Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1861 - 1868)

Het gemiddeld aantal kiezers voor leden van de Tweede Kamer bedraagt gemiddeld 235; voor Provinciale Staten gemiddeld 225 en voor de gemeenteraad 390.

Gemeenteraad
De gemeenteraad bestaat op 1 januari 1861 uit de volgende elf leden:
mr. Martinus Pieter Blaaubeen (1851-1868>), voorzitter
mr. Pieter Hendrik Saaymans Vader (… -1868), griffier rechtbank
mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen (1851-1868>), president rechtbank
Jacobus Walraven van Kerkwijk (1840-1865), apotheker
Charles Petrus Soutendam (1851-1865), koopman en meekrapreder
mr. Andries Smallegange (1851-1865), notaris
Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte (1855-1868>), fabrikant
Gerardus Hendrikus Kakebeeke (1851-1868>), fabrikant
mr. P.J. van Voorst Vader (1855-1868>), rechter
dr. Roelof Benjamin van den Bosch (1851-1862), medisch dokter
Pieter Andries Hochart (1851-1862), apotheker
Wethouders zijn de heren G.H. Kakebeeke en J.W. van Kerkwijk.

Op 31 december 1868 bestaat de gemeenteraad uit de volgende elf leden:
mr. Martinus Pieter Blaaubeen (1851-1868>), voorzitter
mr. Wijnand Gijsbertus de Knokke van der Meulen (1851-1868>), president rechtbank
Johannes Adolphus Abraham Fransen van de Putte (1855-1868>), fabrikant
Gerardus Hendrikus Kakebeeke (1851-1868>), fabrikant
dr. C.A. van Renterghem (1868-1868>), medisch dokter
mr. Pieter Johannes van Voorst-Vader (1861-1868>), rechter
mr. Jean Henry de Laat-de Kanter (1862-1868>), procureur
Cornelis Pilaar (1862-1868>), winkelier
Otto Verhagen (1865-1868>), fabrikant
Adriaan Nortier Pzn (1867-1868>), koopman
C.C. van den Bosch (1865-1868>), administrateur
Wethouders zijn G.H. Kakebeeke (vanaf 1861-1866) en J.A.A. Fransen van de Putte (vanaf 1865-1866).

Op 18 januari 1862 overlijdt het raadslid Roelof Benjamin van den Bosch. Het gemeentebestuur ontvangt een kennisgeving van mevrouw M.G. van den Bosch-Lenshoek van het overlijden van haar echtgenoot, de heer Roelof Benjamin van den Bosch, medisch doctor en lid van de gemeenteraad.
Twee weken later is er een kennisgeving van mevrouw E.J. Hochart-van Casteel van het overlijden op 27 januari 1862 van haar echtgenoot Pieter Andries Hochart op de leeftijd van 69 jaar, lid van de gemeenteraad. Het gemeentebestuur schrijft haar terug:
In velerlei betrekking 1865 is de veel geachte overledene gedurende zijn leven werkzaam geweest ten nutte der gemeente en niet het minst ter bevordering van de belangen der armen. Moge hij in de gewesten der onsterfelijkheid het zalig loon genieten voor een wel volbracht leven en u en de uwen het voorrecht ten deel vallen hem daar eenmaal weder te vinden om nimmermeer te scheiden. God sterke uw ed. in deze zware beproeving om daarin gelaten te berusten. De gemeenteraad, betreurende het gemis van een waardig medelid, betuigt uw ed. zijne deelneming en de gevoelens van zijne oprechte hoogachting’.

In de raadsvergadering van 5 februari 1862 merkt voorzitter M.P. Blaaubeen op ‘dat de gemeenteraad ditmaal niet zo gelukkig is als in voorgaande jaren door de eerste vergadering te mogen aanvangen met allen waarmede men het voorgaande jaar heeft besloten. Hij herinnert met een toepasselijk woord aan het verlies dat deze vergadering en de gehele gemeente in de afgelopen maand geleden heeft door het overlijden van twee raadsleden, namelijk de heren R.B. van den Bosch en P.A. Hochart. Hij doet hulde aan hunne verdiensten in deze en andere maatschappelijke betrekkingen en hoopt dat hun opengevallen plaatsen op waardige wijze zullen vervuld worden, zullende de kiezers hunne nagedachtenis het best in eer houden door tot hun vervanging mannen te benoemen die door eerlijkheid en oprechte belangstelling in het welzijn van deze gemeente aan de overledenen gelijk zijn’.

De beide vacatures worden vervuld door benoeming van de heren mr. Jean Henry de Laat de Kanter en Cornelis Pilaar.

