Aanvulling? Meld het hier.
<<

Sociale zorg en gezondheid (1861 - 1868)

Gezondheidstoestand

De gezondheidstoestand is over het jaar 1862 over het algemeen gunstig. Behoudens de maanden maart, april, oktober en november zijn de overige acht maanden zelfs zeer gunstig. Van epidemische ziekten blijft de gemeente verschoond.
Met leedwezen voelt het gemeentebestuur zich verplicht de aandacht te vestigen op het meer en meer toenemen van syfilitische ziekten. Overwogen wordt een verordening op de prostitutie in de gemeente vast te stellen.
In haar jaarverslag over 1864 vestigt de gezondheidscommissie opnieuw de aandacht op het meer en meer toenemen van de syfilis in de gemeente. Ze schrijft: ‘Wij achten het onze dure verplichting andermaal uw aandacht daarop te vestigen. Het meer en meer toenemen van deze ziekte, vooral ook ontstaan door de grote werken welke er in de omtrek dezer gemeente tot stand worden gebracht, welke ziekte voor velen de treurigste gevolgen na zich sleept’.

Een ander groot zorgpunt is het zuiveren en schoonhouden van de stadsvest, waarmee deze jaren gelukkig een aanvang kan worden genomen. Het gemeenteverslag over 1862 vermeldt: ‘Worden onze wenschen vervuld dan zal er ook eerlang een krachtige hand worden geslagen aan de verbetering van het riool- en gotenstelsel. Wij kunnen niet vergen dat alles op eenmaal wordt veranderd, maar hopen dat er jaarlijks bij gedeelten een krachtige hand geslagen worde aan dit in deze gemeente zoo hoogst gebrekkig stelsel’.

Het jaarverslag over 1864 tekent over de gezondheidstoestand het volgende aan:
Indien men daarvan afzondert de maanden januari en februari, kenmerkt zich het afgelopen jaar door een gering getal zieken. In de twee eerste maanden van het jaar zagen wij een aantal ziekten der borstorganen, medio januari vertoonde zich de eerste lijder aan pokken, welke ziekte tot het einde van het jaar in meerdere of mindere mate zich openbaarde. De tien overige maanden waren voor de gezondheid gunstig, vooral het najaar bevrijd van gastrische en tussen pozende koortsen’.
Wat betreft de pokziekte, deze nam in het eerste kwartaal epidemische vormen aan. De pokkenepidemie bleef zich het gehele jaar voordoen en was aan het einde van het jaar nog niet geheel als geëindigd te beschouwen.

Het jaarverslag over 1865 vermeldt:
Was op het einde van 1864 de geheerst hebbende epidemie van variola steeds aan het verminderen, in de eerste twee maanden van 1865 waren er nog 15 lijders, waarvan er twee bezweken; na maart kwam geen poklijder meer in de gemeente voor.
De eerste 3 maanden van 1865 kenmerkten zich door sterke koude, strenge vorst, vele en aanhoudende stormen en sneeuw. De vorst die reeds in november 1864 zich vertoonde, hield bij afwisseling aan tot de laatste dagen maart. De pokkenepidemie, in het eerste kwartaal geheel geëindigd, was de enige epidemische vorm in 1865 waargenomen’.

Het jaarverslag over 1867 geeft een opsomming van een aantal belangrijke uitgebrachte adviezen o.a. over het heersen van een mazelen epidemie; over de invasie van de cholera Asiatica; over de oprichting van een huidenbloterij door J. van de Velde; over de schorsing van de kermis in verband met de cholera; over maatregelen tot voorkoming van de verspreiding van de cholera.

Het jaarverslag over 1868 van de gezondheidscommissie geeft de volgende ontboezeming:
Ten slotte mogen wij niet onvermeld laten de volgende opmerking: dat in Augustus en September bijna al de bewoners van de Bogt van Guinea en het Stoofstraatje door gastrische koortsen werden aangetast, terwijl in het Manhuis en de Zusterstraat door ons in die twee maanden geen noemenswaardige zieken waren opgemerkt; voor zo verre wij waarnamen, slechts drie personen. Juist die gedeelten der gemeente waar de riolering in een hoogst ongunstige toestand verkeert, waren zeer vele zieken, terwijl dáár, waar de riolering zo uitmuntend is verbeterd, (de sloot achter het Manhuis), weinig of geen zieken voorkwamen. Een sprekend bewijs om u opmerkzaam te maken op den zeer gebrekkigen toestand der riolering in de Stoofstraat en de Bogt van Guinea en u dringend aan te bevelen daarin zo spoedig mogelijk een radicale verbetering te doen bewerkstelligen’.

In juni 1861 tot en met eind juli beginnen de geneesheer en heelmeester van de gemeente op vrijdagen met het gratis vaccineren. Hierover verschijnt een openbare bekendmaking.

De gemeenteraad stelt in oktober 1861 een wijziging van de in 1855 vastgestelde Verordening op de openbare gezondheid vast. De wijziging gebeurt na een uitvoerige discussie over de wenselijkheid om een bepaling op te nemen dat kinderen, alvorens toegelaten te worden op scholen, ingeënt dienen te worden.

In juni 1862 biedt de commissie van geneeskundig toevoorzicht de gemeenteraad een microscoop met toebehoren aan. Deze wordt ter bezichtiging in een vergadering van de gemeenteraad aangeboden.

De burgemeester ontvangt in januari 1864 een brief van dokter N.J.F. Verschoor over het ontstaan van de kinderziekte in de gemeente. Hij heeft daaromtrent de vereiste maatregelen genomen en daarvan kennisgegeven aan de Commissaris van de Koning en aan de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht.
Als hoofd van de politie doet de burgemeester aan alle geneesheren en heelmeesters binnen de gemeente een aanschrijving over de aangifte van in de gemeente ontstaande kinderziekten. Dit om maatregelen te kunnen nemen tegen de verdere verspreiding. Hij roept dringend hun medewerking in.

De gemeenteraad stelt in zijn vergadering van 26 april 1864 een geheel nieuwe Verordening in het belang der openbare gezondheid vast. De 79 artikelen worden uitgebreid in twee raadsvergaderingen besproken. De verordening bevat belangwekkende artikelen zoals bijvoorbeeld de artikelen:

  1. De levensmiddelen, waarop de verordening betrekking heeft, zijn al de zelfstandigheden, die tot spijs of drank voor de mens kunnen strekken of bestemd zijn (versnaperingen daaronder begrepen) en binnen de gemeente worden verkocht of in het openbaar ten verkoop aangeboden.
  2. Al wat op markten, op of aan de openbare weg, in winkels, magazijnen, tapperijen, koffiehuizen, herbergen, fabrieken, pakhuizen, vaartuigen of veilinglokalen te koop is, wordt geacht in het openbaar ten verkoop te zijn aangeboden.
  3. Deze verordening is niet van toepassing op de verkoop of het ten verkoop hebben van geneesmiddelen, chemicaliën en drogerijen, welke alleen bij apothekers en drogisten mogen verkocht worden.
  4. Het is verboden bedorven of voor de gezondheid schadelijke levensmiddelen (onrijp ooft en zogenaamd afval daaronder begrepen) in te voeren, te vervoeren, te verkopen of ten verkoop aan te bieden. Zij worden op last van burgemeester en wethouders aangehouden, opgeruimd en onschadelijk gemaakt. De in- en vervoer van de bedoelde voorwerpen is, zo zij tot bemesting of tot grondstof voor fabrieken bestemd zijn, geoorloofd, mits zij zonder verwijl naar de plaats van hun bestemming worden gevoerd en zodanig geborgen, dat geen voor de gezondheid schadelijke uitwasemingen kunnen ontstaan. In beide opzichten zijn de in- en vervoerders gehouden zich naar de bevelen van de politie te gedragen en worden bij gebreke van dien geacht de artikelen in deze verordening te hebben overtreden.
  5. Koek, gebak, suikergoed en dergelijke eetwaren met verguldsel belegd, alsmede chocolaadjes en anijssuikers met santonine (wormkruid) bedeeld, worden als voor de gezondheid schadelijke levensmiddelen beschouwd.
  6. Geen brood mag ten verkoop ingevoerd, uitgestald of verkocht worden, dan gaar en goed doorbakken, en uit gezonde zuivere tarwe, mais, spelt of rogge bereid. Tot bereiding uit andere bestanddelen wordt voorafgaande schriftelijke kennisgeving aan het college met opgaaf van de bestanddelen, vereist.
  7. Het brood dat in deze gemeente verkocht wordt moet voorzien zijn van een merk, door de bakker of slijter aan burgemeester en wethouders op te geven.
  8. De bakkers en slijters mogen het brood niet anders rondbrengen dan in gesloten wagens of karren, beklede en overdekte manden, waarop hun namen met duidelijke letters zijn aangeduid.
  9. Het verkopen of ten verkoop hebben van meel, brood, beschuit, koek of gebak, gemengd met zelfstandigheden, die niet tot voedsel bestemd zijn, al blijkt het niet dat zij schadelijk voor de gezondheid zijn, alsmede het verkopen of ten verkoop voorhanden hebben van brood, meel, beschuit, koek of gebak in bedorven toestand, is verboden.
  10. Op bepaalde tijden worden door de zorg van burgemeester en wethouders het meel, brood, beschuit, koek en gebak, bij slijters of bakkers voorhanden, aan een scheikundig onderzoek omtrent de bestanddelen onderworpen en de uitslag van dat onderzoek openbaar gemaakt.
  11. Geen slachtvee mag worden geslacht dan na te zijn goedgekeurd. Van die goedkeuring wordt door de keurmeester een bewijs afgegeven.
  12. Het slachtvee is na de slachting en voor de afhakking aan een tweede keuring onderworpen.

In november 1864 wendt de predikant van de Hervormde gemeente, ds. Johannes Drost, zich tot de gemeenteraad met zijn bezwaren tegen een artikel in de Verordening in het belang van de openbare gezondheid, zoals afgekondigd op 18 augustus. Zijn bezwaren betreffen ‘het beginsel van verplichte vaccinatie voor alle schoolgaande kinderen in deze gemeente. Niet dat deze verplichting hemzelf zou drukken, maar, waar het bekend is dat verscheidene ingezetenen, deels uit een geneeskundig deels uit een godsdienstig oogpunt, menen zichzelf en hun kinderen aan de vaccinatie niet te mogen onderwerpen, gevoelt hij zich gedrongen naar aanleiding van de gewetensbezwaren van sommigen, ten voordele der gewetensvrijheid zich tot u te wenden’.
Het gaat erom dat de betrokkenen worden gedrongen tot een handeling die in strijd is met hun geweten. Dit acht hij in het algemeen onzedelijk, onchristelijk en ongeoorloofd, ook voor de wetgever.

In haar jaarverslag over 1864 brengt de gezondheidscommissie het volgende opmerkelijke advies onder de aandacht van de gemeenteraad:
Ware aan onze wensen geheel kunnen voldaan worden, wij hadden de broodwagentjes algemeen doen invoeren, en vooral niet het bekleden der broodmanden met linnen of katoen toegestaan (wasdoek was dan nog oneindig beter geweest), de gevolgen daarvan zijn toch niet bevorderlijk om alle onreinheden van honden enzovoorts voor te komen’.

In de vergadering van de gemeenteraad van 26 januari 1865 stelt de voorzitter aan de orde het voorstel van raadslid mr. Saaymans Vader, zoals in de vorige vergadering gedaan, om de verordening in het belang van de openbare gezondheid te wijzigen, speciaal wat betreft het verbod om kinderen op de scholen toe te laten die niet gevaccineerd zijn en de kinderziekte niet hebben gehad.
In een uitvoerig betoog geeft de heer Saaymans Vader een toelichting op zijn voorstel. De voorzitter en de raadsleden Fransen van de Putte en De Knokke van der Meulen weerleggen de argumenten die in het voorstel van Saaymans Vader worden aangevoerd.
Bij de stemming blijkt dat het voorstel met acht stemmen tegen en twee stemmen voor is verworpen. Voor stemmen de heren Saaymans Vader en Van Voorst Vader.

Cholera

In 1866 breekt de cholera ook in Goes uit.
In de raadsvergadering van 4 mei 1866 zegt de voorzitter dat, vermits de cholera zich meer en meer verspreidt, daartegen bijtijds voorzorgsmaatregelen dienen te worden genomen. Hij stelt voor om het college voor die maatregelen van voorzorg een onbepaald krediet te verlenen. De gemeenteraad gaat hiermee onverwijld akkoord.

In de vergadering van de gemeenteraad van 30 juli 1866 dient raadslid O. Verhagen een voorstel in wat al volgt luidt:
De gemeenteraad besluit het college te machtigen tot de onmiddellijke daarstelling van een lokaal tot tijdelijke bergplaats van die lijken, welke met het oog op de heersende epidemie zo spoedig mogelijk moeten verwijderd worden uit de woningen van de ingezetenen, opdat in de gemeente geen begraving meer plaats hebbe binnen de 36 uren na het overlijden. En in verband daarmee zodanige maatregelen kunnen worden genomen als het college geraden zal oordelen ter geruststelling van alle ingezetenen, dat geen ontijdige begravingen kunnen plaats hebben’.
De voorzitter spreekt zijn verbazing uit over dit voorstel, omdat het niet overeenkomstig het Reglement van Orde is ingediend. Bovendien is bij het voorstel geen schetstekening noch begroting overgelegd. Ook acht hij deze zaak te behoren tot de competentie van de gezondheidscommissie. Overeenkomstig het voorstel van de voorzitter besluit de gemeenteraad met 8 tegen 1 stem om het voorstel van de heer Verhagen aan de gezondheidscommissie voor te leggen.

