgenomen zoals deze hersteld en aan het college aangeboden is.

Op 19 november 1864 komt er een brief binnen van de heer Anthony Oudijk te Gouda, aannemer van de voltooiing van het Huis van Arrest en bewaring. De brief is bedoeld voor het bekomen van een billijke prijsbepaling voor 106 kubieke ellen grond van de gemeente, door hem bij dat werk verbruikt. Het college besluit dat voor de weggehaalde grond dient te worden betaald een bedrag van ƒ 26,50 per kubieke el.

In februari 1865 doet zich een kwestie voor over het riool bij de nieuwe gevangenis. Indertijd is een riool ontworpen waarvan bij de bouw van de strafgevangenis het gedeelte binnen de omringmuur reeds is voltooid. Het blijkt dat het te wensen is om dit riool te laten uitmonden in de stadsvest. Bij deze stukken zit een prachtige situatietekening van de ligging van de gevangenis ten opzichte van de vest, de Armenhoek en de omringmuur.

De Hoofdingenieur van de Waterstaat overlegt in juli 1865 een verzoek van de Minister van Justitie over een trottoir, aan te leggen voor de voorgevel van het Huis van Arrest en bewaring. De daarvoor in de Staat van Meerwerk beschreven vijf schamppalen zullen niet geleverd worden. Hiervoor wordt een bedrag gerestitueerd.
Verder wordt meegedeeld dat bij hem geen bedenking bestaat dat de bestrating 1 el langs de voorgevel van het administratiegebouw van de nieuwe gevangenis en de ringmuur bestaat. Hiervoor verleent het Rijk een bijdrage van ƒ 91,85. Dit gebeurt op voorwaarde dat het gehele trottoir door en voor rekening van de gemeente wordt onderhouden.

In het archief bevindt zich, gedateerd op 26 september 1865, een proces-verbaal van het college van regenten over het Huis van Arrest over de ontruimde gebouwen van de gemeente door de ingebruikname van het nieuwe Huis van Arrest en bewaring.

De Commissaris van de Koning stuurt op 29 november 1865 afdrukken toe van het bestek en de bekendmaking van de aanbesteding van het onderhoud van het Huis van arrest en bewaring voor de tijd van drie jaren, ingaande 1 januari 1866. Hij verzoekt om deze ter lezing te willen leggen op de daarvoor geëigende plaatsen en verdere bekendmaking te willen aanplakken. Deze stukken worden ter lezing gelegd in de logementen ‘de Korenbeurs’ en ‘de Groene Jager’.

Postkantoor

In oktober 1864 komt in de vergadering van de gemeenteraad de huisvesting van het postkantoor aan de orde. Het notulenboek vermeldt dat raadslid Fransen van de Putte bij de rondvraag het volgende zegt:
Het komt hem voor dat er thans zodanig onderwerp van commerciële aard voorhanden is, namelijk de gebrekkige inrichting van de brievenposterij in deze gemeente. In de regel worden de brieven zeer lang na de aankomst der post rondgebracht, hetgeen te wijten is aan de verplichting dat aan dit kantoor de schifting en de verdere verzending voor onderscheiden belangrijke plaatsen wordt opgedragen en daartoe de brievenbestellers worden gebruikt, die eerst dan de brieven rondbrengen wanneer alle overige pakketten verzonden zijn. Het is sprekers oogmerk niet om een klacht in te dienen tegen de postdirecteur, want van zijn welwillendheid voor het Goese publiek, accuratesse en activiteit is hij ten volste overtuigd. Maar spreker heeft die klacht aangevoerd om het noodzakelijke aan te tonen dat door het Rijk mag worden aangesteld een commies of surnumerair. Hij stelt voor daaromtrent een adres in te dienen bij de Minister van Financiën’. Hiertoe wordt besloten.

In juni 1867 deelt de voorzitter in de raadsvergadering mee dat, tot voorkoming van het ongerief dat wel eens ondervonden is door op een minder geschikte plaats het postkantoor te vestigen, het college op het denkbeeld gekomen is om aan de Minister van Financiën van het vrijvallen van het gebouw van de voormalige Franse school mededeling te doen. Dit gebouw zou tot woning en postkantoor uitnemend in te richten zijn. Het ligt ook midden in de stad en zou voor alle inwoners geriefelijk zijn.
Het college heeft mitsdien de Minister het voorstel gedaan dat dit gebouw door het Rijk zal worden aangekocht en voor dat doel worden ingericht. Hierop is door de Minister geantwoord dat het Rijk alleen in enkele voorname steden postgebouwen bezit en het niet met de aangenomen beginselen is overeen te brengen dit ook tot andere gemeenten uit te strekken. Om deze reden kan aan het voorstel tot aankoop niet worden voldaan.
De Minister verklaart zich echter wel bereid dit gebouw, als het geschikt wordt bevonden, van de gemeente te huren en voorgoed voor de functie van postkantoor te bestemmen. Het college antwoordt hierop dat in de begroting voor 1867 de verkoopsom van dat huis als ontvangst is opgenomen en de gemeente de inkomst dit jaar niet kan missen.

Stadsschuur en bergplaatsen

De Waag onder het Stadhuis
In juni 1864 wordt bij openbare bekendmaking eraan herinnerd dat de schippers, ondernemers van stoomboten, diligences, boot-, veer- of vrachtwagens moeten voldoen aan de bepalingen van de Verordening op de invordering van de plaatselijke belastingen op het gedestilleerd, de likeuren en de wijn en over het opgeven van hun los- en laadplaatsen. Tevens wordt daarbij kenbaar gemaakt dat tot bergplaats van gelost of afgeladen drank voor het bezit van een bewijs wordt aangewezen de Waag onder het Stadhuis.

Van februari 1868 dateert een inventarisstaat van goederen van de gemeente Goes die aanwezig zijn in de magazijnen. Deze is opgemaakt door de gemeente bouwmeester. In de hal onder het Stadhuis zijn onder meer opgeslagen: een grote dubbele erepoort, een kleine erepoort, vijf schamppaaltjes behorende bij de poorten, een oud illuminatietoestel voor lampions, een gas illuminatietoestel met het wapen van Goes, twee trekpompjes, etc.

De Stadsschuur
Het gemeentebestuur overweegt in augustus 1862 dat in het jaar 1859 op een daartoe gedaan verzoek van de Ingenieur van de Waterstaat een gedeelte van de stadsschuur ontruimd is. Toestemming werd toen verleend voor de afbraak omdat de stadsschuur in verband met de ontgravingen en verdere werkzaamheden voor de nieuwe gevangenis niet kon blijven staan. Dit gebeurde evenwel met de toezegging dat de wederopbouw van de stadsschuur zou worden begrepen bij enig perceel van de bouw van de nieuwe gevangenis.
Overwogen wordt dat volgens geruchten binnenkort de aanbesteding van het laatste perceel van de gevangenis zal plaats hebben. Besloten wordt de Minister van Justitie aan de gedane toezegging wat betreft de herbouw van de stadsschuur te herinneren en te verzoeken zo spoedig mogelijk te zorgen voor de wederopbouw van de stadsschuur voor rekening van het Rijk.
 
In december 1863 blijkt dat de muren van het onlangs bijgebouwde gedeelte van de stadsschuur al gescheurd zijn als gevolg van verzakking. Ook is gebleken dat, in strijd met de bestaande bouwverordening, de schoorsteenpijpen van de nieuwe gevangenis niet zijn opgetrokken tot een hoogte van één Nederlandse el boven de nok en twee el buiten het dak aan de zijden van het gebouw. Het gemeentebestuur besluit de Ingenieur van de Waterstaat, die met het oppertoezicht van die werken belast is geweest, daarop bij brief opmerkzaam te maken opdat de bezwaren alsnog uit de weg worden geruimd.
In januari 1864 komt er bericht van de Ingenieur van de Waterstaat met enige inlichtingen wat betreft het scheuren van de muren van het bijgebouwde gedeelte van de stadsschuur en van het niet optrekken van de schoorsteenpijpen van het nieuwe Huis van Arrest.

Op zaterdag 1 juli 1865 wordt op het Stadhuis aanbesteed het afbreken van de zogenaamde stadsschuur en het op die plaats bouwen van een geheel nieuwe Hogere Burgerschool met annexe directeurs- en portierswoningen.

De bergplaats voor de Vereniging van werklieden
Er is deze jaren in de gemeente een Vereniging van werklieden.

In februari 1866 wordt een Reglement op de Vereniging van werklieden vastgesteld. Ook wordt een tarievenlijst van arbeidslonen voor de toegelaten en beëdigde werkers van de stad Goes vastgesteld. Deze bevat een zeer gedetailleerde opsomming van goederen b.v.:
Aardappelen - per mud - los- en verwerkloon 2 cent;
Aardewerk - per krat - 40 cent;
Appels - per mud - 1 cent;
Boter - vat van 40 à 50 pond - 15 cent;
Blokkeelhout - per 1000 - 33 cent;
Flessen wijn of bier - 100 stuks - 10 cent;
Kaarsen - kist van 30 à 50 pond - 20 cent;
Kaas - 50 pond - 5 cent;
Koe of os - een - 30 cent;
Spek - 100 pond - 30 cent.

In september 1867 stelt het college de door de gemeentebouwmeester D. de Koning opgestelde kostenbegroting vast voor het maken van een verblijfplaats voor werklieden op het terrein voor de brugwachterswoning. De kosten hiervan bedragen ƒ 385. Bij de archiefstukken bevindt zich een zeer fraaie tekening met de titel ‘Verblijfplaats voor Werklieden’. In de volksmond wordt dit de klapbank genoemd.
Ter tafel wordt gebracht een plantekening voor een verblijfplaats voor werklieden tot vervanging van de vroeger bestaan hebbende klapbanken.
In maart 1868 wordt het bestek vastgesteld voor de aanbesteding van een verblijfplaats voor de werklieden aan de westzijde van de haven. De kosten bedragen ƒ 400. Er zit een zeer fraaie tekening van deze klapbank bij de stukken.

Jakobus Filius schrijft in november 1868 dat hem uit de deliberaties van de gemeenteraad bij de behandeling van de begroting voor 1869 gebleken is dat bij enkele leden van de raad het denkbeeld is gerezen om tegen de noordelijke gevel van zijn huis een verzamelplaats voor de werklieden of een zogenaamde klapbank op te richten. Hij uit hiertegen zijn bedenkingen. Tegen die gevel is de enige in zijn woning bestaande slaapstede. Al hetgeen op de straat voorvalt is daar zo licht hoorbaar dat zelfs het geluid van de voetstappen van de voorbijgangers doordringt. Het zou mitsdien van de vroege morgen tot de late avond hen zeer hinderlijk en op den duur onverdraaglijk zijn.

Bergplaatsen voor steenkolen
In september 1863 vindt de aanbesteding plaats van de leverantie van 245 mudden steenkolen voor de gemeente, te leveren aan het Stadhuis, de politiewacht, de gemeentescholen en de gemeenteapotheek, tezamen 130 mudden grove New Castelse en 115 mudden Ruhr steenkolen.

Cornelis Duvekot krijgt in september 1868 vergunning om in het pakhuis in wijk D nummer 168 in de Molenstraat een bergplaats van steenkolen aan te leggen. Ook in september 1868 krijgt de winkelier Bartel Janse vergunning om voor zijn handel in steenkolen te gebruiken als berging een kelder die hij huurt onder het pakhuis aan de Blauwe Steen, vanouds genaamd ‘Het arbeidershuisje’ of ook wel ‘het zakkendragers huis'.