Eind december 1862 ontvangt de gemeenteraad bericht van de Commissaris van de Koning van het Koninklijk Besluit tot herbenoeming van mr. M.P. Blaaubeen tot burgemeester. De herbenoemde burgemeester roept ‘bij voortduring de hulp en medewerking van de gemeenteraad in om zijn pogingen tot bevordering van het welzijn der gemeente te doen gelukken’. Wethouder Van Kerkwijk feliciteert de benoemde met dit vernieuwde blijk van ‘s Konings vertrouwen, ‘niet alleen uit naam van de gemeenteraad maar ook in naam van de ingezetenen, wier tolk hij vermeent hiermede te zijn’.

In 1865 overlijdt de heer mr. A. Smallegange, in leven notaris en lid van de gemeenteraad.
Bij testament zijn vermaakt aan de Hervormde diaconie ƒ 1.000 en aan het rooms-katholiek parochiaal armbestuur eveneens ƒ 1.000.
Bij de verkiezingen voor de gemeenteraad in juli 1865 wordt de heer J.W. van Kerkwijk herkozen. Er moet een herstemming plaats hebben tussen de heren C.P. Soutendam, O. Verhagen, C.C. van den Bosch en mr. J.G. de Witt Hamer. Uit de herstemming blijkt dat de heren C.P. Soutendam en O. Verhagen benoemd zijn. De oudgediende Soutendam neemt zijn benoeming niet aan. De heer O. Verhagen aanvaardt zijn benoeming, hoewel dit tot spanningen binnen de gemeenteraad leidt.

De heer Van Kerkwijk deelt daarop namelijk mee ‘dat hij door de benoeming van de heer O. Verhagen niet verder in het belang van de gemeente kunnende werkzaam zijn, zijn vernieuwde benoeming niet aanvaardt’. De voorzitter betuigt zijn leedwezen en voorzeker dat van de gemeenteraad en een groot gedeelte der burgerij over het bedanken van de heren Van Kerkwijk en Soutendam en nodigt hen dringend uit op hun besluit terug te komen. Dit leidt niet tot resultaat. Er zal daardoor een nieuwe stemming voor twee raadsleden moeten plaats hebben.
Tot nieuwe leden van de gemeenteraad worden benoemd de heren K. Broes van Dort, huisarts, en Adriaan Nortier Pz.

Tijdens zijn laatste vergadering van het college van burgenmeester en wethouders op 2 september 1865 neemt het college afscheid van de scheidende wethouder J.W. van Kerkwijk. Het notulenboek vermeldt:
Daar het de laatste vergadering van het dagelijks bestuur is welke door de heer wethouder Van Kerkwijk, als lid van de gemeenteraad aftredende, wordt bijgewoond betuigt de voorzitter deswege zijn diep leedwezen, met dankbetuiging aan dien heer voor de vele en goede diensten door hem in onderscheidene betrekkingen aan de gemeente bewezen, waarmee de heer wethouder Kakebeeke zich verenigt. De heer Van Kerkwijk bedankt wederkerig de leden van het dagelijks bestuur voor hun vriendschappelijke omgang, met de beste wensen voor het welzijn der gemeente’.

In de vergadering van de gemeenteraad van 31 augustus 1865 betuigt de voorzitter zijn leedwezen dat de drie aftredende leden van de gemeenteraad, de heren J.W. van Kerkwijk, A. Smallegange en C.P. Soutendam, niet ter vergadering tegenwoordig zijn. Het notulenboek vermeldt:
Hij had hun zo gaarne, ook uit naam van de overige leden, dank gezegd voor de vele diensten gedurende hun lidmaatschap aan deze gemeente bewezen. Speciaal brengt hij hulde aan de heer Van Kerkwijk voor de verdienstelijke wijze waarop door hem een reeks van jaren het lidmaatschap van de gemeenteraad en het wethouderschap en zovele andere daaruit voortgevloeide betrekkingen waargenomen zijn. Hij wenst de aftredende heren een aangename en langdurige rust voor hunne wel volbrachte arbeid toe en verlangt zich zelve en de leden van deze raad, die het genoegen hadden met hun de gemeentebelangen te helpen behartigen, voortdurend in hunne vriendschap aan te bevelen’.