In de volgende vergadering van 29 augustus 1866 bespreekt de gemeenteraad uitvoerig het voorstel van raadslid Verhagen. De voorzitter zegt niets te willen afdingen op het nuttige van deze inrichting, maar met het oog op de financiële positie van de gemeente rijst bij hem de vraag of de urgentie daarvan wel zo groot is. Immers de cholera-epidemie is uit deze gemeente gelukkig geweken. En mocht men tot die stichting overgaan, dan zal men ook tegen hoog loon geschikte personen moeten aanstellen om bij de in bewaring zijnde lijken te waken.
Na nog enige discussie is het beginsel om een bewaarplaats op te richten zonder meer met algemene stemmen aangenomen, uitgezonderd de stem van raadslid Fransen van de Putte.
De achtergrond van het besluit tot de inrichting van een bewaarplaats voor lijken is het voorkomen van het begraven van schijndoden.

Tussendoor, op 4 augustus 1866, adviseert de gezondheidscommissie het gemeentebestuur over het verbranden van teer tegen de uitbreiding van de cholera. Als proefneming zou dit gedaan kunnen worden, doch het mag geenszins leiden tot veronachtzaming van de bekende beproefde middelen die in vroegere epidemieën gebleken zijn goed te zijn.

Begin september 1866 richten de leden van de openbare gezondheidscommissie zich tot de gemeenteraad. Het zijn dokter G.F. Callenfels, J.G. de Wit Hamer, C. Waling, J. Soutendam, dokter P.A. Hochart, dokter A.J. Fokker en dokter J. Kooman. De commissie heeft uit het verslag van het verhandelde in de raadsvergadering van 29 augustus bemerkt dat sommige leden van de gemeenteraad van mening zijn ‘dat het advies van de commissie omtrent het zogenaamde lijkenhuis de blijken draagt dat de commissie niet in staat is om te beantwoorden aan de verwachting, die men van haar had gekoesterd. Daar toch met zoveel woorden gezegd wordt dat in dit advies elk vast en leidend beginsel zou ontbreken, iets wat toch zeker een eerste vereiste van een goed advies dient te zijn. En bovendien de mening wordt geuit dat de commissie met een zucht tot verdachtmaking is bezield. De omstandigheid dat geen enkel lid van uw raad gemeend heeft deze aanmerkingen te moeten bestrijden, heeft onze vrij natuurlijke gevolgtrekking doen maken dat bovengenoemd weinig vleiend gevoelen voor onze commissie algemeen door uw raad wordt gedeeld. Om deze redenen achten ze het in het belang der zaak waartoe zij geroepen waren, de raad de gelegenheid te moeten geven om meer deskundige en verlichte mannen als leden der openbare gezondheidscommissie te benoemen’. Ze verzoeken publicatie van hun standpunt in het verslag van de gemeenteraad en in de Goessche Courant.

In oktober 1866 breekt de cholera wéér uit.
De burgemeester schrijft aan de Commissaris van de Koning:
Tot mijn leedwezen moet ik u berichten dat zich in deze gemeente weder een cholerageval heeft voorgedaan. Mevrouw de weduwe Van Oostende is gistermorgen aan de ziekte overleden. Zij had enige dagen bij haar kinderen in Rotterdam doorgebracht en was verleden week zaterdag van daar geretourneerd. Alle voorzorgmaatregelen tegen de verspreiding dier ziekte zijn genomen. Het lijk is hedenmorgen vroeg begraven. Ook andere choleragevallen doen zich voor met de dood als gevolg’.

Tussendoor de onheilsberichten over de cholera komt er een gerucht over het uitbreken van een mazelenepidemie in de gemeente. In december 1866 deelt de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht in Zeeland, A.A. Fokker, mee dat blijkens de bij hem ingekomen berichten thans ‘in de gemeente Goes een uitgebreide epidemie van mazelen heerst’. Hij verzoekt nadere informatie. Namens de gezondheidscommissie delen voorzitter G.F. Callenfels en secretaris A.J. Fokker het gemeentebestuur mee ‘als ons gevoelen kenbaar te maken dat zulks geenszins het geval is, daar de heersende epidemie een zeer goedaardig karakter vertoont, zodat slechts enkele sterfgevallen als door haar veroorzaakt mogen aangemerkt worden’.

Het jaarverslag over 1866 tekent over de cholera-epidemie het volgende aan:
De cholera heeft hier te weinig geheerst, dan dat zij op het sterftecijfer enige belangrijke invloed zoude hebben kunnen uitoefenen; er zijn zeven personen in deze gemeente aan bezweken’.

Eind januari 1867 herinnert voorzitter Blaaubeen de gemeenteraad eraan dat tijdens het heersen van de choleraepidemie door het college van burgemeester en wethouders een onbepaald krediet is geopend voor de kosten die door de ziekte veroorzaakt zouden worden. Wethouder Fransen van de Putte, die daarmee belast is geweest, deelt mee dat die kosten in het geheel ƒ 527,01 hebben bedragen.

In augustus 1867 steekt de cholera wéér de kop op. De voorzitter deelt de gemeenteraad mee dat de nieuwsbladen vermeld hebben dat de cholera te Rotterdam opnieuw is uitgebroken. Met het oog op de aanstaande jaarmarkt heeft hij gemeend niet beter te kunnen doen dan te telegraferen aan de burgemeester van Rotterdam met het verzoek om een juiste opgaaf van de zich voorgedaan hebbende gevallen. Deze antwoordde ‘dat vanaf vrijdag bevorens tot donderdagnamiddag 1 uur slechts vier aangiften van choleragevallen waren gedaan’. Hij vraagt machtiging om, als staande de jaarmarkt de ziekte zich mocht vertonen, de Goessche kermis te schorsen. De gemeenteraad neemt het voorstel zonder hoofdelijke stemming aan.
Verder memoreert de voorzitter, burgemeester Blaaubeen, dat de heer Fransen van de Putte wederom de beleefdheid heeft gehad een lokaal in zijn fabriek af te staan, waarvoor hem dank wordt betuigd. De gemeenteraad verleent desgevraagd machtiging om een krediet voor het dagelijks bestuur te openen voor de kosten die door de ziekte veroorzaakt zijn en die verder te doen zijn.

Op 24 augustus 1867 schrijft de burgemeester de medicine doctoren G.F. Callenfels, C.A. van Renterghem, N.J.F. Verschoor, A.P. Fokker, J. Kooman en J.A. Geill aan met het dringend verzoek om, tot kering of beteugeling van de cholera-epidemie, van ieder voorkomend verdacht ziektegeval onmiddellijk kennis te geven aan de inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht en aan het college.
Enkele weken hierna, op 10 september, ontvangt het gemeentebestuur van dokter C.A. van Renterghem een schrijven dat Th. Knogt door de ziekte is aangetast. Er zijn onmiddellijk in overleg met hem maatregelen genomen om de verspreiding tegen te gaan. Hij heeft die persoon bezocht en kan met genoegen meedelen dat er kans bestaat om die lijder in het leven te behouden.

Voor bewaarplaats van lijken, die aan de ziekte zijn overleden, zullen de gebouwtjes aan de ‘s Heer Hendrikskinderen barrière voor dat doel worden ingericht als lijkenhuisjes. Vanuit de gemeenteraad wordt in september 1868 aangedrongen op het realiseren van een lijkenhuis op de begraafplaats.