De bewaarplaats voor lucifers
In januari 1863 ontvangt het gemeentebestuur een rapportage van de Commissaris van politie. In het huis ‘Middelburg’ is op 20 januari bij D. Smolders een bewaarplaats gevonden van een massa lucifers naast de dagelijks brandende kachel en tegen de schoorsteenpijp. De commissaris verzoekt op een spoedige behandeling van de rechter te willen aandringen en hieraan publiciteit te geven tot afschrik van en herinnering aan anderen.  

De commissaris van politie Van den Bussche rapporteert aan het college dat hij een inspectie heeft gedaan op de bewaarplaatsen van lucifers binnen de gemeente. Hij heeft er een aangetroffen bij Arie Visser, alwaar in een kast op een bovenkamer zich lucifers bevonden alhoewel zich daar geen schoorsteenpijp bevindt Ook bij Jan Bouwens zijn er aangetroffen. Bouwens had deze geborgen in kisten op de zolder ver verwijderd van enige schoorsteenpijp. Ook bij D. Smolders werden ze aangetroffen in een kist overdekt met een kleed op een boven voorkamer waar volstrekt geen schoorsteenpijp is. Ook bij de weduwe Vereeke, nu J.P. van der Does, trof hij eraan; ze doet echter geen meerdere hoeveelheid meer op omdat vele anderen deze in de winkel verkopen.

De kookplaats voor verfstoffen
A.M. van Melle krijgt in januari 1863 toestemming om in het woonhuis in wijk E nummer 136 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk een fornuis voor het koken van verfstoffen te plaatsen en om de geverfde goederen in de vest te spoelen.

Telegraafkantoor en de telegrafievoorziening

Op 26 augustus 1865 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Ingenieur van de Waterstaat over de vergroting of verplaatsing van het telegraafkantoor. In de brief wordt de wens van de Minister van Binnenlandse zaken uitgedrukt dat dit kantoor wordt overgebracht naar een ruimte in het midden van de stad. Het gemeentebestuur besluit de Ingenieur mee te delen dat het college de wenselijkheid hiervan erkent en dit vroeger ook al heeft overwogen. Het gebrek aan geschikte lokaliteit heeft belet aan dat denkbeeld gevolg te geven. Thans bestaat er echter uitzicht om die verbetering tot stand te brengen. Na het in gebruik stellen van de nieuwe gevangenis op 1 september zal beschikt kunnen worden over het gemeentelijke gebouw naast de politiewacht dat nu dient tot kantoor van de cipier en daarachter staande gevangenenlokalen. De Ingenieur wordt uitgenodigd om na de ontruiming van dat gebouw met het college een onderzoek te doen.

Van deze tijd dateert ook een brief van de Ingenieur van de Waterstaat met de volgende inhoud:
Blijkens mededeling van de Minister van Binnenlandse zaken schijnt uw college het voornemen te hebben het rijkstelegraafkantoor te vergroten door aanbouw van een nieuw seinvertrek en door inrichting van het oude tot wachtkamer. Hoewel verruiming van de lokaliteit de Minister hoognodig voorkomt, ziet hij toch liever dat een lokaal meer centraal in de stad wordt beschikbaar gesteld en voor de dienst wordt ingericht’.
Hij oppert het denkbeeld om het telegraafkantoor naar het station te verplaatsen en wenst hierover van gedachten te wisselen. Het gemeentebestuur wijst erop dat verplaatsing naar het station uiterst ondoeltreffend zou zijn en alleen in aanmerking zou kunnen komen als dat gebouw zich meer in de onmiddellijke nabijheid van de stad bevond. Een overbrenging naar het centrum van de stad, daar waar ook op marktdagen de grootste beweging plaats heeft, zou krachtig kunnen bijdragen om in de toekomst een telegraaf meer aan zijn bestemming voor Goes te doen beantwoorden.
Het gemeentebestuur schrijft terug het geheel eens te zijn met de Ingenieur. Midden in de stad zou de beste plaats zijn. Gewezen wordt op het beschikbaar komende gebouw naast de politiewacht, dat dient tot kantoor van de cipier en de daarachter staande gevangenenlokalen. Die ruimte zal voldoende zijn om tot telegraafkantoor met wachtkamer te worden ingericht.

In oktober 1865 ontvangt het gemeentebestuur bericht van de Minister dat deze niet voelt voor vergroting van het rijkstelegraafkantoor door aanbouw van een nieuw seinhuis. Hij beveelt aan vanwege de hoge noodzakelijkheid van verruiming van de bestaande lokaliteit dit te verplaatsen naar een meer in het midden van de stad gelegen en beter bereikbare locatie. Bij de archiefstukken bevindt zich een mooie tekening van een ontwerp inrichting van een nieuw telegraafkantoor op de hoek van de Schoolstraat en de Sint Adriaanstraat.
De burgemeester heeft informatie ontvangen dat er gelegenheid bestaat door het overbrengen van het telegraafkantoor in het ontruimde gebouw bij de politiewacht. De inrichting daarvan zal wel niet meer kosten dan de vergroting van het nu bestaande kantoor. Dit heeft ertoe geleid dat het college met de Ingenieur van de Waterstaat het betreffende lokaal heeft opgenomen en geschikt bevonden. Dit zou dienen te gebeuren onder de voorwaarde dat het kantoor voortaan niet met een beperkte dagdienst zal geopend zijn, maar met een onbeperkte openstelling.

Begin januari 1866 komt er bericht van de secretaris-generaal van het Ministerie van Binnenlandse zaken. Deze neemt het aanbod van het gemeentebestuur om de beschikbare ruimte in het gebouw naast de politiewacht tot telegraafkantoor in te richten aan. Hij stuurt een enigszins gewijzigde ontwerptekening mee. Daarop is links de grote seinkamer en rechts de wachtkamer en daarachter de gang aangegeven.
Op 30 maart 1866 vindt de aanbesteding van de verandering van het gebouw van ‘de Oude Beurs’ in een telegraafkantoor door en voor rekening van de gemeente Goes plaats. Bij de stukken bevindt zich een fraaie plattegrondtekening van de inrichting van het telegraafkantoor annex de ruimte voor de politiewacht. De ruimte bestaat uit een seinkamer van 7.50 el lang en 3.30 el breed en een wachtkamer van 7.30 el lang en 1.90 el breed.  

De burgemeester rapporteert de gemeenteraad op 18 april 1866 dat het college met de meeste spoed werk heeft gemaakt om de inrichting van een nieuw telegraafkantoor te helpen bevorderen. Het aanvankelijke plan is door de Minister van Justitie en de Hoofdingenieur van de Waterstaat enigszins gewijzigd, waardoor de kosten nader zijn begroot op f 995. De aanbesteding heeft daarop plaats gehad, waarbij aannemer is geworden de metselaarsbaas Hendrik Elferink voor f 944. Daarop wordt de aanbesteding gegund.

Elferink deelt het gemeentebestuur in maart 1866 mee dat hij in erfpacht heeft verkregen 260 vierkante ellen gemeentegrond, gelegen aan het eind van de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat tussen het telegraafkantoor en de rijweg naar de molen ‘de Koornbloem’ onder voorwaarde dat op die grond zal worden gesticht een woon- en pakhuis. Daarbij zijn nog gevoegd 210 vierkante ellen die door hem gedeeltelijk zijn aangelegd tot tuin en tot bergplaats van materialen. Hij is voornemens om op dat gedeelte dat door hem tot berging van materialen wordt gebruikt, zijnde de ruimte tussen het bestaande huis en het telegraafkantoor, een woonkamer te bouwen volgens een overgelegde schetstekening.

IJkkantoor

In november 1867 stelt het gemeentebestuur het bestek en de voorwaarden vast voor de aanbesteding van het inrichten tot ijkkantoor van twee lokalen van de voormalige Franse jongensschool aan de Korte Vorststraat. Er zit bij de stukken een gekleurde plattegrondtekening. In april 1868 komt er een brief van de Commissaris van de Koning ten geleide van het goedgekeurde contract voor de verhuur aan het Rijk van een ijkkantoor. Het kantoor wordt als gevolg daarvan door de arrondissementsijker in gebruik genomen.

Weeghuis

De gemeenteraad besluit op 16 december 1861 tot de verkoop van het voormalige weeghuis. Daarvoor was op de begroting van 1862 een raming van ƒ 800 in ontvang gebracht. Het is het pand, bekend onder de naam ‘het oude weeghuis’. Het diende daarna tot bergplaats van de straatlantaarns doch is thans buiten gebruik.

Poorten

In 1855/1856 werden vier van de zeven poortgebouwen afgebroken, te weten de Koepoort, de Oostpoort, de Sint Maartenspoort en de buitenhavenpoort. Enkele jaren daarvoor gebeurde dit ook met de ’s-Heer Hendrikskinderenpoort en de Bleekveldse poort. In 1862 ondergaat de fraaie Ganzepoort hetzelfde lot.

Ganzepoort
In februari 1862 besluit de gemeenteraad op voorstel van het college om in de loop van dit jaar over te gaan tot de afbraak van de Ganzepoort. Deze is bouwvallig en herstel zou grote reparaties vorderen. Hiervoor zal het pakhuis, dat in erfpacht op gemeentegrond tegen de poort is gebouwd, worden aangekocht van mejuffrouw de weduwe Piepers. Het pakhuis is in gebruik bij de heer Gijsbertus van der Hoek voor het voorlopig overeengekomen bedrag van ƒ 800. Vervolgens zal dat pakhuis met de poort in het openbaar voor afbraak worden verkocht. De fundamenten zullen minstens een halve el beneden de begane grond af- en uitgebroken moeten worden. De afkomende stenen zullen door de koper tussen de twee poorten mogen worden neergelegd.
Gedeputeerde Staten keuren in maart 1862 het raadsbesluit tot verkoop voor afbraak van de Ganzepoort en de daarmee in verband staande aankoop van het daartegen staande pakhuis goed.  
De gemeenteraad besluit daarop met de weduwe en kinderen van de heer Jacobus Piepers, eigenaren van het pakhuis, een acte van koop en verkoop voor afbraak daarvan aan te gaan. De voorwaarden van verkoop van de poort en het pakhuis worden vastgesteld. Notaris A. Smallegange zal de verkoop in het openbaar houden. De poort is door notaris A. Smallegange voor afbraak geveild, samen met het naastliggende commieshuisje en het pakhuis voor ƒ 300 aan de timmerman W.J. van de Weert.

In april 1867 dient Jan Koens een verzoek in tot het verkrijgen van ongeveer 100 vierkante ellen gemeentegrond op erfpacht naast zijn woonhuis aan de wal bij de voormalige Ganzepoort. Hij heeft het voornemen dit te doen voor het aanbouwen van beneden- en bovenkamers. Na overleg met de gemeentebouwmeester is het college van oordeel dat het plan onvatbaar is voor inwilliging. Verdere bouw oostwaarts zou het uitzicht op de Ganzepoortstraat, van de zijde van de vest, bij de binnenkomst van de stad, nog veel meer ontsieren dan zoals het nu al is en zou iedere aanleg of beplanting daar ter plaatse verhinderen. Het college stelt voor het verzoek af te wijzen.
Enkele raadsleden wijzen erop dat Koens behoefte heeft aan vergroting van zijn huis en wel genegen zou zijn een sierlijk gebouw naar genoegen van de gemeenteraad daar te stellen. Raadslid O. Verhagen merkt op dat, indien het door de heer Hannink ontworpen plan mocht verwezenlijkt worden, dat van invloed zou kunnen zijn op de gewenste bouw van Koens. Ook raadslid De Laat de Kanter deelt dit gevoelen.
Wethouder Fransen van de Putte dankt de raadsleden voor hun gevoelen en zal aan Koens te kennen geven dat hij maar weten moet wat te doen. Hij had alleen die vraag gesteld voor Koens nog voor bij hem het plan van de heer Hannink bekend was en tot voorkoming van nodeloos te maken onkosten van opmeting en dergelijke.