Bij de beëdiging van de heren O. Verhagen en C.C. van den Bosch tot leden van de gemeenteraad op 5 september 1865 vraagt de heer Verhagen het woord. Hij begint met zijn leedwezen te betuigen ‘over de demonstratie van de zijde van de heer Van Kerkwijk, die officieel verklaard heeft zijn lidmaatschap van de raad neer te leggen om sprekers wil. Hij legt een afdruk over van een open schrijven, opgenomen in de Goessche Courant van 11 augustus, met verzoek dit in het archief op te nemen, opdat hetgeen hij gedaan heeft na die demonstratie evenzeer een officieel karakter erlangen moge. Hij zegt het te betreuren dat daaromtrent het stilzwijgen is bewaard, omdat daardoor alle toenadering of opheldering is afgesneden geworden en schrijft aan al het gebeurde, dat niet anders dan een onaangenaam gevoel bij de voorzitter en de overige leden van de raad kan opwekken, het toe dat hem geen enkel woord van verwelkoming is toegesproken.
Hij zegt van deze gelegenheid echter gebruik te willen maken om openlijk hulde te brengen aan de beginselen welke sedert het optreden van de voorzitter aan het hoofd van de gemeente bij de meerderheid van de raad hebben gepredomineerd en gaarne te willen meewerken om de vruchten daarvan meer en meer te doen afvloeien voor de burgerij.
Hij verklaart geen oppositie te zullen voeren. In zijn oog is Goes in vele opzichten een voorbeeld geworden voor vele plaatsen in ons vaderland en hij dankt de voorzitter voor zijn ijver en vaste wil om in tijds gebrekkige toestanden te hervormen en te verbeteren, tevens als zijn overtuiging meedelende dat Goes daardoor in bloei is toegenomen. Hij zal trachten daartoe mee te werken’.

Uit de toespraak van de heer O. Verhagen blijkt dat het hier ging om een verschil van mening over het weigeren van het college om een onderhoud te hebben met hen die als leden van de Kamer van Koophandel op eigen kosten buitenlandse mogendheden hadden weten over te halen om langs diplomatieke weg mee te werken tot het verkrijgen van een andere richting van het kanaal door Zuid- Beveland. Het weigeren destijds van een onderhoud aan die commissie tot gemeenschappelijk overleg was in het oog van Verhagen ‘een daad door niets te verschonen’. Hij maakt daarvan de voorzitter geen verwijt, maar kennelijk beide andere leden van het college wel. Verhagen verklaart tenslotte ‘dat van hem geen kleingeestige vitterijen of bemoeilijkingen in het bestuur te verwachten zijn, maar veeleer medewerking in alles wat strekken kan om de belangen van de gemeente te helpen bevorderen’.

In de vergadering van de gemeenteraad op 14 september 1865 wordt gestemd over de benoeming van een wethouder in de plaats van de afgetreden J.W. van Kerkwijk. Bij de eerste stemming krijgen de heren Fransen van de Putte 5, Pilaar 4, Van den Bosch 1 en De Laat de Kanter 1 stem. Bij de tweede vrije stemming is er dezelfde uitslag. Daarna wordt gestemd tussen de heren Fransen van de Putte en Pilaar. De heer J.A.A. Fransen van de Putte wordt benoemd met vijf stemmen tegen vier op de heer Pilaar.
Op 3 september 1867 worden tot wethouders herbenoemd de heren G.H. Kakebeeke en J.A.A. Fransen van de Putte.

Op 18 mei 1867 overlijdt raadslid dr. K. Broes van Dort. Hij wordt opgevolgd door Adriaan Nortier.

In september 1868 doet zich nòg een vacature voor in de gemeenteraad. De heer mr. P.H. Saaymans Vader neemt ontslag als lid van de raad. De reden is dat hij door gedurige afwezigheid als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal verhinderd wordt geregeld de zittingen van de gemeenteraad bij te wonen. De voorzitter zegt dat men deze reden moet eerbiedigen, hoezeer het hem leed doet. In de vacature wordt benoemd de heer dr. C.A. van Renterghem.
Bij zijn installatie als lid van de gemeenteraad op 27 november 1868 merkt de heer Van Renterghem in zijn aanspraak tot de raad o.a. het volgende op:
Uit den aard van mijne betrekking ben ik van zeer nabij bekend met vele ingezetenen dezer gemeente, vooral uit de middenklasse, in wier midden ik mij dagelijks beweeg.
Ik ben door hen gekozen en let wel op de verklaring der publieke opinie: ik ben door de volkskeuze aangewezen om hunne belangen te vertegenwoordigen. Ik hoop dat vertrouwen niet te beschamen, mits die belangen niet voortvloeien uit partijzucht of in strijd zijn met mijn vrijgevige gevoelens, want ik verlang geen reactie, maar wel voortdurende ontwikkeling, toepassing en uitvoering van milde liberale beginselen, recht, vrijheid en gelijkheid voor allen’.