Het gemeentebestuur ontvangt in januari 1868 een brief van de Commissaris van de Koning ten geleide van zijn besluit van 23 november 1867 waarbij aan de heer J. Adam te Goes wordt toegezonden de bronzen medaille voor betoonde hulp en zelfopoffering tijdens het heersen van de cholera in 1866, zonder daartoe verplicht te zijn.
De voorzitter deelt de gemeenteraad mee dat hij met zeer veel genoegen die medaille aan de heer Adam heeft uitgereikt. Hij is ervan overtuigd dat, indien iemand die onderscheiding had verdiend, het zeker de heer Adam is. Hij brengt dan ook bij deze gelegenheid openlijk hulde aan de door hem gepresteerde belangeloze diensten.

Beroepsbeoefenaren geneeskunst

Huisartsen
Gedurende deze jaren zijn als huisartsen in de gemeente werkzaam de heren R.B. van den Bosch, K. Broes van Dort, G.T. Callenfels, J. Kooman, L.C. de Peval, T. Pieterse, C.A. van
Renterghem, N.J.F. Verschoor en A. Zandijk.
Verscheidene artsen overlijden of vertrekken uit de gemeente in deze jaren.

In januari 1862 vertrekt de heel- en vroedmeester A. Zandijk metterwoon uit de gemeente.
Ook in deze maand overlijdt dokter R.B. van den Bosch. Het gemeentebestuur ontvangt in januari 1862 de volgende kennisgeving: ‘Tot diepe droefheid van mij en mijne kinderen ontsliep heden, na eene langdurige ziekte, mijn innig geliefde echtgenoot Roelof Benjamin van den Bosch, medicine doctor, in den ouderdom van 51 jaren. Zijn verlies is onherstelbaar voor ons en zal ook groot zijn voor de maatschappij en den uitgebreide kring zijner vrienden. Met den wensch dat uw edele nog lang voor dergelijke verliezen moge bewaard blijven, heb ik de eer met hoogachting te zijn. Uw edele bedroefde Dienaresse, M.G. van den Bosch geboren Lenshoek’.
De gemeenteraad stuurt de weduwe als antwoord:
Is dit verlies groot en onherstelbaar voor uw edelgeborene en uw kinderen, ook de gemeenteraad verloor door dat overlijden een zijner verdienstelijke leden; de gemeente een braaf burger die door zijne geneeskundige praktijk nuttig en door zijne uitstekende gaven als toonkunstenaar ter aankweking van beschaving en de bevordering van het genoegen van velen, onvermoeid werkzaam was, terwijl het verlies voor de maatschappij in het algemeen geleden lang gevoeld, mogelijk nimmer geheel hersteld worden zal’.

Op 13 april 1864 komt er een kennisgeving van mevrouw Pieterse-Nederveen van het overlijden van haar echtgenoot Theunis Pieterse, heel- en vroedmeester, op 12 april in de ouderdom van tachtig jaar. Ze schrijft:
Mijn geliefde Echtgenoot, de heer Theunis Pieterse, Stads Operateur, Heel- en Verloskundige, lid der provinciale Geneeskundige Commissie in Zeeland, enzovoorts. Overtuigd van uw deelneming in mijne smart en die mijner kinderen en kleinkinderen, heb ik de eer U van dit treurig overlijden kennis te geven’.
De burgemeester betuigt namens de gemeenteraad het leedwezen met het overlijden van ‘uwen algemeen geachte echtgenoot de heer Theunis Pieterse, de langdurige en menigvuldige diensten door hem in onderscheidene betrekkingen aan deze gemeente bewezen, kwamen hen daarbij levendig voor den geest. Met het besef van uw verlies door zijn verscheiden geleden’.

Dokter J. Kooman wordt voor de tijdelijke waarneming van de functie van gemeente geneesheer uitgenodigd. Deze deed dit al gedurende de ziekte van de heelmeester Pieterse. Er worden sollicitanten opgeroepen voor de vervulling van de vacature van gemeente geneesheer. Hiervoor komt als enige reactie een verzoek bij het gemeentebestuur binnen van de heer J. Kooman, stedelijk en plattelands heel- en vroedmeester te Goes, om voor die betrekking in aanmerking te komen. Alle stemmen worden uitgebracht op dokter Kooman.

Ook wordt gesproken over de bezoldiging van de nieuw aan te stellen heelmeester. De burgemeester herinnert eraan dat, toen in 1858 de verordeningen voor het Armen- en Gasthuis zijn vastgesteld, in de overgangsbepaling is opgenomen dat de toenmalige titularissen in bediening zouden blijven tegen genot van de toenmalige bezoldiging. Deze bedroeg ƒ 300 van de gemeente en van het wees- en gasthuis ieder ƒ 40. Intussen bestaat de algemene bepaling dat de stads geneesheer en heelmeester zullen belast zijn met de behandeling van de armen en de proveniers van het gast- en weeshuis. Het komt het college voor dat een bezoldiging van ƒ 300 uit de kas van de gemeente in evenredigheid staat tot de van de heelmeester gevorderde diensten.
De gemeenteraad neemt het voorstel van het college aan met 8 van de 11 stemmen. Tegen stemt de heer De Laat de Kanter. Die vindt dat de bezoldiging ƒ 220 moet gaan bedragen ten laste van de gemeente en dat het weeshuis en gasthuis de andere ƒ 80 dienen op te brengen.

In de plaats van de overleden heel- en vroedmeester T. Pieterse vestigt zich begin januari 1865 de heer Abraham Pieter Fokker, doctor in de genees-, heel- en verloskunde, in de stad. Hij komt van Middelburg en is toegelaten tot de geneeskunde op 5 juni 1863 en voor de heelkunde op 1 december 1864.

De burgemeester doet tijdens de vergadering van de gemeenteraad van 18 april 1866 mededeling van het bericht van het overlijden van de gemeente geneesheer L.C. de Peval. Besloten wordt een brief van rouwbeklag aan de kinderen van de heer De Peval te versturen.
Op de oproep van sollicitanten in de Goessche Courant komen vier sollicitaties binnen, namelijk van de heren G.T. Callenfels, A.P. Fokker, C.A. van Renterghem en N.J.F. Verschoor. Op Verschoor worden 5 stemmen uitgebracht, op Van Renterghem 2, op Callenfels 1 en op Fokker ook 1, zodat dokter Verschoor is benoemd.

De gemeenteraad stelt op 4 mei 1866 een nieuwe instructie vast voor de gemeente geneesheer, heelmeester en vroedvrouw. Niemand heeft enige bedenking tegen de algemene strekking noch tegen enig bijzonder artikel.