Koepoort
In maart 1867 dient de heer A. de Klerk een verzoek in om 166 ellen grond tegen zijn stal bij de voormalige Koepoort in erfpacht te verkrijgen. Op voorstel van het college besluit de gemeenteraad dit verzoek af te wijzen. De reden hiervan is dat die grond moet dienen tot uitweg voor het Manhuis.

Wallen

In de vergadering van de gemeenteraad van 5 februari 1862 deelt wethouder J.W. van Kerkwijk mee dat, nu in de loop van dit jaar het werk aan een gedeelte van de wallen is uitgevoerd, in een volgend jaar de wallen verder kunnen worden ‘geaplaneerd’ en zover nodig bestraat. Dit met de bedoeling om een behoorlijke rijweg over de Keizersdijk en door ‘De hoge bomen’ te verkrijgen. Daardoor zal het rijden door de Ganzepoortstraat, wat vooral op marktdagen gevaarlijk is, aanzienlijk kunnen worden vermeden.
 
In maart 1862 verzoekt Jan de Jonge om een gedeelte van de oostwal te mogen berijden met zijn handwagen tot aan de achterdeur van zijn pand in wijk C nummer 250 aan de Lange Vorststraat. Het gemeentebestuur besluit dit verzoek van de hand te wijzen.
Ook het verzoek van de vleeshouwer J. Bannet om de stadswal te mogen berijden vanaf zijn huidenzouterij met kruiwagens of steekwagens en desnoods met kar en paard, wordt in december 1864 van de hand gewezen.
 
In de begroting voor 1866 wordt opgenomen dat de westwal tussen de oliemolen en de Wijngaardstraat wordt afgevlakt en tot aanleg geschikt gemaakt. De afkomende grond dient tot vulling van de sloot langs de Agnesgang. Dit werk is begroot op ƒ 200.

De wal achter de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ aan de Kreukelmarkt wordt geheel afgevlakt en gelijk gemaakt met de sociëteitsgrond. De af te graven grond zal allereerst worden gebruikt voor het dempen van de sloot achter het weeshuis en manhuis en verder tot het gedeeltelijk dempen van de voor de wal liggende vest. Dit opent de mogelijkheid voor het aanleggen van een straat in de richting van de weg lopende naar het stationsgebouw. De kosten hiervan zijn ƒ 495.

Op 9 februari 1867 vindt de aanbesteding van het effenen van de wal tussen het Ravelijn de Grenadier, waarop de molen ‘de Grenadier’ heeft gestaan, en de Brouwersgang bij de Beestenmarkt plaats. Deze zal worden afgegraven met ongeveer 4250 kubieke meter grond en wel tussen het Ravelijn en de Agnesgang 900 kubieke meter en van daar tot aan de Brouwersgang ongeveer 3350 kubieke meter. De grond moet in de vest gestort en onder het aangegeven profiel afgewerkt worden. Bovendien wordt de rijweg lopende van de Agnesgang naar het Ravelijn verlegd.

In april 1868 overlegt de gemeente bouwmeester een tekening en berekening van de kosten van het afgraven van een gedeelte wal voor het maken van de nieuwe weg naar het stationsgebouw. Dit naar aanleiding van een vroeger uitgedrukt verlangen van de gemeenteraad om een nieuwe weg te maken naar en van het spoorwegstation en daarvoor de wal af te graven voor het verkrijgen van grond om te bouwen.
Maar op 15 april ontvangt het gemeentebestuur een adres van circa tachtig bewoners van de Ganzepoortstraat, de Lange Kerkstraat, de Klokstraat en de Lange Vorststraat met bezwaren tegen de uitvoering van dat plan. Na voorlezing hiervan wordt besloten dit adres in handen te stellen van een speciale commissie, bestaande uit de heren J.H. de Laat de Kanter als voorzitter en O. Verhagen en C. Pilaar als leden.

In dit adres geven de circa tachtig bewoners van de Lange Kerkstraat, de Klokstraat en de Ganzepoortstraat en een gedeelte van de Lange Vorststraat te kennen dat zij met leedwezen hebben vernomen dat bij het gemeentebestuur het voornemen schijnt te bestaan om nabij de voormalige Ganzepoort in de vest een dam te leggen. Deze zou aan moeten sluiten aan de wal in ‘de Hooge Bomen’ en de Singelweg. Deze dam zou moeten dienen voor passage naar het spoorwegstation en als gevolg daarvan zou de route uit de stad moeten worden genomen langs het oude kerkhof, de Singelstraat en de Kreukelmarkt. Aangezien voor het leggen van die dam met aanhorigheden ongeveer 6 à 7000 gulden nodig is zal de gemeente met een meerdere schuldenlast worden bezwaard. Dit kan volgens de adressanten worden vermeden door de Singelweg langs de voormalige Ganzepoort tot aan de weg lopende naar het stationsgebouw te begrinden. Door het realiseren van de genoemde route naar het stationsgebouw zullen zij als bewoners van de Kerkstraat, Klokstraat, Ganzepoortstraat en Lange Vorststraat, voor het merendeel neringdoenden, een groot nadeel in hun handel ondervinden. Daarom nemen zij de vrijheid te verzoeken te willen afzien van het plan tot het maken van een dam in de vest en veeleer het begrinden van het eind weg zoals voornoemd de voorkeur te geven.  

In de vergadering van de gemeenteraad van 24 juli 1868 komt het voorstel van de speciale commissie uit de raad met betrekking tot de uitbreiding van de bebouwde kom van de gemeente aan de orde. Raadslid Van den Bosch meent dat er niet meer zo’n grote behoefte is aan woonhuizen in deze gemeente als vroeger en heeft ook moeite met het vinden van de voor de uitvoering benodigde gelden.
De voorzitter betoogt dat overal waar spoorwegen aangelegd zijn behoefte bestaat om in de onmiddellijke nabijheid van het stationsgebouw woningen te stichten. Hij brengt nog in herinnering dat tot de afgraving van de wal vroeger al is besloten. Dit is al gedeeltelijk tot uitvoering gebracht, zodat dit gedeelte van de voorgenomen werken toch uitgevoerd moet worden.
Raadslid Van den Bosch zegt vrede te hebben met het afgraven van de wal en het storten van de grond in de vest. Wethouder O. Verhagen toont aan dat de afgraving en demping van de vest zodanig zal geschieden dat de te verkrijgen grond bebouwd kan worden.

De gemeenteraad besluit vervolgens tot het volgende:

  1. het afgraven van de wal tussen de voormalige Koepoort en de Keizersdijk. Hierover verlangt niemand het woord. Met drie stemmen tegen wordt dit voorstel aangenomen;
  2. in te stemmen met het voorstel om als plan van uitbreiding van de stad aan te nemen het ontwerp van architect J.H. Hammink, gevoegd bij de ingezonden aanvraag van Jacobus de Blok, met bepaling dat voortaan geen grond van de gemeente voor de bouw van nieuwe huizen of gebouwen zal worden uitgegeven dan in overeenstemming met het onderwerpelijke plan;
  3. in te stemmen met het voorstel van Jacobus de Blok om af te staan het gevraagde terrein tegen een jaarlijkse erfpachtsom van 2% per vierkante el, mits de huizen worden geplaatst in de lijn zoals op het plan van de heer Hammink aangegeven en onder verplichting om voor de woningen een goed trottoir aan te leggen;
  4. het voorstel om het plan van een verkorte toegangsweg naar het station met bestrating voorshands aan te houden tot tijd en wijle een sterke bevolking aan die zijde van de stad de bestrating noodzakelijk maakt;
  5. in afwachting van aanvragen om grond om te bouwen op de oppervlakte van de af te graven wal te verpachten voor tuingrond;
  6. een verordening vast te stellen waarin de nodige voorschriften worden opgenomen omtrent het uiterlijk aanzien en het peil van de te bouwen huizen.

Bruggen en brugwachterswoning

In juni 1863 besluit de gemeenteraad de brugwachterswoning bij de brug aan de kaai met de naastliggende muur in verband met bouwvalligheid voor afbraak te verkopen. De afbraakmaterialen worden op 20 juni in het openbaar verkocht aan de arbeider Adriaan Pierssen.
 
In de begroting voor 1865 wordt een bijdrage geraamd van ƒ 8.767 voor het aanbrengen van een nieuwe draaibrug. Raadslid Saaymans Vader is van oordeel dat de bestaande brug nog zeer goed te repareren is en geeft in overweging tot herstel over te gaan daar dit beduidend minder zal kosten. Raadslid Smallegange heeft daarentegen inlichtingen ingewonnen waaruit blijkt dat de brug niet alleen zeer slecht en gevaarlijk is, maar zelfs niet te herstellen is.
Het gemeentebestuur vraagt inlichtingen bij de gemeente Vlissingen over een daar aangebrachte ijzeren draaibrug. Het college van Vlissingen stuurt de tekeningen, bestekken en begrotingen voor de bouw van een draaibrug en van een basculebrug toe.  
In de vergadering van de gemeenteraad van 15 maart 1865 overlegt het college aan de gemeenteraad plantekeningen voor een nieuwe draaibrug over de haven. De raad wordt voorgesteld in te stemmen met een conceptcontract van onderhandse aanneming voor het maken en plaatsen, opgemaakt door de firma weduwe A. Sterkman en zoon, fabrikanten en ijzergieters te ‘s-Gravenhage.
Maar de gemeenteraad is hier toch voorzichtig mee. Hoezeer de raad de aanbesteding van gemeentewerken aan het college heeft toe betrouwd, dit werk acht men van zo grote omvang dat zij een speciale machtiging verlangen om het onderhands aan de genoemde firma aan te besteden zodra de gemeentebegroting zal zijn goedgekeurd. Deze machtiging wordt zonder enige bedenking en zonder hoofdelijke stemming door de gemeenteraad verleend.
Er doet zich in april 1865 een nieuwe hindernis op. Zijne Majesteit de Koning deelt mee niet akkoord te gaan met een geldlening met gebruikmaking van de fondsen van de voormalige gilden. De gemeenteraad besluit nu om tot dekking van de kosten voor de nieuwe draaibrug een geldlening aan te gaan van ƒ 14.000 tegen een rente van 5% en een jaarlijkse aflossing van minstens ƒ 500. Gedeputeerde Staten keuren in juni 1865 de onderhandse aanbesteding van het leveren van een ijzeren draaibrug over de haven voor ƒ 8.769 goed.