De gemeenteraad ontvangt in december 1868 een brief van de Commissaris van de Koning over de herbenoeming van mr. M.P. Blaaubeen als burgemeester van de gemeente Goes. De voorzitter verklaart ‘zich bereid het nieuwe tijdperk in die betrekking in te treden en zegt dat het van de welwillendheid der raadsleden zal afhangen hoelang hij die betrekking zal blijven vervullen. Hij beveelt zich verder aan in de medewerking en ondersteuning van deze raad’.
De heer O. Verhagen zegt ‘zich gevleid te hebben dat een ouder lid van de gemeenteraad een enkel woord had gesproken om namens de raad hare ingenomenheid te betuigen met dat koninklijk besluit. Hij beschouwt de tolk dezer vergadering te zijn als hij de voorzitter de nodige krachten toewenst om deze betrekking nog lange tijd te kunnen bekleden, vooral nu zij weten wat het is om op reeds vergevorderde leeftijd aan het hoofd van deze gemeente te staan. Hij wijst erop dat nog in dit jaar door de gehele burgerij een blijk van erkentelijkheid geschonken is voor het goede door hem verricht en met het oog daarop uit hij de wens, dat het hem moge gegeven zijn nog lang aan het hoofd der gemeente te staan’.

Er is in deze jaren nog een kwestie over het rondzenden van de stukken voor de leden van de gemeenteraad. In januari 1867 merkt voorzitter M.P. Blaaubeen op ‘dat de stukken bij de leden van de raad zijn rondgezonden geweest, maar dat die rondzending zo vertraagd is, dat hij bezwaar maakt voortaan tot die maatregel over te gaan’.
De heren Verhagen en De Laat de Kanter zouden het echter een groot bezwaar vinden als de rondzending van ontworpen stukken niet zou plaatsvinden. De heer De Laat de Kanter geeft in overweging de ontworpen stukken te laten drukken en aan ieder lid een exemplaar uit te reiken, terwijl de heer Verhagen de suggestie doet om de stukken bij de leden door de bodes te laten bezorgen en af te halen.
De voorzitter zegt toe middelen te beramen om de vertraging bij de rondzending tegen te gaan.

Gemeentesecretaris, griffier en secretariepersoneel
Deze jaren is gemeentesecretaris de heer H.C. Pilaar. Gemeenteontvanger is de heer J. van Renterghem de Fouw. Griffier is de heer Jozias Risseeuw. Commies-griffier is vanaf 1863 de heer Cornelis Risseeuw.

Bij de begrotingsbehandeling op 26 oktober 1861 besluit de gemeenteraad de bezoldiging van de griffier Jozias Risseeuw niet te verhogen, maar hem een gratificatie van ƒ 125 toe te kennen voor zijn buitengewone werkzaamheden en aan de conciërge van het Stadhuis een gratificatie van ƒ 25.

Er komt een onbezoldigd commies-griffier het secretariepersoneel versterken.
Naar aanleiding van hetgeen is besproken in de raadsvergaderingen van 23 en 25 oktober 1862 bij gelegenheid van het behandelen van de begroting wordt besloten pogingen in het werk te stellen ‘tot het bekomen van een geschikt jongeling om als commies-griffier in functie te treden om opgeleid te worden om de griffier te vervangen bij ziekte of andere verhindering’. Bij afwezigheid van de griffier dient er op de griffie een persoon aanwezig te zijn om het publiek behoorlijk te woord te staan. In november 1862 besluit de gemeenteraad op voorstel van het college een onbezoldigd commies-griffier aan te stellen per 1 januari 1863. Dit komt vooral door het tijdrovende bijhouden van de bevolkingsregisters. De enige sollicitant is de heer Cornelis Risseeuw. Hij mag per 1 januari 1863 in functie treden.

In december 1862 verschijnt het drukwerk ‘Aangevulde lijst van de periodieke werkzaamheden der gemeentebesturen in het bijzonder voor de provincie Zeeland’ door J. Risseeuw, griffier ter secretarie van Goes, gedrukt en uitgegeven bij F. Kleeuwens en zoon. Drie exemplaren hiervan worden toegezonden aan het Departement van Binnenlandse Zaken.

In de ontwerpbegroting voor 1865 is opgenomen een bezoldiging van de commies van f 200. De financiële commissie uit daar bedekkingen tegen. Burgemeester Blaaubeen zegt ‘dat die voordracht op zijn voorstel is geschied, daar het toch een onaangenaam gevoel geeft een ijverig ambtenaar op den duur zonder beloning te laten werken. Terwijl de werkzaamheden ter griffie zeer zijn toegenomen, zijn de jaarwedden in vergelijking met vroeger verminderd en is het aantal ambtenaren dat ter gemeentesecretarie werkzaam is aanmerkelijk minder dan in gemeenten van gelijke omvang’. Dit heeft tot het doen van dat voorstel geleid en wat door de beide wethouders scheen gedeeld te worden.