Op 12 mei 1867 ontvangt het gemeentebestuur een rouwbrief van de weduwe E. Broes van Dort-Snoep. Ze geeft kennis van ‘het overlijden van mijn dierbare echtgenoot Karel Broes van Dort, medicine doctor en lid van de gemeenteraad. Na een langdurig lijden, dat hij met onvergelijkelijk geduld heeft gedragen, ontsliep hij hedenmorgen in den ouderdom van 51 jaren. Overtuigd van uw deelneming in mijne smart’.
Namens de gemeenteraad schrijft burgemeester Blaaubeen aan de weduwe: ‘dat ik de verzekering geef dat dit sterfgeval, hoelang ook voorzien, op allen een diepe indruk gemaakt heeft en hartelijk deel wordt genomen in uwe rechtmatige droefheid. De overledene was steeds een nuttig werkzaam lid der maatschappij, een braaf en met recht hooggeacht burger der gemeente en een der verdienstelijkste leden van de gemeenteraad. Dit getuigenis moge u en uw kinderen tot troost verstrekken bij de gedachte aan den dierbare overledene en de uwen de nodige kracht geven om God te zwijgen en in Zijnen Wil te berusten’.

In augustus 1868 deelt de burgmeester de inspecteur van het geneeskundig staatstoezicht mee dat de heer J.L. Goeman zich op 7 augustus heeft gevestigd te Goes met het doel om als medisch, chirurgisch en obstipatisch doctor de praktijk uit te oefenen.

Apothekers en armen apotheek
In deze jaren zijn in elk geval de volgende apothekers in de gemeente werkzaam: P. Johannissen aan de Klokstraat in wijk C nummer 160 en P.A. Hochart.

Op 27 januari 1862 overlijdt de apotheker P.A. Hochart senior.

Elk jaar geeft de plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht het gemeentebestuur een opgave van de verstrekte recepten voor de zogenaamde stads armen, voorgeschreven en bereid over het achterliggende jaar. Over 1861 zijn dit in totaal 4435 recepten + 492 recepten voor het gasthuis en 488 geneesmiddelen voor het weeshuis.
Over 1862 zijn dit in totaal 4545 recepten.

In december 1865 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de armenverzorgers van de Christelijke afgescheiden gemeente. Ze geven onder dankbetuiging kennis dat zij volkomen genoegen nemen met de voorwaarden, gesteld bij raadsbesluit van 28 juni 1865 tot gebruikmaking van de geneesmiddelen uit de gemeenteapotheek en het gebruik maken van de hulp van de gemeentelijke heelmeester en vroedvrouw, waardoor zij gelijkgesteld worden met de armbesturen van andere gezindten.

Vroedvrouwen
Al vanaf het jaar 1818 fungeert als vroedvrouw in de stad de weduwe Maria Plankeel-Arentz.
Op 18 januari 1862 geeft M.A. Ramondt het gemeentebestuur kennis ‘dat op 17 januari onze dierbare Moeder en behuwdmoeder, mejuffrouw Maria Arentz, weduwe van de heer W. Plankeel, sedert het jaar 1818 vroedvrouw dezer gemeente, gisteren in de ouderdom van 78 jaren is overleden, hoewel dankbaar voor haar langdurig bezit, staren wij de waardige overledene wel weemoedig na‘. Het gemeentebestuur wordt dankgezegd voor het vertrouwen aan de overledene zovele jaren geschonken. ‘Wij vleien ons dat de ontslapene (zoveel in haar was) het vertrouwen niet heeft beschaamd’.
In de vergadering van de gemeenteraad van 5 februari noemt de voorzitter, burgemeester Blaaubeen, dit een groot verlies voor de gemeente, want de overledene nam haar moeilijke betrekking met liefde en nauwgezetheid waar. Aan de kinderen wordt een brief van condoleance gezonden.

Daar het noodzakelijk is dat spoedig in de vacature wordt voorzien roept het gemeentebestuur in allerijl sollicitanten op. Elf sollicitanten melden zich, waarvan er maar vijf in aanmerking kunnen komen als geëxamineerd stadsvroedvrouw, te weten:

  • Tanna Cornelia Vertregt, stadsvroedvrouw te Zaltbommel;
  • Geertrui van Huissen-Puffelen, vroedvrouw te Middelburg;
  • Anna Bauer-de Reij, vroedvrouw te Middelburg;
  • Janna Adriana Willemse, weduwe van J.C. Back, vroedvrouw te Haamstede en
  • Sia Maria Clerhorst-van Noppen, vroedvrouw te Middelburg.

Met algemene stemmen benoemt de gemeenteraad mejuffrouw Tanna Cornelia Vertregt, stadsvroedvrouw te Zaltbommel. Zij bevindt zich al in Goes om dadelijk in functie te treden.

Al spoedig laat de nieuwe vroedvrouw van zich horen. In maart 1862 doet de burgemeester mededeling van de door de vroedvrouw mejuffrouw Vertregt geopperde bezwaren. Deze betreffen de uitoefening van haar praktijk in de Wilhelminapolder, waartoe men haar roept. Ze verlangt dat enige bepaling wordt gemaakt dat dit in vereniging met haar taak binnen deze gemeente mogelijk wordt gemaakt.
Besloten wordt haar tot recht verstaan van dat artikel aan te schrijven dat het haar wel zal vrij staan in enkele gevallen, wanneer zij daartoe geroepen wordt en daartegen geen bezwaar voor haar dienst in deze gemeente bestaat, in een naburige gemeente verlossingen te doen. Maar dat het gemeentebestuur wel bezwaren heeft om haar een onbeperkte vergunning te verlenen om in andere gemeenten haar praktijk uit te oefenen.
Alweer spoedig houdt de nieuwe vroedvrouw het voor gezien in Goes. Eind juli 1863 wordt haar eervol ontslag verleend als vroedvrouw per 1 oktober 1863 in verband met haar benoeming tot meesteres vroedvrouw in het binnen gasthuis te Amsterdam.
Dadelijk wordt overgegaan tot een oproep van sollicitanten. Vijftien sollicitanten melden zich. Met algemene stemmen wordt benoemd Machalina Baljé-Meijnderts, voorheen vroedvrouw te Vlissingen.

Veearts

Op 2 februari 1861 overlijdt de veearts L. van Kalmthout.
Gedeputeerde Staten delen enkele weken later de benoeming mee van de heer B.J. Vermande, provinciaal veearts van de 3e klasse te Heinkenszand, voor de kantons Goes, Heinkenszand en Kortgene, met ingang van 1 april 1861.

De burgemeester geeft de gemeenteraad op 9 september 1865 kennis dat hij, daartoe genoopt door de heersende veeziekte, zich heeft gewend tot de Commissaris van de Koning met het verzoek om te Goes voor deze en omliggende gemeenten een rijks veearts aan te stellen. Daarvoor doet zich thans een geschikte gelegenheid voor door de bevordering van de heer E.L. van Mervennee, rijks veearts te Hulst tot veearts. Deze wordt zeer aanbevolen en geschikt geacht voor de functie van provinciaal veearts ter standplaats Goes. Dit wordt akkoord bevonden. De benoemde Van Mervennee vestigt zich in de loop van de maand juli te Goes.