In mei 1865 geeft de firma weduwe A. Sterkman en zoon te kennen dat door hen is aangenomen het maken van een ijzeren draaibrug over de haven. De oplevering van die brug heeft 38 dagen te laat plaats gehad. De gemeenteraad beraadt zich over het opleggen van een boete aan de firma Sterkman te ‘s-Gravenhage. Deze verzoekt om kwijtschelding van de boete wegens te late oplevering van ijzeren platen uit Engeland.
Dit is te wijten aan oorzaken geheel onafhankelijk van hun goede wil. De grondstoffen die uit het buitenland moesten worden betrokken waren op 17 juni 1865 besteld. Daarop kwam de stellige toezegging van de Engelse fabrikant dat de levering daarvan op 28 juli zou plaats vinden.
In september 1865 wordt het bestek en de condities voor het wegbreken en opruimen van de ophaalbrug en bijkomende werken aan de kade vastgesteld. Bij enkele inschrijving worden de werkzaamheden openbaar aanbesteed aan de metselaarsbaas Hendrik Elferink voor ƒ 590.
Het jaarverslag over 1865 meldt:
Het voornaamste gemeentewerk was het afbreken der oude ophaalbrug en het vervangen door een goede draaibrug, die in de fabriek der weduwe Sterkman en Zoon te ’s Hage vervaardigd werd en in December jl. goed gangbaar is opgeleverd, kostende ƒ 8.769’.

Het gemeentebestuur overweegt dat de brug tot nu toe voldoet aan alle vereisten. Raadslid O. Verhagen betwijfelt of de brug wel zo goed voldoet. Hij heeft hier onderzoek naar gedaan en het is hem gebleken dat de brug ‘oneindig zwaar’ te bewegen is. In de mechaniek moet een gebrek aanwezig zijn. Hij meent het dagelijks bestuur te moeten waarschuwen aan de brug niet veel te doen, omdat wellicht anders de aannemers zich zullen verschuilen achter het voorgeven dat het gebrek is ontstaan door minder zorgvuldige behandeling van de zijde van de gemeente.
Op 18 april 1866 wordt de nieuwe ijzeren draaibrug in gebruik genomen.

Vesten

In maart 1861 dienen ingezetenen van de Voorstad en de singel en bewoners van huizen nabij de vest aan die zijde van de stad klachten in over de ondragelijke en voor de gezondheid nadelige stank die de vest aldaar verspreidt. Ze verzoeken het gedeelte vest vanaf de Ganzepoort tot aan de in aanbouw zijnde gevangenis te laten uitbaggeren.
Het college erkent de noodzaak van een dergelijke uitbaggering, maar het werk is nochtans van te grote omvang en te kostbaar om het anders dan in gedeelten te doen. De gemeente heeft bovendien geen grond om de uit te baggeren specie uit te storten en te laten drogen. Het college heeft op het oog om daarin in het vervolg op de meest geschikte wijze te voorzien en stelt voor de zaak aan haar zorg over te laten. Dit wordt met algemene stemmen besloten.
Dit leidt in maart 1862 tot het raadsbesluit om het ‘uitmodderen’ van de vest rond de stad in het openbaar aan te besteden. De werkzaamheden dienen, ingaande maart 1862, in de loop van tien jaren te worden volbracht, jaarlijks met tenminste 1000 kubieke ellen bagger. Het werk wordt gegund aan de firma Foudraine voor 13 cent per kubieke el. Ook in maart 1863 wordt aanbesteed aan deze firma het uitbaggeren van een gedeelte van de stadsvest. En in oktober 1864 wordt met het uitbaggeren van een gedeelte van de vest op de bestaande voet voortgegaan omdat het nodige terrein voor het bergen van nòg meer specie ontbreekt.

C.F. van Ettinger krijgt in maart 1861 vergunning om vanaf zijn erf in wijk C nummer 223 aan de Lange Vorststraat een waterleiding te laten maken naar de vest. De waterleiding moet voorzien worden van twee gemetselde vangbakken met drie fijne roosters en de uitlozing met kannenbuizen, met een verval van 1.70 door de wal, die daarvoor zal mogen worden opgegraven, op zodanige wijze dat de passage niet wordt belemmerd.  

In november 1862 besluit de gemeenteraad de heer J.H.C. Kakebeeke, directeur van de stoom meelfabriek, te onderhouden over de geopperde bezwaren tegen de uitlozing van de stoom van zijn fabriek door een riool in de vest. Getracht zal worden te bewerkstelligen dat die stoom voortaan wordt ontlast op zijn eigen erf en wel op zodanige wijze dat zijn buren daarvan zo weinig mogelijk overlast ondervinden. Wethouder Kakebeeke neemt op zich een poging te doen om dit te regelen.

H. Werri verzoekt in november 1862 om bij zijn tuin, aangekocht van de erven van de heer Hochart, enige modder uit de vest te mogen baggeren, deze op de inmiddels boven het waterpeil opgehoogde bodem te brengen en daardoor zijn terrein met ongeveer 56 vierkante ellen grond te vergroten. Het college stelt voor dit verzoek in te willigen, temeer daar de aannemer van het baggerwerk uit de vest daartegen geen bezwaar heeft. Bovendien zal het uit modderen op deze manier geheel buiten kosten van de gemeente gebeuren. Besloten wordt het verzoek toe te staan mits de bewerking gebeurt onder goedkeuring van het college en het terrein niet verder wordt uitgebreid dan 22 el uit het zomerhuis.
In juli 1863 vraagt Werri vergunning om een gedeelte van de vest grenzend aan zijn tuin in wijk D nummer 887, tot zijn gebruik voor het vergroten van zijn terrein uit te baggeren.

Ook in januari 1865 komt er een verzoek van H. Werri tot aanpassing van zijn terrein. Hij wenst toestemming om voor het houden van eenden in de vest bij zijn perceel D 887 een afheining te plaatsen ten noorden van zijn tuin tussen het Ravelijn en de stadswal, op een afstand van 16 ellen uit de waterkant van zijn tuin, ter oppervlakte van ongeveer 460 vierkante ellen water. Hij biedt aan voor dat gebruik een jaarlijkse retributie te betalen aan de gemeente. Hiermee gaat het gemeentebestuur akkoord.

In juni 1864 deelt de koopman Pieter Wessels mee dat hij op 1 augustus 1857 bij openbare verpachting voor zeven jaren in pacht heeft verkregen 15 roeden en 60 ellen hoveniering gelegen in de zoute vest achter de zoutkeet ‘de Hoop’. De pacht eindigt op 31 december 1864. Hij heeft voor zijn inkomsten behoefte aan deze grond. In de voorwaarden van verpachting is bepaald dat van die grond geen uitweg zal mogen worden gebaand dan naar de zijde van het gebied tussen de twee poorten. Omdat hij aldaar woonachtig is en met zijn erf juist grenst aan dat perceel en het alzo voor hem gemakkelijker dan voor iemand anders gelegen is, neemt hij de vrijheid te verzoeken de pacht ondershands te verlengen.

De grossier Adriaan Sterk deelt het gemeentebestuur in juli 1865 mee dat hij in een publieke veiling eigenaar is geworden van de tuin, toebehoord hebbende aan wijlen de heer H. Werri, tussen het Ravelijn en de stadswal in wijk D nummer 887. Hij betoogt dat aan de heer Werri bij besluit van de raad van 26 januari 1865 vergunning is verleend om, voor het houden van eenden, in de vest een afheining te plaatsen ten noorden van zijn tuin, op een afstand van zestien ellen uit de waterkant van die tuin, ter oppervlakte van ongeveer 460 vierkante ellen water.
Als opvolgend eigenaar verzoekt hij op hem over te dragen het recht tot plaatsing van de bestaande afheining met de inname van 460 vierkante ellen oppervlaktewater. Hij heeft de tuin aangekocht met het doel om daarin eenden te blijven houden of door aanleg het geheel te verfraaien. De onzekerheid echter of de door het gemeentebestuur verleende tijdelijke vergunning voortdurend zal zijn maakt het voor hem moeilijk zijn plan uit te voeren.

Het zwanenhok in de vest is in augustus 1865 versleten en moet vernieuwd worden. Het nieuwe hok zal worden gemaakt met losse vakken die ‘s zomers kunnen worden weggenomen en geborgen, waardoor het van langer duur zal zijn. De kosten bedragen ƒ 108.

De openbare gezondheidscommissie brengt in september 1866 ter kennis van het gemeentebestuur dat in de stadsvest op verschillende plaatsen, bijvoorbeeld aan de Oostsingel, eendenkroos in grote hoeveelheid aanwezig is. Dit veroorzaakt niet alleen stank, maar leidt ook tot de ontwikkeling van moeras gif dat de volksgezondheid kan benadelen. Namens de commissie neemt secretaris A.J. Fokker de vrijheid het college te verzoeken dit eendenkroos zo spoedig mogelijk te doen verwijderen.

Kaden

In juni 1866 worden de defecten aan de kaaimuur aan de Grote Kade hersteld. In de begroting zijn de kosten hiervoor geraamd op ƒ 5.042. De werkzaamheden omvatten onder meer het inheien van 50 el damplanken van 3 el lang; het uitbreken van 150 kub oud metselwerk; het schoonmaken van de muren; het optassen van de uitkomende stenen; het verwerken van 150 kub el nieuwe steen in het uitgebroken gedeelte van vlakke klinkers en Portlandcement; het ontgraven van 50 kub el grond voor en onder de muur; het bestorten met evenzoveel beton. Bij de betreffende archiefstukken bevindt zich een tekening van het plan tot herstel van de kaaimuur aan de Grote kade.

Havens

Goese Sas
Het gemeentebestuur ontvangt in maart 1861 een brief van de heer Bleckmann, Ingenieur van de Waterstaat, in antwoord op een brief van het college, dat hij, zonder uitzicht op beloning, het maken van bestekken en berekeningen voor de sluis- en havenwerken op zich heeft genomen. Hij zal zich daarbij, zo schrijft hij, steeds met genoegen blijven belasten met het toezicht op die werken, zoveel zijn ambtsbezigheden dit zullen toelaten. Dit aanbod wordt door het college dankbaar aanvaard.

In juli 1861 stelt het gemeentebestuur het bestek en de voorwaarden voor de te realiseren metsel-, timmer- en rijspakwerken en steenglooiing aan het sas en de havendam vast en kondigt de openbare aanbesteding aan. Aannemer wordt D.A. Dronkers voor ƒ 3.800.

In september 1861 vindt de aanbesteding van het herstel van de vloeddeuren aan de buitensluis van het Goese Sas in het openbaar plaats aan J.P. Mulder voor ƒ 530.
W. de Fouw en enige handelaren binnen de gemeente verzoeken het gemeentebestuur om de sluiting van de haven, noodzakelijk voor de herstellingen aan het Goese Sas, tot het einde van het jaar uit te stellen. Dit tot voorkoming van een groot nadeel en ongerief indien dit moet geschieden in een tijd dat alle voorraad voor de winter behoort te worden aangevoerd. Ze schrijven onder meer het volgende:
Zijdelings vernomen hebbende dat het plan zoude bestaan dat eerstdaags voor noodwendige herstellingen de buitenhaven zoude gesloten worden, hetgeen voor de ondergetekenden als handelaren in het algemeen en voor alle neringdoenden tot een groot nadeel en ongerief zoude verstrekken, om reden dat juist in de tijd zoude vallen dat alle voorraad voor de winter als brandstoffen, aardappelen, behalve alle andere winkelwaren moeten worden aangevoerd en dit alzo niet zoude kunnen geschieden dan met opoffering van grote kosten, nemen de ondergetekenden de vrijheid u beleefd te verzoeken om, indien daar enigszins mogelijkheid toe mocht bestaan, de sluiting van het sas te willen doen uitstellen tot het eind van dit jaar’.
De ondertekenaars van de brief zijn o.a.: G. Sterk, J. Krol van de Hoek, D. Vervenne, J.V. de Frein, handelaren in steenkolen, A. Nortier, C. Pilaar en zoon, J.H.K. Dominicus van den Bussche, Johannes Dekker en A. Sterk. Het gemeentebestuur besluit de voorgenomen werkzaamheden zo lang mogelijk uit te stellen en van de aanvang daarvan in ieder geval tijdig openbare bekendmaking te doen.