Raadslid De Knokke van der Meulen verklaart zich voor het voorstel. Hij vindt ‘het personeel ter griffie goed georganiseerd en bij elkander passende. Hij acht het van belang de tegenwoordige onbezoldigde commies-griffier door het toekennen van enige beloning aan te moedigen, wil men zich niet zien blootgesteld aan de onaangenaamheid dat hij voor zijn betrekking bedankt, in welk geval toch weer een ander zal moeten worden aangesteld’. Besloten wordt Cornelis Risseeuw een vernieuwde akte van aanstelling op de thans bepaalde jaarwedde van ƒ 200 te verlenen. Aldus wordt besloten.

In 1865 doet zich een bijzonderheid voor met betrekking tot gemeentesecretaris H.C. Pilaar. Het is op 2 juli 1865 vijftig jaar geleden dat hij aantrad op de secretarie van de stad, waarvan de laatste 17 jaren als secretaris. Griffier J. Risseeuw neemt op deze dag tijdelijk de secretaris waar in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders. Het college verzoekt de griffier Risseeuw op 2 juli 1865 het volgende in het notulenboek te vermelden:
Dat de uitmuntende wijze waarop de secretaris van dit college zijne ambtelijke gemeentebetrekkingen sedert vijftig jaren heeft waargenomen zo zeer door hen en de leden van de raad wordt gewaardeerd, op prijs gesteld, dat zij hun gezamenlijk bij gelegenheid van zijn jubileumfeest op heden aan zijn woning een bezoek hebben gebracht om hem daarmee geluk te wensen en als blijk van toegenegenheid en achting een pendule met toepasselijk diploma als herinnering aan deze voor den jubilaris zo gewichtige dag hebben aangeboden’.

Op 24 augustus 1867 ontvangt het gemeentebestuur een kennisgeving van de weduwe D.M. Risseeuw-van de Bree in verband met het overlijden van haar geliefde echtgenoot Jozias Risseeuw, in leven griffier ter secretarie der gemeente. Ze schrijft:
Na een kortstondige ziekte ontsliep hij in de morgen van de 23e dezer in de ouderdom van 44 jaar, mij met onze acht jeugdige kinderen in diepen rouw achterlatende. Overtuigd van uw deelneming in het verlies door mij geleden en erkentelijk voor het veeljarig vertrouwen door uw vergadering aan den overledene geschonken’.
De burgemeester schrijft namens de gemeenteraad terug:
De diensten door hem in zijne betrekking van griffier ter secretarie aan deze gemeente bewezen doen ons zijn verlies als zodanig betreuren en het gemis van zijne veelzijdige kennis zal zich meermalen doen gevoelen‘.

Met het oog op zijn opvolging besluit de gemeenteraad op 30 september 1867 de jaarwedde van de griffier te bepalen op ƒ 800 (dit was voor de overleden griffier Risseeuw ƒ 850) en om een klerk aan te stellen op een jaarwedde van ƒ 400 met het oogmerk om deze op te leiden tot griffier en secretaris (dit was ƒ 250).
Tot griffier wordt benoemd de heer Cornelis Risseeuw, commies-griffier ter secretarie en als zodanig belast met het agentschap van kazernering. De vader van de benoemde, notaris J.G. Risseeuw, stelt zich borg tot een bedrag van ƒ 500. Tot onbezoldigd commies-griffier ter secretarie wordt benoemd de heer H.J. Provo Kluit. Al in juni 1868 vraagt en krijgt Provo Kluit eervol ontslag.
Tot klerk wordt aangesteld Marinus Cornelis Zandijk, thans klerk bij de arrondissementsrechtbank te Goes en wonende te Goes. Hij solliciteerde vanwege het geringe salaris daaraan verbonden met het oog op de opvoeding van zijn kinderen. Dit noopte hem naar een beter gesalarieerde betrekking om te zien.

De voorzitter leest in de vergadering van de gemeenteraad van 8 oktober 1868 een door de 72-jarige gemeentesecretaris H.C. Pilaar ingediend verzoek om eervol ontslag per het eind van dit jaar voor met de volgende inhoud:
Dat hij, na gedurende 53 jaren ter gemeentesecretarie en daarvan de laatste 17 jaren als secretaris te zijn werkzaam geweest, gevoelt dat de krachten hem beginnen te begeven om de taak verder te volbrengen hem in die betrekking opgelegd. Dat hij het, bij die overtuiging, niet alleen ter bevordering van zijn rust gedurende de hem nog overige levensdagen, maar tevens in het belang der gemeente acht, dat zijn werkzaamheden als gemeentesecretaris aan jeugdiger krachten worden opgedragen en dat het hem mitsdien in alle opzichten wenselijk voorkomt hij uit die betrekking worde ontslagen. Reden waarom hij, na zijn erkentelijkheid te hebben betuigd voor het vertrouwen hem gedurende zo vele jaren geschonken en voor de welwillendheid welke hij van uw college en van het dagelijks bestuur steeds heeft mogen ondervinden, beleefd verzoekt om tegen het einde van het lopende jaar eervol te worden ontslagen als secretaris van deze gemeente, zo mogelijk onder toekenning van enig pensioen tot verheldering van den avond van zijn leven, hetwelk geheel is gewijd geweest aan de dienst der gemeente’.
Voorzitter Blaaubeen zegt dat het besluit niet alleen hem maar ook het college heeft gegriefd, maar zij de motieven van de heer Pilaar moeten billijken. Hij stelt namens het college voor het gevraagde eervol ontslag met ingang van 1 januari 1869 te verlenen onder toekenning van een pensioen van ƒ 300 per jaar als blijk van erkentelijkheid voor de meer dan een halve eeuw aan deze gemeente bewezen diensten.