Ziekte onder het vee

In augustus 1861 breekt op verscheidene plaatsen in de provincie een ziekte onder de varkens uit. Deze op tyfus lijkende ziekte is kwaadaardig van karakter. Strenge maatregelen worden aanbevolen. De commissaris van politie en de provinciale veearts worden op de hoogte gesteld. Bij het ontdekken van verschijnselen moeten ze ogenblikkelijk het gemeentebestuur in kennis stellen.
De veeziekte woekert ook op het grondgebied van Goes voort. De burgemeester rapporteert begin september 1861 aan de gemeenteraad over het ontstaan van de thans heersende ziekte onder de varkens in deze gemeente. Op zijn verzoek wordt besloten een publicatie in de geest van de door de Commissaris van de Koning gedane aanschrijving af te kondigen.

In september 1861 doet de burgemeester mededeling van twee bij hem ingekomen brieven van de commissaris van politie met een rapportage van het gedaan onderzoek door veearts B.J. Vermande van ziekelijk rundvee van B. Nieuwenhuijse, weidende in de Poel, en van het sterven en openen daarvan, volgens welke de ziekte is ontstaan door een verzameling van wormen.

Eind augustus 1865 ontstaat opnieuw in de provincie Zuid-Holland de veepest. Het gemeentebestuur bepaalt dat bij de aanvoer van vee per stoomboot of andere vaartuigen deze niet verder in de haven zullen worden toegelaten dan tot in de buitenhaven. Daar zullen de beesten moeten worden onderzocht door een bevoegd veearts. Ze mogen dan verder worden vervoerd op diens verklaring dat deze gezond en niet verdacht zijn voorgekomen.
Er zal alleen vergunning worden verleend om de aangevoerde dieren aan de kade te brengen en te lossen. Dit besluit wordt meegedeeld aan de sas- en buitenhavenmeester en aan de directeuren van de stoomboten ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’.
In september besluit de gemeenteraad tevens om dit jaar de gewone veemarkten niet te laten plaats hebben en om de invoer van vee van buiten het eiland te verbieden. De gemeenteraad stelt een Verordening tegen de invoer van vee in de gemeente Goes vast.

Op 5 november 1865 wordt geconstateerd dat de runderpest in Zuid-Beveland in de naburige gemeente ‘s-Heer Abtskerke is ontstaan. Ook in november wordt besloten om de gewone jaarlijkse veemarkten in november niet te houden.

In het gemeentearchief bevindt zich een bundel uitvoerige stukken over de veeziekte, het verbod van invoer van vee en het niet houden van de gewone jaarlijkse veemarkten binnen de gemeente in de maand november.

Opvang krankzinnigen

De gemeenteraad bekommert zich in zijn vergadering van 26 oktober 1861 om de zorg voor krankzinnigen en epileptische lijders. Bij begrotingswijziging wordt een bedrag van f 400 uitgetrokken voor de inrichting van een ruimte voor de opvang van deze lijders in het gebouw van de voormalige weverij aan de Gasthuisstraat. Dit is de vroegere kapel van het klooster van Sint Agnes die later dienstdeed als tweede kerkgebouw van de Hervormde gemeente en later de Rooms-katholieke gemeente.
Raadslid R.B. van den Bosch stelt voor het gebouw van de voormalige weverij af te staan aan het Gasthuis en het Gasthuis met de inrichting te belasten. Maar wethouder J.W. van Kerkwijk betoogt dat het Gasthuis een gemeente-instelling is en door de gemeente gesubsidieerd wordt. De weverij behoort eigenlijk aan de gemeente toe en de inrichting daarvan moet in ieder geval door de gemeente bekostigd worden. Temeer is dit het geval met lokalen voor het opnemen van epileptici en krankzinnigen, ‘uit aanmerking dat dergelijke sujetten meestal worden opgenomen op rekwisitie van het justitie- of politiewezen’. Voorzitter Blaaubeen merkt op dat het wenselijk is het gehele gebouw van de voormalige weverij in te richten voor het opnemen van proveniers die in staat zijn zich voor hun leven in het Gasthuis in te kopen. Met algemene stemmen, behoudens de stem van raadslid Van Bosch, wordt akkoord gegaan met deze post.

Weeshuis

In 1863 vinden restauratiewerkzaamheden plaats aan het gebouw van het weeshuis. De moddersloot achter het weeshuis en het oude manhuis wordt vervangen door het maken van een nieuw riool met twee modderbakken. De voormalige moddersloot wordt gedempt.
Gedeputeerde Staten machtigen het Burgerlijk Armbestuur in mei 1863 tot de openbare aanbesteding van de vereiste herstellingen en vernieuwingen aan het weeshuis. De kosten hiervan zijn geraamd op ƒ 1.706.

In juli 1867 deelt het Burgerlijk Armbestuur mee dat in haar begroting voor 1867 ƒ 2.500 is uitgetrokken voor het vernieuwen van het was- en drooglokaal van het weeshuis en de muur tussen de erven van dat gesticht en de sociëteit. Dit is noodzakelijk geworden door het dempen van de moddersloot aldaar. Bij het opmaken van het bestek voor dat werk vond men het noodzakelijk daaronder te begrijpen een verwarmingstoestel, geschikt om bij vochtig weer het drogen van de was te bevorderen en de muur zwaarder en hoger te maken dan de thans bestaande. Er zal ongeveer ƒ 1.000 extra nodig zijn

In 1863 wordt tot regentes van het weeshuis herkozen mevrouw Van Oosterzee-Molenburgh en in 1868 mevrouw C. de Ronde Bresser-Vervenne.

Het weeshuis telt deze jaren gemiddeld zo’n zestig kinderen.

Gasthuis

Mr. P.J. van Voorst Vader wordt per 1 januari 1869 herbenoemd als voorzitter van het bestuur van het Gasthuis. Als nieuw bestuurslid treedt in 1861 aan de heer A. Nortier. Mevrouw E.M. van Dalen-Boddingius wordt per 1 januari 1861 herbenoemd als regentes van het gesticht. Per 1 januari 1869 wordt herbenoemd tot regentes mevrouw C.J. Steendijk-Eversdijk de Witt Hamer.
In december 1863 geeft het bestuur kennis van de benoeming tot ziekenvader in het Gasthuis de 50-jarige Willem Holst, vroeger herenknecht, en tot ziekenmoeder de 53-jarige Maria van der Hiele, vroeger dienstmeid.

In augustus 1861 geeft het bestuur van het Gasthuis het gemeentebestuur kennis van zijn voornemen om in de vrouwenkamer van het gesticht een plankenvloer te laten leggen. De kosten daarvan zijn berekend op ƒ 279,65.
Ook in maart 1862 vindt een verbouwing plaats. Door toenemende bevolking van het Gasthuis doet de behoefte zich gevoelen aan meer ruimte. Het college heeft naar middelen uitgezien om daaraan tegemoet te komen. Daartoe lijkt zeer geschikt om het bij het Gasthuis staande gebouw, dat gediend heeft tot weeffabriek (de voormalige kloosterkapel aan de Gasthuisstraat), te verwerven. Maar de inrichting daarvan zou een aanzienlijke uitgave vergen. Er zou een begin gemaakt kunnen worden door de bovenzaal te verdelen in een mannen- en een vrouwen ziekenkamer. Het bestuur van het Gasthuis legt daarop een schetstekening over van de noodzakelijke veranderingen aan de voormalige weverij. De kosten belopen ongeveer ƒ 1.450. Burgemeester Blaaubeen benadrukt dat het benutten van het gebouw van de voormalige weverij tot vergroting van het Gasthuis al sinds lang de uitdrukkelijke wens van de gemeenteraad was. Ter sprake komt nog dat het gebouw van de voormalige weverij los staat van het Gasthuis en het onbetwistbaar eigendom van de gemeente is.
De gemeenteraad besluit het college te machtigen om in het openbaar aan te besteden het plaatsen van een nieuw dak op het gemeentelijke gebouw dat vroeger gediend heeft tot weverij. In maart 1862 wordt de bovenverdieping van de voormalige weverij omgebouwd tot twee ruimten voor het Gasthuis. De kosten bedragen ongeveer ƒ 1.100. Er zit een fraaie tekening bij de stukken van de nieuwe inrichting van de bovenzaal waarop in blauwe lijnen de bestaande kap en in rode lijnen de nieuw te maken kap zijn aangegeven.