In november 1861 wordt het bestek en de voorwaarden voor het vernieuwen van de beschoeiing aan de westzijde van de haven bij de ophaalbrug aanbesteed. De openbare aanbesteding is op 7 december aan W.J. van de Weert voor ƒ 1.216.
Aangezien de werkzaamheden aan de haven en sluis vermoedelijk omstreeks de helft van december 1861 zullen aanvangen wordt daarvan voorlopig en van het staken van de vaart openbare bekendmaking gedaan.

Omdat de werkzaamheden aan de haven en het sas weldra volbracht zullen zijn besluit het gemeentebestuur in januari 1862 daarvan openbare bekendmaking te doen evenals van de heropening van de scheepvaart.

In 1862 wordt in het openbaar aanbesteed: het maken van 250 vierkante el steenglooiing aan de haven voor ƒ 700 en het herstellen van de vloeddeuren aan de buitensluis van de haven voor ƒ 358.

Eind januari 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de heer Th. Bleckman, Ingenieur van de Waterstaat, waarbij ingezonden worden de betalingstukken van het herstel van de vloeddeuren van de buitensluis van het Goese Sas. De burgemeester deelt mee dat de heer Bleckman hem te kennen heeft gegeven voortaan, als gevolg van de toegenomen en dagelijks vermeerderende werkzaamheden zowel door de op handen zijnde graving van een kanaal door Zuid-Beveland als de voorgenomen aanleg van een spoorweg door dit eiland, met de beste wil geen tijd en gelegenheid zal hebben om in het belang van de gemeente werkzaam te zijn.
Besloten wordt te berusten in het werkelijk bestaande bezwaar van de heer Bleckman en hem welmenend dank te betuigen voor het door hem belangeloos verrichte voor de gemeente en hem te verzoeken een opgave van de door hem gedane verschotten van de gemeentewerken te doen.

In februari 1862 komt bij het gemeentebestuur een rapport ter tafel over de ontdekte calamiteiten aan het sas en de wijze en kosten van het herstel. Sinds onderscheidene jaren had men de treurige ondervinding dat de paalworm de slagdorpel en het puntstuk van de ebdeuren van het binnensas had aangetast. Het voornemen bestond dan ook om in de loop van dit jaar bij de een of andere geschikte gelegenheid er onderzoek naar te doen. Dit was alleen mogelijk door een gedeeltelijke afdamming. Kort na het vaststellen van de begroting voor dit jaar bleek het dat de ijzeren bouten niet meer bestand waren om het houtwerk te bevestigen. De puntstukken waren opengesprongen en een herstelling kon niet langer worden uitgesteld en was zelfs dringend noodzakelijk. Hoe dan ook, na enige tegenspoed is het werk de laatste dagen volbracht. Bij het droogmaken bleek dat het puntstuk, de slagdorpel en boven vloer bijna geheel door de paalworm zijn verteerd, terwijl een gedeelte van de gemetselde vloer voor de deuren met de hand kon worden weggenomen. Het bleek dat de zwalpen en ondervloer zich nog in goede staat bevonden.
De kosten van dit herstel evenals van de riolen in het binnensas, wat ook hoognodig was, hebben in totaal bedragen ƒ 2.722,65. In de begroting is hierin niet voorzien.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om een gedeelte modder uit de kaai te halen om de vaart in de haven te verbeteren. Samen met de huur van een aak zijn de kosten ƒ 186. Veel hout is er nodig geweest voor het maken van de kistdammen. Dit hout kan gedeeltelijk nog worden benut. Tot bestrijding van de kosten worden de volgende werken uitgesteld: de steenglooiing ƒ 1.400; de herstelling van het havenboord ƒ 1.000 en de nieuwe klinkerbestrating voor de straat voor de Waag en het Stadhuis ƒ 438, tezamen ƒ 2.838.

In de vergadering van de gemeenteraad van 1 april 1862 deelt wethouder Van Kerkwijk mee dat er in de afgelopen tijd een aanmerkelijke degradatie is ontstaan aan het zuidelijk beloop van de noordelijke havendam aan het Goese sas. De kosten van herstel zijn berekend op ruim ƒ 600. Daardoor is het gemeentebestuur teleurgesteld in haar hoop dat het in de gemeentebegroting opgenomen bedrag van ƒ 1.400 voor de steenglooiing geheel zou kunnen worden gebruikt voor de belangrijke herstelling die aan het sas heeft plaats gehad. Het is daardoor thans nodig op een andere wijze de fondsen te vinden voor het leggen van de nu onvermijdelijk geworden 260 vierkante ellen steenglooiing op de havendam.
Het college geeft de gemeenteraad in overweging dit jaar niet aan te kopen 25000 straatkeien die berekend zijn op ƒ 1.000. Deze zijn evenwel bij de tegenwoordige duurte niet te bekomen. Van deze gelden zullen de nu te verrichten herstellingskosten worden betaald. Het overschot zal bestreden worden voor de noodzakelijke herstelling van de straat voor de Waag en het Stadhuis in klinkers. In 1862 wordt de herstelling van de sasdeuren aanbesteed aan W. de Beste voor ƒ 358.

De voorgenomen aanbesteding van een onvermijdelijk geworden steenglooiing aan de noordelijke havendam vindt op 5 april 1862 in het openbaar plaats en is gegund aan de minste inschrijver Cornelis de Wilde te Kattendijke voor ƒ 700.
In januari 1863 begeven zich de commissaris van politie, vergezeld van de agenten Wolfers en Maartense, naar de scheepstimmerwerf om een onderzoek te doen naar het lek in het schip van schipper Pieter de Ronde. Naar het openbaar gerucht is het in de buitengeul van de haven op een steen lek gestoten en hebben de politiemannen gezien dat de schuit van De Ronde, nadat het op de helling van de werf gehaald is, aan de linkerzijde van de bodem een gat heeft gestoten naast de kiel, langwerpig ter lengte van 25 duimen, terwijl uit het voorste gedeelte van het gat is te zien dat dit door het schuren over een steen is ontstaan. Dit is ook kennelijk te zien door de splinters die zich daaraan nog bevinden, terwijl bovendien de bodem van het schip gaaf en ongeschonden is.

Het college schrijft in januari 1863 aan de Goessche Stoomboot Onderneming het volgende:
Wij zien ons genoodzaakt u kennis te geven dat gedurende de onlangs gewoed hebbende storm door het Stoomschip Stad Goes enige schade is veroorzaakt aan het Sas dezer gemeente, welke wordt hersteld door het plaatsen van een ijzeren beugel en het krammen van een zerk, waarvan de kosten later aan u zullen worden opgegeven. Wij vertrouwen dat, na het ontvangen van die opgave, bij u geen zwarigheid zal bestaan die kosten te dragen’.

Van februari 1863 dateert het Bestek en voorwaarden voor het maken van een steenglooiing aan de buitenhavendammen van het Sas met bijlevering van de benodigde Vilvoorde steen, brikken, grond, arbeidslonen en het maken van een brikglooiing in de haven.

In januari 1864 wordt aanbesteed het leveren van 80.000 straatklinkers en het maken van 1000 strekkende ellen brikglooiing in de haven.
Het metselwerk aan het sas wordt in mei 1864 aanbesteed aan A. de Bruijne voor ƒ 585.

Het Hoofdbestuur van de Wilhelminapolder wijst in december 1864 op de belangrijke afschuivingen van de kanten van de haven en verzoekt om voorziening. Besloten wordt te berichten dat al maatregelen zijn genomen en verder zullen worden genomen om dat kwaad te stuiten en zoveel mogelijk te voorkomen.

De financiële commissie voor de gemeentebegroting voor 1865 heeft de voorgestelde vernieuwingen aan het kanaal en de havenwerken in oktober 1864 met zorg overwogen. Daarbij is vooral de aandacht gevestigd op de beide voornaamste punten: de kanaal- en havenwerken en de realisering van een nieuwe brug. Zij heeft daarbij niet angstvallig overwogen of een of ander onderdeel tot een volgende begroting zou kunnen worden aangehouden, maar zich eenvoudig deze vragen voorgesteld: is het voorgedragene noodzakelijk? Zou men de bestaande brug wensen te herstellen of in de nu bestaande toestand vernieuwen? Zij is daarbij overtuigd geworden, dat de voorgedragen werken noodzakelijk zijn en een ijzeren draaibrug in plaats van de bestaande het meest met het gemeentebelang overeenkomt.

Op de begroting voor 1865 wordt een bedrag opgenomen voor haven- en kanaalwerken van ƒ 8.150. Daarin zijn begrepen een paar nieuwe sasdeuren voor ƒ 12.600, windwerken aan het sas ƒ 500 en herstel van de vleugeldeuren ƒ 1.650, tezamen ƒ 3.750.

In juni 1865 worden het bestek en de voorwaarden voor het aanbesteden van het maken en inhangen van een paar nieuwe vloeddeuren in de binnensluis van het Goese Sas, alsmede het herstellen van een paar vloeddeuren van de buitensluis van het Sas vastgesteld.

Het jaarverslag over 1865 vermeldt:
De voornaamste werken bestonden voorts uit het maken van een steenglooiing aan de haven, aanbesteed voor ƒ 3.630,90; uit herstellingen aan het sas, voornamelijk in metselwerk bestaand, ad ƒ 1.639; uit herstellingen aan de sasdeuren besteed voor ƒ 1.149’.

In september 1867 wenden de heren Marinus van Stappen, Janus Sinke, arbeiders, en Mattheus Dronkers, scheepstimmerman, allen bewoners van de dijk leidende langs de garancinefabriek van de heren Fransen van de Putte c.s. naar de Schans, zich tot de gemeenteraad. Ze dienen een verzoek in om op deze dijk enige verlichting aan te brengen, daar het bij donker weer s avonds zeer moeilijk en gevaarlijk is deze weg te begaan. En aangezien vooral beide eerstgenoemden bijna uitsluitend buitenshuis hun brood verdienen zijn zij verplicht elke avond voor een groot gedeelte die dijk te passeren. Het is meer dan eenmaal gebeurd dat ze al rondtastende hun woningen moesten vinden. Ze veroorloven zich bij deze op te merken dat een eind verder voorbij het werkhuis van N. de Lange een lantaarn is geplaatst van weer licht. Zij daarentegen zijn op genoemde dijk ten enenmale daarvan verstoken. Door verplaatsing van de lantaarn zou deze van groot nut kunnen zijn om ook voor de bewoners en voor de passage die nogal tamelijk druk is van genoemde dijk.

De oude haven
In december 1863 ontvangt het gemeentebestuur een verzoek van C. Kornu tot verlenging van de pacht van de grond in de oude haven voor 7 jaar.

De achterhaven
In mei 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van J.C. Kolenbrander, pachter van de voormalige achterhaven. Hij geeft kennis dat buiten zijn weten op een gedeelte van de gepachte grond een straat is gelegd en voorwerpen worden geplaatst die daar niet behoren. Uit onderzoek is het college gebleken dat dit misbruik is gedaan door mejuffrouw Crucque, wonende op de Kleine Kade en met haar woonhuis op die grond uitkomende. Hij stelt voor het college te machtigen om dat misbruik te doen ophouden, hetzij in der minne hetzij door middel van rechte.