Er solliciteren 28 personen naar de functie van gemeentesecretaris. Daaruit stelt het college de volgende voordracht op:
Hermanus Gerardus Hartman, 37 jaar, gemeentesecretaris te Lochem;
Jan van der Tang, 32 jaar, kandidaat-notaris te Voorschoten;
Willem Adriaan Anemaat, klerk bij de registratie te Goes;
Cornelis Risseeuw, 26 jaar, griffier ter secretarie van Goes;
mr. Pieter Roetert Tak te Middelburg.

Uit de sollicitanten naar de functie van gemeentesecretaris beveelt het college voor benoeming aan de heer Hermanus Gerardus Hartman. Hartman schrijft in zijn sollicitatiebrief onder zijn ‘werkzaamheden’: Schrijver van ‘Bestuur en administratie der Gemeenten in Nederland’; ‘Alphabetische Klapper op wetten’; ‘Wet op de vee tyfus’ enz. en artikelen in de Gemeentestem.

In de raadsvergadering van 1 december 1868 informeert raadslid De Laat de Kanter of er niet enige inlichtingen kunnen worden gegeven over de beweegredenen die het college heeft geleid tot de gedane aanbeveling. De voorzitter antwoordt dat het college zich alleen heeft laten leiden door ingekomen informaties en de persoonlijke kennismaking met enige van de sollicitanten. In algemene trekken kan hij alleen dit ervan zeggen dat het dagelijks bestuur met terzijdestelling van nevenomstandigheden als geboorte, maatschappelijke stand, fortuin en dergelijke alleen beoogd heeft diegenen aan te bevelen, die door kunde en bekwaamheid in hun oog uitmunten.
Daarop wordt in besloten zitting overgegaan om nadere informatie te verstrekken.
Na heropening wordt tot stemming overgegaan en blijkt dat de heer Hermanus Gerardus Hartman, secretaris te Lochem, benoemd is met 6 stemmen, terwijl 4 stemmen zijn uitgebracht op mr. Pieter Roetert Tak te Middelburg en 1 stem op mr. J. van der Tang te Voorschoten.

In de vergadering van de gemeenteraad van 28 december 1868 wordt overgegaan tot de beëdiging van de heer H.G. Hartman tot secretaris per 1 januari 1869. Na afloop daarvan spreekt de voorzitter hem toe o.a. met de woorden:
Bij het verlenen der acte wens ik u geluk met uwe benoeming. Ik begrijp dat gij ertegenop ziet een voorganger te moeten vervangen die meer dan een halve eeuw zijn betrekking als ambtenaar in deze gemeente naar waarde heeft bekleed. Ik weet echter dat een goede wil veel vermag en uw antecedenten doen van u grote verwachtingen koesteren. Ik hoop dat gij in allen dele aan die verwachtingen zult beantwoorden en dat het u hier wel moge gaan’.

De heer Hartman dankt de voorzitter voor de welwillende woorden tot hem gesproken. Hij zegt te beseffen dat het hem moeilijk zal zijn een voorganger te vervangen, dien hij de jongste dagen van zijn verblijf alhier ook uit gesprekken met anderen heeft leren kennen als een man van werken en als een goed secretaris. Hij heeft het voornemen dat schone voetspoor zoveel mogelijk te drukken en beveelt zich daartoe in de welwillende medewerking aan, zowel van de leden van de raad als van het college en van de burgemeester in het bijzonder.

Aan het eind van de vergadering van de gemeenteraad van 28 december 1868 richt de voorzitter het woord tot de aftredende secretaris H.C. Pilaar. Hij zegt te gevoelen ‘hoezeer dit ogenblik hem treft en wil daarom zeer kort zijn. In dat woord, Mijnheer de Secretaris, ligt een hartelijke dank opgesloten voor de vele en uitstekende diensten gedurende meer dan een halve eeuw in onderscheidene betrekkingen en laatstelijk als secretaris aan de gemeente bewezen. Ik spreek ook namens alle raadsleden en wens u van harte nog ettelijke jaren een aangename rust toe na uw wel volbrachte arbeid. Wij bevelen de belangen der gemeente aan u aan en ons zelven in uwe voortdurende vriendschap’.