In maart 1862 verzoekt het bestuur van het Gasthuis Gedeputeerde Staten toestemming om aan de Staat af te staan grond en water in sectie B 202 van de gemeente Schore, vallende in een geprojecteerde waterleiding voor de brede watering bewesten Yerseke. De waterleiding staat in verband met de aan te leggen spoorweg. Er wordt een ruime vergoeding van ƒ 1.274,21 per bunder aangeboden. Het gemeentebestuur, aan wie Gedeputeerde Staten het verzoek voor advies voorleggen, besluit gunstig te adviseren over het verzoek.

De rekening van het Gasthuis wordt elk jaar vastgesteld door de gemeenteraad. Ter illustratie: over 1861 bedragen de ontvangsten ƒ 14.264,27, de uitgaven ƒ 12.474,95 en het goed slot ƒ 1.789,34.

In het Gasthuis waren gedurende deze jaren gemiddeld circa 70 verpleegden per jaar met een aantal verpleegdagen van circa 23.000 opgenomen.

Zorg voor armen en behoeftigen

De volgende instellingen houden zich bezig met de zorg voor de armen en behoeftigen in de gemeente:

  • het Burgerlijk Armbestuur;
  • de diaconie van de Hervormde gemeente;
  • het rooms-katholieke armbestuur;
  • de diaconie van de christelijke afgescheiden gemeente.

Het jaarverslag over 1862 vermeldt het volgende: ‘De toestand van het armwezen in deze gemeente is, behoudens een kleine vermindering van bedeelden, onveranderd gebleven’.
Het jaarverslag over 1864 tekent aan dat ‘de toestand van het armwezen in deze gemeente niet ongunstig is en geen noemenswaardige verandering onderging’.
Het jaarverslag over 1865 schrijft: ‘De toestand van het armwezen over het algemeen is niet ongunstig te noemen, en wanneer men die vergelijkt bij hetgeen vóór de in werking treding der armenwet in deze gemeente bestond, toen de uitgaven uit de gemeentekas voor dat onderwerp jaarlijks ƒ 15.000 bedroegen, hetgeen in 1865 slechts ƒ 5.649 was, dan voorwaar, mag men zich in dien toestand verblijden’.
Het jaarverslag over 1866 vermeldt: ‘De toestand der behoeftige klasse, vergeleken met vroegere jaren, is bevredigend. Redenen van voor- of achteruitgang zijn niet op te geven’ en verderop: ‘Zoals sedert jaren het geval was, is het enige middel tot leniging of vermindering der armoede weder aangewend, namelijk het verschaffen van kosteloos onderwijs aan minvermogenden’.
De jaarverslagen over 1867 en 1868 vermelden: ‘De toestand der behoeftige klasse, vergeleken met het vorige jaar, is onveranderd gebleven en daarin is geen voor- of achteruitgang merkbaar’.

Het aantal armlastigen aan wie onderstand is verleend bedraagt over 1862/1864/1865:
van het Burgerlijk Armbestuur 380/290/150 zielen; van de diaconie van de Hervormde gemeente 93/86/89 hoofden van huisgezinnen of uiteen lopende personen; van het rooms-katholiek armbestuur 61/58/66 hoofden van huisgezinnen of uiteenlopende personen; van de diaconie van de Christelijke afgescheiden gemeente 76/14/17 hoofden van huisgezinnen of uiteenlopende personen.
Daarnaast bedeelde de Zuid-Bevelandsche Dorcas jaarlijks circa 250 personen; de commissie tot spijsuitdeling in de winter met gemiddeld 12.000 porties soep.

Burgerlijk Armbestuur
Het Burgerlijk Armbestuur krijgt in november 1861 machtiging voor de openbare verkoop van 129 olmen en 23 wilgen in de gemeente Heinkenszand, 73 olmen, 6 essen en 30 canada’s onder de gemeente ‘s-Heer Arendskerke, 45 olmen onder de gemeente Schore, 121 olmen en essen onder de gemeente Kapelle en 446 olmen en essen onder de gemeente Nisse. In november 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Gedeputeerde Staten met het verzoek om aan het Burgerlijk Armbestuur te kennen te geven dat zij gemachtigd worden tot de openbare verkoop van de opgegeven bomen en om na de verkoop opgave te doen van de opbrengst alsmede van het bedrag van de aan te kopen inschrijvingen nationale schuld. De opbrengst is ƒ 2.178,00.

In oktober 1864 dient de commies-griffier van de gemeente, Josias Risseeuw, een verzoek in om vanwege zijn dikwijls terugkerende ongesteldheden uit de betrekking van secretaris-penningmeester van het Burgerlijk Armbestuur eervol te worden ontslagen. De gemeenteraad besluit het verzoek in te willigen en de waarneming van deze functie op te dragen aan de heer H.C. Pilaar.

Het Burgerlijk Armbestuur doet in december mededeling van een met de heer J. Fransen van de Putte bestaand verschil over een uitweg van een weide van het armbestuur over de eigendommen van Fransen van de Putte en van de willekeurige wijze waarop door hem is belet het uitvoeren van op die weide verkochte bomen, door het opdelven van een dam op zijn eigendom. Verzocht wordt om machtiging om Gedeputeerde Staten te vragen om tegen de heer Fransen van de Putte een rechtsvervolging in te stellen tot herstel van de dam. Aan dit verzoek wordt onverwijld voldaan, waarop bij brief van Gedeputeerde Staten die machtiging wordt verleend.

Economische spijsuitdeling

Elk jaar verleent de commissie voor de economische spijsuitdeling hulp in tijden van duurte en behoeftige omstandigheden.
De commissie bestaat uit de heren (wethouder) J.W. van Kerkwijk, voorzitter, F.S.A. Knitel, N. Vervenne, (dokter) P.C. de Peval, M.J. Harinck, (dokter) J. Kooman, M.J. de Jongh, (apotheker) P. Johannissen en J. Mulder met mr. P.J.A. van Dam als secretaris en thesaurier. Voorafgaand aan elk winterseizoen geeft de commissie het gemeentebestuur kennis dat zij haar werkzaamheden voor het aanstaande winterseizoen heeft hervat en dat de biljetten tot inschrijving aan de ingezetenen zijn uitgereikt, dit met het verzoek de ingezetenen tot ruime bijdragen te willen aansporen.