Mevrouw de weduwe J.M. Vermande-Pilaar dient in augustus 1864 een verzoek in om een gedeelte gemeentegrond te pachten, gelegen in de Oude Achterhaven achter het naast de spijskokerij (het soepuus) staande huis in wijk B nummer 190. Bij het college zijn geen bezwaren om dat verzoek in te willigen onder voorwaarde dat de toegang tot de modderbak altijd zo nodig wordt verleend en de pacht zal eindigen wanneer de grond voor de gemeente zelf mocht nodig zijn.
Dit perceel heeft een kadastrale grootte van 242 vierkante ellen. Zij verzoekt de grond te mogen pachten. Bij de archiefstukken zit een bijzonder fraaie kadastrale tekening van de grond van de oude achterhaven en de moddersloten aan weerszijden en de modderbak.  

De landmeter van het kadaster J.J.B. Ziecking verklaart in september 1867 dat hij de afpalingen in de achterhaven, achter de gebouwen en erven van de Rozemarijnstraat en de Molendijk, volgens kadastraal plan heeft bewerkstelligd en dat hij vervolgens deze afheiningen van de grenzen of limieten met de eigenaren is overeengekomen, gelijk hem uit nader onderzoek is gebleken.
Bij de stukken zit een ‘Bestek en Voorwaarden open riool enzovoorts van de Achterhaven Goes 1867’ voor het aanbesteden van het leggen van een open riool en het doen van daarbij behorende werken in de voormalige achterhaven. De werken bestaan in het leggen van een open riool in verbinding met de modderbak achter de soepkokerij, het maken van een tweede modderbak, het leggen van verschillende buizen tot uitwatering van de particuliere erven met het metselen van de nodige zinkputten en het ophogen en effenen van het terrein.

Kwestie over Inpolderingen Wilhelminapolder 1809
In juni 1862 is een commissie benoemd om de stukken te onderzoeken betreffende de realisering van het sas en de haven en daarover verslag te doen. De commissie bestaat uit de burgemeester en de heren J.H. de Laat de Kanter, C. Pilaar en J.A.A. Fransen van de Putte. Uit de stukken is de commissie gebleken dat krachtens concessie of octrooi, verleend door Zijne Majesteit de Koning op 26 februari 1809, op 13 april van dat jaar in het openbaar zijn verkocht de schorren van Goenje, Hongersdijk, Mosselbank en de Slurf, onder verplichting om die schorren te bedijken onder de naam van Lodewijkpolder, thans Wilhelminapolder. Volgens artikel 5 moest de koper en bedijker voor zijn rekening maken en graven een schut- of kolksluis met schutkolk; een buitenhaven en een binnenhaven.
Hieruit blijkt:

  1. dat het maken en graven van deze sluis en haven deel uitmaakt van de concessie of het octrooi tot bedijking, de 26e februari 1809 door het toenmalig hoofd van de Nederlandse Staat verleend;
  2. dat de gemeente Goes die sluis en haven heeft verkregen als privaatrechtelijk eigendom, ofschoon tot publiekrechtelijk gebruik bestemd;
  3. dat het gehele onderhoud komt ten laste van de gemeente Goes.

Singels, beplantingen en wandelplaatsen

Het gemeentebestuur maakt in april 1861 bekend dat het sinds enige tijd heeft opgemerkt dat sommige aanliggende eigenaren de singels hebben beplant zonder daarvoor verkregen vergunning. Dit is in strijd met het eigendomsrecht van de gemeente. De singels zijn evenals de wallen gemeentelijk eigendom.
De gemeenteraad wordt meegedeeld dat er een onderzoek is ingesteld of er ook enige resolutie bestaat in tegenspraak met hun gevoelen. Kennelijk wordt de gemeentearchivaris hierover om advies gevraagd. Uit het onderzoek blijkt dat door een besluit van 24 februari 1548, ‘waarbij in een bijzonder geval tot zodanige beplanting speciale vergunning is verleend, welk besluit voorkomt in het Register van resoluties, ordonnanties, akkoorden en andere aantekeningen, beginnende met het jaar 1474’.
Uit de voorlezing hiervan wordt het college bevestigd in haar oordeel. Besloten wordt verzoeken van de heren M. de Dreu en P. Remijn in te willigen en hen vergunning te verlenen om de door hen geplante bomen op de Westsingel te laten staan onder de verplichting deze om de drie à vier jaar te kandelaren en alle hinder voor de passage met rijtuigen en geladen wagens te voorkomen

In juli 1861 worden de voorwaarden van verpachting van de grasetting van de voormalige zeedijk aan de Galghoek tot aan het sluisje tussen de vest en de Poel, over de plaats waar de gortmolen gestaan heeft, vastgesteld. De openbare verpachting ervan zal over veertien dagen plaats vinden.

Voor de werkzaamheden aan het Goese Sas in augustus 1861 zijn 20 palen nodig. Deze moeten door de gemeente worden geleverd. Volgens informatie van de Ingenieur van de Waterstaat zijn er onder de stadsbomen die bestemd zijn om volgende winter te worden gerooid zeer geschikte voor dat werk. De gemeenteraad machtigt het college deze bomen voor dat doel te rooien en te gebruiken.

In december 1861 besluit het gemeentebestuur om in de lopende winter over te gaan tot de openbare verkoop van 12 olmen, 12 populieren en 5 stuks uitloop. Ook in december 1861 krijgt Marinus de Dreu vergunning om de bomen aan de Westsingel te rooien en aldaar te herplanten, onder verplichting om de nieuw geplante bomen om de drie à vier jaar te kandelaren en alle hinder voor de passage met rijtuigen en geladen wagens te voorkomen. Bij het niet voldoen aan deze voorwaarde zullen de bomen onmiddellijk moeten worden gerooid.

De voorzitter legt de gemeenteraad in februari 1862 een brief over van Gedeputeerde Staten met de goedkeuring van het raadsbesluit tot de openbare verkoop van de daarin bedoelde bomen en het weeghuis. De verkoop van de bomen heeft opgebracht ƒ 377,50 en van het voormalig weeghuis bij openbare veiling niet meer dan ƒ 555. In de begroting was hiervoor f 800 geraamd. De hoogste bieder was G.P. Blaaubeen.
De reden hiervan ligt voorzeker in de toestand waarin dit pand is gebracht om het indertijd voor bergplaats van de lantaarns geschikt te maken. Het is nagenoeg geheel uitgebroken en niet dan met belangrijke kosten bewoonbaar te maken.

In november 1862 overweegt het college dat bij het vaststellen van de begroting voor 1863 door de gemeenteraad besloten is tot de verkoop van 98 olmenbomen, staande op de wal van het Ravelijn de Grenadier tot aan het Ravelijn bij de Beestenmarkt. Het wordt nu tijd om tot de openbare verkoop daarvan over te gaan. Besloten wordt om in de aanstaande winter tot de openbare verkoop van de olmen over te gaan.

De voorzitter deelt de gemeenteraad in februari 1864 mee dat het college zich gedrongen voelt de raad voor te stellen 15 populieren, staande bij het huis van de weduwe Robijn en die nadelig zijn voor het dak van dat huis, evenals een tiental bomen bij de Schotteput die hinderlijk zijn voor de te maken weg naar de spoorweg, in het openbaar te verkopen. Aldus wordt besloten.
Ook in december 1865 besluit het gemeentebestuur tot de verkoop van 137 olmenbomen, staande op de wal achter de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ aan de Kreukelmarkt en van 19 olmenbomen in de zogenaamde ‘Hooge Boomen’ tussen de voormalige Koepoort en Ganzepoort.

Wat betreft de wandelplaatsen neemt de gemeenteraad in de begroting voor 1865 een post op.

Begraafplaats

In februari 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Directie van de te Goes bestaande Begrafenis sociëteit. Deze brief bevat een opgave van bemerkingen bij het begraven omtrent de inrichting van de draagbaar en de lijkkoets. In overweging wordt gegeven daaraan tegemoet te komen. De opzichter over de gemeentewerken rapporteert dat hem gebleken is dat de geopperde bezwaren inderdaad bestaan. Die aan de draagbaar kunnen zonder grote kosten uit de weg worden geruimd, maar die van de lijkkoets zijn nogal beduidend en zullen vrij hoge kosten veroorzaken. Besloten wordt de draagbaar te laten veranderen overeenkomstig de wens van de Begrafenis sociëteit en de verbeterde inrichting van de lijkkoets vooreerst aan te houden.

Watervoorziening

De gezondheidscommissie rapporteert in juli 1868 aan de gemeenteraad kennis te hebben gekregen dat dezer dagen door een groot gedeelte van de inwoners water uit de vesten wordt gehaald om te drinken. De hoogst nadelige bestanddelen, waarmee dat water volgens chemisch onderzoek bezwangerd is, geeft de commissie de vrijheid de aandacht van het gemeentebestuur op de meest ernstige wijze op de gevaren voor de gezondheid van de burgerij te vestigen. Ze adviseert om ten spoedigste het gevaarlijke dat er voor de gezondheid van de burgerij is door omroeping bekend te maken. Zij voegt er de wens aan toe dat ‘uw maatregelen mogen worden beraamd om gezond drinkwater van elders (b.v. uit Noord-Brabant) te doen komen’.

Gasvoorziening en gasfabriek

In februari 1861 komen er bij de gemeenteraad brieven binnen van de commissarissen van de Utrechtse Gasonderneming en van de heer mr. David Leon uit ‘s-Gravenhage, praktiserend advocaat en lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland. Ze verzoeken toestemming voor de overdracht van de gasfabriek van genoemde maatschappij op de heer D. Leon met de bedoeling op te richten een te vestigen naamloze maatschappij onder de benaming van ‘Goessche Gaz Maatschappij’, dit met behoud van al de rechten en verplichtingen wat betreft de straatverlichting.
De overdracht geschiedt voor een bedrag van ƒ 45.000. Dit is het bedrag waarvoor de fabriek door de heer D. Leon van de Utrechtse Gasonderneming is gekocht.
De gemeenteraad besluit met de overdracht in te stemmen en ‘om de kosten der oprichting van de gasfabriek, ter voldoening aan artikel 5 der voorwaarden van aanbesteding der gasverlichting dezer gemeente, te bepalen op de door hen overeengekomen koopsom van ƒ 45.000’.

De commissarissen van de Utrechtse Gasonderneming geven het gemeentebestuur in maart 1861 kennis van de schorsing van de heer J.J. van de Broecke als directeur van de gasfabriek en de tijdelijke benoeming van de heer J.A. Cramer per die datum. Cramer wordt in mei tijdelijk vervangen door de heer W. de Liefde, tevens tijdelijk ingenieur van die maatschappij. In juni geven de commissarissen kennis dat zij als directeur van de Goese gasfabriek hebben aangesteld de heer J.A. Cramer.

Het gemeentebestuur overweegt in november 1861 dat het gas in de gemeente de laatste tijd een ondragelijke stank verspreidt. Een daarover gemaakte opmerking aan de directeur is helaas zonder gewenst gevolg gebleven. Besloten wordt de maatschappij van de Utrechtse Gasonderneming aan te schrijven dat hierin dient te worden voorzien op straffe van toepassing van de strafbepaling in artikel 15 van het Contract van Aanbesteding van de verlichting van de gemeente.