De scheidende gemeentesecretaris H.C. Pilaar antwoordt hierop het volgende:
Mijne Heren. Wat ik gevoel bij het sluiten der laatste raadsvergadering, die door mij als secretaris zal worden bijgewoond, zal ik niet trachten onder woorden te brengen. Node toch leg ik die betrekking neder en alleen plichtsbesef heeft er mij toe geleid, bij de ervaring dat, naarmate mijne levensdagen vermeerderen, mijne krachten verminderen en ik weldra buiten staat zou wezen het hoofd te bieden aan de vele werkzaamheden die voor mijne rekening liggen en verder mede te gaan met den tijd zoals ik tot heden getracht heb dit te doen.
Het is mij een behoefte, bij deze gelegenheid, openlijk dankbare hulde te brengen aan vroegere en latere leden van het gemeentebestuur, waaronder ik meer dan drie en vijftig jaren ben werkzaam geweest, voor al het goede mij bewezen. Aan deze raad en aan het dagelijks bestuur vooral, bied ik mijn hartelijke dank aan voor de welwillendheid en toegevendheid welke ik steeds heb ondervonden en voor de ondubbelzinnige blijken van toegenegenheid die ik zo vaak heb mogen ontvangen. De herinnering daaraan zal bij mij wel altoos levendig en dierbaar blijven.
Wordt aan de wens van mijn hart voldaan, dan zullen uwe beraadslagingen en besluiten strekken tot bevordering van den bloei dezer gemeente en den welvaart van hare ingezetenen. Dan zullen de vruchten daarvan gezegend worden en beantwoorden aan uwe goede bedoelingen.
Moge het mij gegeven zijn als eenvoudig en vergeten burger daartoe mede te werken en daaraan iets bij te dragen, gaarne zal ik mijne laatste krachten daaraan wijden. Want de plaats is mij lief in welke ik het eerste levenslicht aanschouwde, waarin ik heb geleefd en gewerkt en waarin ik hoop eenmaal uit te rusten van mijn arbeid, nadat ik mijn aardsche loopbaan zal hebben ten einde gebracht.
Ik dank U Mijnheer de Voorzitter voor de goede, te vleiende woorden mij zo even toegesproken. Ook dank ik u dat ge mij de gelegenheid hebt gegeven om in deze vergadering te ontboezemen wat mij op het hart lag. Ik dank U mijne heren!
Ik dank u allen hier tegenwoordig, voor het welwillend gehoor aan mij verleend en ik beveel mij verder in aller toegenegenheid minzaam aan’.

Gemeenteontvanger
In 1867 overlijdt de gemeenteontvanger J. van Renterghem de Fouw. Er komt een brief bij het gemeentebestuur binnen van de heer P.H. van Lis, in zijn functie van executeur-testamentair. Hij geeft kennis van het overlijden op 23 maart van de heer Jacobus van Renterghem de Fouw in de ouderdom van bijna 76 jaar. Hij schrijft:
Het gemeentebestuur, die de overledene gedurende een zo lange reeks van jaren met zo groot vertrouwen vereerd heeft, zal het verlies kunnen beseffen’.
De voorzitter deelt mee dat namens de gemeenteraad door het college een brief van condoleance aan de weduwe is gezonden. De tijdelijke waarneming van de functie is opgedragen aan de schoonzoon van de overledene, de heer P.H. van Lis.

Naar de vacante functie solliciteren C. de Fouw, J.H. Janssen, S. de Laat de Kanter, Z.D. van der Bilt La Motthe, P.H. van Lis, J.M. Pilaar en C. Risseeuw. Het college is eenparig van gevoelen dat ieder van de sollicitanten de nodige geschiktheid en bekwaamheid bezit voor de goede waarneming van de vacerende betrekking, maar dat aan stadgenoten de voorkeur behoort te worden gegeven. Het zich toeleggen op en zich bekwamen in de gemeentelijke administratie of tegen een geringe beloning ter secretarie werkzaam zijn verdient aanmoediging. Dit kan niet beter geschieden dan de zodanige bij het ontstaan van vacatures in aanmerking te brengen. Om deze reden beveelt het college, met terzijdestelling van alle persoonlijke sympathieën, tot vervulling van de vacerende betrekking aan in alfabetische volgorde C. de Fouw en C. Risseeuw. De Fouw krijgt 1 stem, Van der Bilt 3, Pilaar 1 en Risseeuw 2 stemmen. Bij de tweede vrije stemming verkrijgt Z.D. van der Bilt la Motthe 4 en Risseeuw 3 stemmen, zodat de heer Z.D. van der Bilt La Motthe benoemd is.