In juli 1861 constateert het gemeentebestuur dat de rekening van de economische spijsuitdeling van de afgelopen winter sluit met een batig saldo van ƒ 235,66. Dit aanzienlijke batig saldo is verkregen door wat overbleef van het vorig jaar (ƒ 180,17) en de mindere duurte van het vlees. Ook werden 7.633 porties meer bedeeld uit de buitengewone bijdrage als gevolg van de bemoeienissen van enige ingezetenen tot voorziening in de meer dan gewone behoefte bij de nijpende koude in de afgelopen winter. De commissie wordt hulde gebracht voor haar goede diensten.

Uit het rapport van de rekening en verantwoording van de economische spijsuitdeling in de winter van 1865/1866 blijkt dat er gedurende vijftien weken is bedeeld. Het getal bedeelde huisgezinnen beliep 228; dat van de bedeelde porties 16.608.
De ontvangsten bedroegen ƒ 1.172,08 en de uitgaven ƒ 1.211,97.

Nieuwjaarsuitdeling

Naar het voorbeeld van vorige jaren wordt ook gedurende deze jaren een algemene bedeling op de aanstaande Nieuwjaarsdag gehouden.
De voorbereidende werkzaamheden hiervoor gebeuren door een commissie uit de burgerij. De commissie bestaat uit de heren:
J.A.A. Fransen van de Putte, lid van de gemeenteraad, voorzitter;
M.J. de Jongh, lid van de commissie tot de economische spijsuitdeling;
P. van Dalen, lid van het Burgerlijk Armbestuur;
Z.D. van der Bilt la Motthe, diaken bij de Hervormde Gemeente;
P.F. de Jonge, diaken bij de Christelijke Afgescheiden gemeente;
P.H. Timans, lid van het Rooms Katholieke parochiaal armbestuur;
J. Risseeuw, griffier ter secretarie, secretaris

De jaarverslagen van het gemeentebestuur maken met waardering melding van het goede werk van de nieuwjaarsuitdeling ten opzichte van het ‘bedelen aan de deuren van de gegoede burgers’ dat tot enkele decennia geleden plaats vond. Het jaarverslag over 1862 vermeldt: ‘Op de jongste nieuwejaarsdag had er weder eene ruime uitdeling plaats van brood, spek en turf, waartoe de som van ƒ 472,63 was tezamen gebragt, bij wijze van vrijwillige bijdragen van de ingezetenen op uitnodiging van den gemeenteraad. Het zogenaamd nieuwjaarswenschen der armen aan de huizen had dien ten gevolge geen plaats’. Het jaarverslag over 1864 heeft het over een ‘aanzienlijke’ uitdeling, waarvoor een som van ƒ 438,76 vrijwillig was bijeengebracht.

Interessant is het volgende besluit van de gemeenteraad van 21 november 1865:

De gemeenteraad van Goes,
Verlangende, evenals dit de laatst verlopen dertien jaren heeft plaats gehad, het zogenaamd nieuwjaar wenschen der armen aan de huizen der ingezetenen te doen vervangen door een
UITDELING VAN EETWAREN EN BRANDSTOFFEN.

Aan de inwonende armen, die zich anders wellicht tot zodanig bedelen zouden verlaten, voldoet voorzeker weder aan veler wensch door u met aandrang bij vernieuwing uit te nodigen, op den aanstaande Nieuwjaarsdag geen centen uit te reiken en liever een gift beschikbaar te stellen, die door de leden van den raad zal worden opgehaald, teneinde daaruit zodanige uitdeling te bekostigen.
De doeltreffende werking van deze maatregel is door de bijna algemene medewerking der burgerij zodanig erkend, dat een aansporing tot onbekrompene bijdrage overbodig wordt geacht.

Gedaan te Goes de 21 november 1865.

Dit raadsbesluit wordt gevolgd door de volgende bekendmaking van burgemeester en Wethouders van 20 december 1865:

BEKENDMAKING

Burgemeester en wethouders doen te weten dat de maatregel, door de gemeenteraad genomen om door inzameling bij inschrijving van liefdegaven tot het doen van een
UITDELING VAN EETWAREN EN BRANDSTOFFEN aan de ingezetene armen op Nieuwjaarsdag en het daardoor tegengaan en zo mogelijk geheel weren van het zogenaamd nieuwjaar wenschen door de behoeftige klasse, hetgeen eigenlijk niets anders is dan een onbetamelijke bedelarij, in zoverre door de burgerij is ondersteund, dat ook thans weder een uitdeling aan de armen zal kunnen plaats hebben.
Dat aan hen die nog mochten verlangen tot het beoogde doel bij te dragen daartoe gaarne gelegenheid gegeven wordt aan de huizen van de raadsleden.
En dat de uitdeling van levensmiddelen, die zich uitsluitend zal bepalen tot zodanige ingezetenen als waarvan de overtuiging bestaat, dat zij zich niet zouden ontzien op den nieuwjaarsdag te bedelen.

Elk jaar wordt een Register met de namen van de bedeelden voor de Nieuwjaarsuitdeling opgesteld. In dit register komen, globaal geteld, zo’n 450 namen voor.
Voor de uitdeling is onder meer aanbesteed bij de bakkers Jacobus Scheele, Jan de Groot en Isaac Le Clercq voor de levering van het benodigde brood; aan de speksnijders en slagers J.J. Sloover en W. Temperman 308 oncen spek en door de firma Janssen & La Motthe voor 8.140 turven.

In de vergadering van de gemeenteraad van 30 januari 1867 komt aan de orde de brief van de commissie voor de Nieuwjaarsbedeling met de verantwoording en het rapport van de bedeling gehouden op 1 januari 1867.
Raadslid De Laat de Kanter heeft volgens goede informatie vernomen dat de kwaliteit van het geleverde brood vrij slecht is geweest. Het spreekt vanzelf dat de commissie niet dan node tot afkeuring overgaat omdat het brood op de dag van de bedeling geleverd wordt. Maar, zo stelt hij de vraag, of het niet doelmatiger is dergelijke leveranciers voortaan uit te sluiten?
Verder treft hij onder de uitgaven een fooi aan voor de agenten van politie. De bedeling is een zaak die van het gemeentebestuur uitgaat en de politie staat ter beschikking van dit bestuur. Als men hier een gewoonte van maakt wordt hun ambitie voor gewone diensten, waar geen geldelijk voordeel te verkrijgen is, flauwer.
De heer Fransen van de Putte zegt tot toelichting dat het voor de commissie moeilijk is tot dadelijke afkeuring van het brood te besluiten zolang het geleverd brood niet slecht genoemd kan worden. De commissie kon tot dadelijke afkeuring niet komen omdat kropbrood minder makkelijk te bewerken is dan fijn tarwebrood. Wat betreft de fooi voor de politie, dit is een oude gewoonte. Hij zal hier een volgend jaar bedacht op zijn.