De verlichting in de gemeente geschiedt bij donkere maan met 112 gaslantaarns van dat de donker valt tot 11 uur en verder gedurende de nacht met 60 gaslantaarns.
Het jaarverslag over 1862 vermeldt dat de straatverlichting met gas in het jaar 1862, dankzij de goede zorg van de nieuwe directie, zeer voldoende was. Algemeen was men er tevreden over. Het jaarverslag over 1864 vermeldt: ‘De straatverlichting met gas, had op algemeen verlangen ook plaats gedurende de zomermaanden van het jaar 1864, en was zeer voldoende’. Het jaarverslag over 1865 vermeldt: ‘De straatverlichting met gas voldeed weder algemeen; bij de nieuwe draaibrug is daarin enige verandering te weeg gebracht, waardoor het getal lantaarns met twee is vermeerderd’.

Riolering en mestvaalten

Riolering
In de begroting voor 1865 zijn posten opgenomen van ƒ 526 opgenomen voor het dempen van de moddergoot in de Korte Kerkstraat, van ƒ 754 voor het riool van het Waterstraatje naar de modderbak, van ƒ 1.097 voor de sloot in de Sint Agnesgang, samen ƒ 1.977.
Raadslid De Laat de Kanter merkt in de begrotingsvergadering van oktober 1864 op de voorkeur te geven aan het dempen van de sloot tussen de sociëteit ‘Van Ongenugten Vrij’ aan de Kreukelmarkt en het Manhuis boven de sloot in de Agnesgang.
Raadslid Saaymans Vader wenst dit gehele onderdeel uit de begroting te schrappen. Hij beschouwt ‘die werken als overbodig en onnodig’.
Besloten wordt deze totaalpost op de begroting te behouden en aan het college over te laten, des goedvindende, gebruik te maken van de opgenomen gelden voor de andere sloot.

In juli 1865 delen Simon Jacobus de Jonge en Dignus Dekker, beiden bewoners van de Ganzepoortstraat, mee dat zij de grootste overlast en nadeel lijden door de bewoners van het huis van de heer B.C. Briels, bewoond door M. van der Reit, in wijk C nummer 173 in deze straat. Daar bevinden zich op de erve een of twee modderputten, waarvan het vuil water bij De Jonge in de schuur loopt, zijnde een welput die voor drinkwater gebruikt wordt.
De eigenaar van dat pand en de bewoners zelf zijn meer dan eens vermaand om daarin te voorzien. Het is eerder verergerd dan verbeterd. Er zijn zelfs stenen uit het fundament van de schuur gewerkt om de lozing van hun vuil water te bevorderen, dit tot nadeel en ongemak van genoemde bewoners. Ze weten niet hoe ze hierin moeten handelen en richten zich daarom tot het college om daarin zoveel mogelijk te voorzien.

Het jaarverslag over 1865 meldt als uitgevoerde gemeentewerken o.a. her herstellen van de beerput voor ƒ 730, terwijl nog met de verbetering van goot- en rioolstelsel een aanvang is gemaakt door de demping van de goot in de Korte Kerkstraat en voor het raadhuis, aanbesteed voor ƒ 573.

In 1866 worden twee moddersloten aan de Zusterstraat en de Agnesgang gedempt en vervangen door overdekte riolen van open goten. Daardoor is een belangrijke schrede gedaan tot verbetering van de gezondheidstoestand van de ingezetenen.
In de begroting voor 1867 wordt opgenomen de vernieuwing van het riool in de Agnesgang en de Beestenmarkt. De kosten hiervan zijn begroot op ƒ 2.437. Er zit een duidelijke situatietekening bij de stukken. Verderop in de archiefmap bevindt zich een begroting voor het maken van een nieuw riool tot vervanging van de moddersloot langs de Agnesgang met het vernieuwen van een gedeelte riool tussen de Agnesgang en de gang naar het Bleekveld.  

In november 1866 wordt een onderzoek ingesteld naar de woning van de kleermaker G.M. den Herder aan de Wijngaardstraat in wijk A nummer 18. Het onderzoek betreft de gegrondheid van een klacht van Den Herder dat telkens na veelvuldige regens zich in de zogenaamde kelder onder de bedsteden in zijn woonkamer zich een aanzienlijke hoeveelheid troebel en stinkend water, door drabbig uiterlijk en stank kennelijk afkomstig van een verstopt riool, zou ophopen. Hij verzoekt dringend om het riool te herstellen.

De openbare gezondheidscommissie dringt in mei 1867, gelet op de op de begroting 1867 uitgetrokken post, aan om de stinkende sloten in de voormalige achterhaven te vervangen door een overdekt riool. Ze is van oordeel dat, met het oog op een mogelijke nieuwe invasie van de cholera Asiatica, zo’n vervanging van grote urgentie moet worden geacht. Ze verzoekt ten spoedigste tot de uitvoering van dat werk te gelasten.
Hiertoe wordt ook overgegaan. Want in de raadsvergadering van 14 oktober 1867 deelt de voorzitter mee dat over enige dagen plaats zal hebben de aanbesteding van het leggen van een open riool en het doen van daarbij behorende werken in de voormalige achterhaven. Daardoor zal de grond geheel moeten worden omgewroet. Dit tot groot nadeel van de pachter van die grond W.C. Plats. Er is met de pachter overlegd over een schadevergoeding. Hij ziet daarvan af als hem de pacht maar voor zeven jaar wordt verlengd. Dit is akkoord.

Het gemeenteverslag over 1867 vermeldt hierover het volgende:
Door het dempen van de stinksloten langs de grond van de voormalige achterhaven en het vervangen van dezelve door een overdekt riool, is weder een belangrijke verbetering gebracht in het rioolstelsel binnen de gemeente. Hoezeer de sterfte groter is geweest dan in 1866, is het getal sterfgevallen, in vergelijking van vroegere jaren, niet bijzonder hoog’.

De openbare gezondheidscommissie neemt in april 1868 met grote ingenomenheid kennis van de vervanging van de zogenaamde achterhaven (de vroegere spuikom) door een gemetseld riool. De commissie verzoekt deze uit hygiënisch oogpunt hoogst gewenste verbetering zo spoedig mogelijk ook toe te passen op de navolgende, de lucht verpestende en de gezondheidstoestand van de ingezetenen bedreigende open reservoirs van drek en vuilnis van allerlei aard. Gedoeld wordt op:

  • de dreksloot in de Voorstad langs de huizen van Bookelaar;
  • die achter de huizen aan de Molendijk bij de tuin die vroeger aan Jan Pros toebehoorde;
  • die achter de huizen tussen de twee poorten;
  • die achter de Nieuwstraat bij de herberg ‘de Prins van Oranje’.

De commissie meent thans bij het gemeentebestuur op deze verbeteringen te mogen aandringen omdat thans nog de tijd van het jaar het toelaten zou er een aanvang mee te maken. Ook omdat het goed mogelijk is dat in de aanstaande zomer een nieuwe epidemie van cholera Asiatica onze gemeente bezoekt.

Mestvaalten
In de raadsvergadering van 30 juli 1868 komt een rapportage van de openbare gezondheidscommissie aan de orde. De commissie wijst op de talrijke mestvaalten die, vooral bij de tegenwoordig heersende hitte, niet anders dan schadelijk kunnen zijn voor de openbare gezondheid en waarvan de wegneming of verbetering zeer dringend noodzakelijk mag worden genoemd.

Waterlopen en sloten
Elk jaar wordt een schouwing van de sloten in de gemeente verricht.  
In december 1862 rapporteert wethouder Kakebeeke dat bij de door hem met de commissaris van politie gedane schouwing op de reiniging van de sloten langs de wegen gebleken is dat vele van de aanwonende eigenaren aan de gedane openbare uitnodiging niet hebben voldaan. Op zijn voorstel wordt besloten de nalatigen nogmaals schriftelijk en persoonlijk aan te manen aan hun verplichting te voldoen.

C.F. van Ettinger verzoekt in januari 1863 toestemming voor het aanleggen van een waterloop van kannen buizen uit zijn woning in de Lange Vorststraat in wijk C nummer 223 tot aan de stadsvest. Hij zal deze alleen gebruiken voor de afvoer van overtollig water en niet van fecale of andere nadelige stoffen. Voor het uitvoeren van dit verzoek moet hij de stadswal achter zijn werkplaats afgraven. Hij krijgt daarvoor toestemming.  

Beerputten
De voorzitter deelt de gemeenteraad in oktober 1865 mee dat de beerput is gesprongen en dat dit een aangelegenheid is die geen uitstel kan leiden. Hij heeft daarom de heer Ferdinandusse een bestek en begroting laten maken. Het werk is inmiddels aanbesteed voor ƒ 750. De oorzaak van het defect is vermoedelijk dat de put te vol was en de steun van het water missende daardoor is gesprongen.
Op het ogenblik van het springen bleek de put anderhalve scheepslading beer in te houden en dus kan geacht worden overladen te zijn. Door voorbijvarende schippers waren al enige tijd tevoren barsten of scheuren in de buitenmuur opgemerkt. Het is erg jammer dat daarvan niet tijdig kennis is gegeven aan hen die met het toezicht op de gemeentewerken zijn belast.

Karremansput en Bijstermanput
In juni 1865 verzoekt I.J. Paardekoper vergunning om de oeverkant van de zogenaamde Bijstermanput aan de zijde van zijn hoefje, bewoond door F. van der Bliek, met puin op te hogen tot zodanige hoogte en lengte als hij geschikt zal oordelen om met paard en wagen via een daar alsdan geplaatst ijzeren hek op de cingel te geraken.
In maart 1868 heeft de gemeentebouwmeester D. de Koning de hekken langs de Karremans mestput opgenomen. Met het oog op de nog korte pachttijd kan het niet overbodig zijn de pachter eens te herinneren dat hij deze hekken in behoorlijke staat moet onderhouden. Het college erkent de wenselijkheid daarvan, doch ziet bezwaar in een algemene toepassing van zodanige maatregelen.

Moeras
In oktober 1863 schrijft de heer O. Verhagen het college het volgende:
Bij de ingang van mijn terrein, behorende tot de fabriek Zuid-Beveland, bestaat een zeer onooglijk moeras, dat te dier plaatse de scheiding maakt tussen de erve van mij en het land behorende aan de heer J.H.C. Kakebeeke. Dat drabbig moeras zou ik wensen te dempen met korenaarde en te annexeren aan mijn terrein, waardoor ik vermeen dat een flinke verbetering te dier plaatse zou verkregen worden zonder benadeling van iemands belangen’.

Straten en wegen

In december 1861 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de weduwe J.C. Massee & Zoon met een herinnering aan de slechte bestrating van het Witte Paardstraatje. Dit met het dringend verzoek om die te verbeteren. Besloten wordt daarop te antwoorden dat in het aanstaande zomerseizoen aan dat verlangen zoveel mogelijk zal worden voldaan.

Ook in december 1861 ontvangt de gemeenteraad een brief van de heren Verhagen c.a. met klachten over de gevaarlijke en bijna onbruikbare toestand van een gedeelte weg bij de in aanbouw zijnde nieuwe gevangenis. Deze wordt in handen van de opzichter gesteld voor het doen van onderzoek. Op voorstel van de opzichter wordt besloten de openbare weg nabij de in aanbouw zijnde gevangenis te verbeteren.

Er moet nodig wat aan de Veerweg naar het Sloe verbeterd worden. In maart 1862 komt een ingekomen brief van Gedeputeerde Staten met het verzoek om aan de heer W. de Fouw Wz, ondernemer van de diligencedienst tussen Goes en Middelburg, mee te delen dat aan zijn klachten dat de Veerweg te smal is zal worden tegemoetgekomen. Dit geldt niet voor zijn bezwaar dat de keerplaats aldaar niet voldoende is.  

In maart 1862 komt in de gemeenteraad aan de orde het voorstel van de directie van straat- en zandwegen in Zuid-Beveland aan de verschillende gemeentebesturen om voor gemeenschappelijke rekening verscheidene wegen in het eiland te begrinden.
Raadslid De Laat de Kanter betoogt dat het belang van Goes meebrengt om zoveel mogelijk te zijn en te blijven het middelpunt van de handels- en nijverheidsbewegingen van het gehele eiland. Uit dien hoofde is het tot stand brengen van goede wegen voor de gemeente van groot en overwegend gewicht. Bij die beoordeling moet men niet vragen of de wegen in deze gemeente goed zijn, maar of de wegen in de gemeenten die naar Goes voeren zijn zoals ze moeten zijn. Zal Goes dus blijven wat het is en meer en meer worden de los- en ladingsplaats van de artikelen van aanvoer en de in het eiland geteelde producten van de landbouw, dan moet Goes in zijn eigen belang meewerken aan het tot stand brengen van goede wegen in het gehele eiland.
Met algemene stemmen wordt het voorstel aangenomen.

In 1862 worden - volgens het jaarverslag – ‘de straten en pleinen zonder grote herstellingen gelaten, omdat nog altoos opbrekingen voor de gasverlichting noodzakelijk waren. Alleen voor het raadhuis zijn de straatkeien opgenomen en door klinkers vervangen’.

De opzichter van de gemeentelijke wegen en werken verklaart in januari 1863 dat hem, na ingesteld onderzoek in opdracht van het college, gebleken is dat het woonhuis E nummer 161 benevens de 0,4770 bunders tuin, genaamd het Ravelijn, staande en gelegen aan de Westhavendijk bezuiden het oude Hoofd van Goes, een waarde vertegenwoordigen van ƒ 2.200. Bij de stukken zit een taxatierapport betreffende 91 olmenbomen, staande op de weide tussen de meestoof ‘de Liefde’ en het bedrijfje van de gemeente dat vroeger genaamd werd de trekkerswoning, thans in pacht bij Van den Berge.
Als gevolg van het besluit in de vorige besloten zitting van de gemeenteraad heeft het college onderhandeld met de heer Van den Bosch over de aankoop van het door hem te koop aangeboden Ravelijn en woonhuis aan de westzijde van de haven. Met hem is een prijs overeengekomen van ƒ 2.000.

Het gemeentebestuur besluit in februari 1863 over te gaan tot de openbare aanbesteding van 73.000 stuks straatklinkers, te leveren aan de oostzijde van de Grote Markt. Aannemer wordt de heer E. van Holst, steenfabrikant te Beuningen, voor ƒ 14,91 per duizend klinkers, samen voor ƒ 1.088,43. Ook in januari 1864 worden de voorwaarden vastgesteld voor de besteding van de levering van 80.000 straatklinkers en voor het leggen van 1000 strekkende ellen brikglooiing in de haven. Dit wordt gegund aan E. van Holst te Beuningen voor ƒ 11,37 per 1000 of ƒ 909,60 de hoop en voor het laatste aan A. Roggeband te Waarde voor ƒ 1.884.

In februari 1863 komen bij het gemeentebestuur aan de orde processen verbaal van de commissaris van politie en de opzichter van gemeentewerken over de richting van de afscheiding van de in erfpacht afgestane gemeentegrond in de zogenaamde Stoofweide aan de heer J.J. van den Broeke. Daaruit blijkt dat de afscheiding thans zodanig is geplaatst als bij de uitgifte van die grond is bedoeld.

In de begroting voor 1864 worden opgenomen het beklinkeren van de Nieuwstraat van de Beestenmarkt tot de Stoofstraat voor ƒ 1.230 en het verleggen van de straat aan de noordzijde van de Beestenmarkt voor ƒ 190, samen ƒ 1.420.

In januari 1864 komt een verzoek binnen namens de heren Van der Bilt om een dam te maken over de sloot die hun erf met de wal zou verenigen en tevens om vergunning om van daar tot aan de Brouwersgang te mogen rijden met een kruiwagen of handkar. Zij willen een uitweg maken van hun tuin over de wal en met karren en handwagens daarop rijden van die uitweg tot de Brouwersgang bij de Beestenmarkt. De tuin is bedoeld voor de warmoezerij.
Raadslid De Laat de Kanter zegt dat het volgens artikel 22 van de Verordening op de wallen verboden is met voer- of rijtuigen zonder schriftelijke vergunning van de burgemeester te rijden. De burgemeester meent echter dat dit artikel slaat op bijzondere gevallen. Maar daar het hier een servituut (erfdienstbaarheid) is, meent hij dat alleen de gemeenteraad bevoegd is dat te verlenen. Het college stelt de raad voor het verzoek in te willigen onder voorwaarden.

De heer O. Verhagen dient in augustus 1864 een klacht in over de aan hem veroorzaakte overlast door het ruimen van de beerput en het inladen van mestspecie in de nabijheid van zijn woning, alsook over de onvoldoende herlegging van de straat bij de pakhuizen van de heer Dekker, na het leggen van de gasbuizen.

Aannemer Johannes Dekker krijgt in oktober 1864 vergunning om voor het afgraven van de Oprel van de Molendijk de aldaar gelegen dijk aan beide einden gedurende een week af te schutten.

In de loop van 1864 wordt tot verbetering van de straten aanbesteed de levering van 80.000 stuks straatklinkers voor ƒ 909,60. Deze worden gebezigd voor het vernieuwen van de Keizerstraat en de Sint Adriaanstraat en een gedeelte van de Singelstraat. De aldaar opgenomen keien zijn gebruikt voor het verbeteren van de overige straten, speciaal de ’s-Heer Hendrikskinderenstraat.   

In april 1865 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de burgemeester van ‘s-Heer Arendskerke met de opmerking dat het voornemen schijnt te bestaan om de te maken dam over het Sloe alleen voor de spoorbaan in te richten. Het is zijns inziens van het uiterste belang dat daarop een weg wordt aangebracht voor rijtuigen en voetgangers. Hij stelt voor de Minister van Binnenlandse Zaken voor het verkrijgen van een zodanige weg ten spoedigste uit te nodigen. De voorzitter stelt voor een daartoe strekkend adres bij de Minister van Binnenlandse zaken in te dienen. Dit is akkoord.

De grossier Adriaan Sterk deelt het gemeentebestuur in juli 1865 mee door aankoop eigenaar te zijn geworden van de tuin tussen het Ravelijn en de stadswal, toebehoord hebbend aan wijlen de heer Hermanis Werri. Aan hem was bij besluit van de gemeenteraad van 26 januari 1865 vergunning verleend om voor het houden van eenden in de vest een afheining te plaatsen. De gemeenteraad besluit nu aan Adriaan Sterk in erfpacht af te staan voor dertig jaar per 1 januari 1865 460 vierkante ellen water, behorende tot de stadsvest, ten noorden van zijn tuin tussen het Ravelijn en de stadswal.

Het gemeenteverslag over 1865 meldt:
Weder is ter verbetering der straten in 1865 in ’t openbaar aanbesteed de levering van 65000 straatklinkers voor ƒ 695,50. Deze zijn gebruikt tot gedeeltelijke beklinkering van de Nieuwstraat, terwijl de aldaar opgenomen keien grotendeels zijn gebruikt tot verbetering van de bestrating van de Beestenmarkt’.

In april 1866 wordt het bestek met de voorwaarden vastgesteld waarnaar aanbesteed zal worden het begrinden van een gedeelte van de Oostsingel. De weg begint bij het eind van de nieuwe bestrating van de singel voorbij de weg naar het Valkenslot en eindigt nabij het zomerhuis van wijlen de heer Van de Velde ter plaatse alwaar een haag, een houten schutting en een rieten tuin elkaar ontmoeten. De lengte van de te begrinden weg is 360 ellen, de breedte van de grindbaan is 3 ellen.

Enkele bewoners van de Wijngaardstraat geven in mei 1866 te kennen dat tussen de woonhuizen van twee van hen, in het pakhuis van de broodbakker L. Glerum in wijk A nummer 55, aan de Wijngaardstraat een varkenshok aanwezig is en wel binnen dit gebouw. Als gevolg daarvan stinkt het veelal en dringen voor de gezondheid zeer nadelige dampen in hun woningen door, die vooral in het warme jaargetijde ondragelijk zijn. Ze voelen zich daardoor zeer bezwaard en zien met bekommering de zomer tegemoet, temeer daar zich het geval voordoet dat een gevreesde epidemische ziekte in sommige plaatsen van het vaderland heerst. Hiervoor worden maatregelen getroffen.

In september 1867 deelt wethouder Fransen van de Putte de gemeenteraad mee dat de Poelweg vroeger voor rekening van het Waterschap de Breede Watering werd onderhouden. Het onderhoud is echter sinds enige tijd ten laste van de gemeente gekomen. Deze weg verkeert in een zeer slechte staat en de urgentie om die te verbeteren was zo groot dat het college de kosten van de voorziening heeft laten opmaken en het eerste perceel heeft gegund voor ƒ 40 en het tweede perceel voor ƒ 180 aan de heer Cornu. Die weg is nu nog niet geheel hersteld, maar het college zal na afloop een voorstel aan de gemeenteraad doen om de daarvoor bestede kosten te dekken. Dit wordt voor informatie aangenomen.

Een verzoek van M. van Stappen, J. Sinke en M. Dronkers in september 1867 om verlichting aan de havendijk langs de garancinefabriek van de heren Fransen van de Putte & Co naar de Schans aan te leggen wordt voor afdoening in handen gesteld van het college.

Het verzoek aan de gemeenteraad van J.J. Koens van september 1868 om de Singelstraat te verbreden door afneming van een gedeelte van het kerkhof en de ijzeren bedekking van de goten aan de Kreukelmarkt en het weeshuis te vervangen door meer doelmatige wordt in handen gesteld van het college.
De voorzitter rapporteert in november dat aan het tweede verzoek is voldaan. Hierdoor kan het vallen van de paarden meer worden belet. Het verbreden van de Singelstraat kan niet gebeuren dan in overleg met het kerkbestuur. Omdat er andere plannen zijn om daar de passage te verbeteren stelt het college voor het eerste verzoek voorlopig aan te houden. Raadslid O. Verhagen stelt voor het college te machtigen met het kerkbestuur in onderhandeling te treden over de afstand van een gedeelte van het kerkhof.

Stoomvoorzieningen

Deze jaren zijn de volgende stoomtuigen in bedrijf in de gemeente:

  • in de mee- en garancinefabriek van de heer O. Verhagen een stoomtuig van 30 pk en twee ketels van 1853;
  • in de mee- en garancinefabriek van de heer dr. C.A. van Renterghem een stoomtuig van 32 pk en twee ketels, een van 1853 en een van 1860;
  • in de apotheek van de heren P.A. Hochart en zoon voor de bereiding van geneesmiddelen een van 3 pk en een ketel van 1854;
  • in de meelfabriek, grutterij en pellerij van de heer J.H.C. Kakebeeke een stoomtuig van 15 pk en een ketel van 1857.