Gemeenteopzichter en gemeente bouwmeester
Als gemeenteopzichter over de gemeentewerken fungeert Anthony van Leent.
Hij functioneert niet tot volle tevredenheid. Het college overweegt in juli 1861 ‘dat de opzichter zich heeft schuldig gemaakt aan verregaande nalatigheid in zijn betrekking en dat het voorstel tot zijn ontslag alleen is voorkomen door zijn belofte tot betere plichtsbetrachting en de bede van zijn vrouw en kinderen hem in zijn betrekking te behouden’. Ondanks daartoe gedurig gedane aanmaningen gedurende de afgelopen winter om zich de tijd te nutte te maken tot het in gereedheid brengen van de benodigde berekeningen en bestekken voor de gemeentewerken is hij in gebreke gebleven, terwijl de opmaking van de begroting voor 1862 op handen is. Besloten wordt het ontslag van Leent als opzichter van de gemeentewegen en werken aan de gemeenteraad voor te stellen en hem in afwachting daarvan in de uitoefening van zijn functie te schorsen. Hem wordt gelast om alle stukken, sleutels, enzovoorts van de gemeente die onder hem berusten binnen 24 uur ter gemeentesecretarie over te brengen.

In juli 1861 deelt het college de gemeenteraad mee dat, wegens herhaald plichtverzuim, Anthony van Leent in zijn functie van opzichter van gemeentewerken in de uitoefening van zijn functie is geschorst. Van Leent heeft daarop zijn ontslag aangeboden en verzocht hem dit eervol te verlenen. De gemeenteraad besluit het ontslag te verlenen zonder vermelding dat dit eervol geschiedt.
De gemeenteraad bespreekt of deze functie wel moet worden bestendigd. Met zes voor en twee stemmen tegen wordt hiertoe besloten. Oproepen worden gedaan in de Goessche, Middelburgsche en Haarlemsche Couranten.
Er zijn 26 sollicitanten. Met meerderheid van stemmen wordt benoemd Jan Soutendam.
De gemeenteraad stelt in januari 1861 een nieuwe Instructie voor de opzichter der gemeentewerken vast. Deze en een Instructie voor de bouwmeester van de gemeente worden in 1867 opnieuw vastgesteld.

Voor het eerst wordt in 1866 een gemeentelijke bouwmeester aangesteld. Met ingang van september treedt de heer D. de Koning in functie.

Overige gemeentelijke functionarissen
In december 1863 wordt uit 15 sollicitanten benoemd tot brugwachter en havenmeester M. Monhemius.

Het gemeentebestuur ontvangt in maart 1866 een rouwbrief met de volgende inhoud:
Wij vervullen een treurigen pligt, door UEd. kennis te geven, dat onze veelgeliefde Vader, de Weledele zeergeleerde heer LAURENS CAREL DE PEVAL, Medicine Docter alhier, heden nacht omstreeks half twee ure, na een geduldig lijden, in den ouderdom van 64 jaren overleden is. Overtuigd van uwe deelneming uiten wij den wensch, dat de Albestuurder UEd. nog lang voor zulke smartelijke verliezen moge bewaren en noemen ons met de meeste hoogachting, Zijne bedroefde kinderen.
Namens dezen,
J. de Peval’.

Het gemeentebestuur stuurt een lovende condoleance met betrekking tot de welwillendheid in voorkomende gelegenheden en getrouwe dienst als dokter en voor de armenpraktijk van de overledene.

In dit verband kan ook worden genoemd dat in augustus 1862 de heer J. Kakebeeke op zijn verzoek eervol ontslag is verleend als dijkgraaf van de Breede Watering bewesten Yerseke.
In zijn plaats wordt aangesteld tot dijkgraaf de heer W.A. de Laat de Kanter.

Verdeling gemeente in wijken
Verordening op de verdeling van de gemeente in wijken en de verhuizingen.
In 1862 stelt de gemeenteraad een Verordening op de verdeling van de gemeente in wijken en het houden van bevolkingsregisters, dit ingevolge het Koninklijk Besluit van 3 november 1861. De gemeente wordt in vijf wijken verdeeld. Eenieder die binnen de gemeente verhuist is verplicht binnen veertien dagen kennis te geven aan de secretaris van zijn verhuizing met opgaaf van de verlaten en betrokken woning.

Vertegenwoordiging in Provinciale Staten en Tweede Kamer
In 1861 hebben vier leden uit de gemeente Goes zitting in Provinciale Staten, te weten de heren mr. M.P. Blaaubeen, A. Kakebeeke, I.G.J. van den Bosch en J.P.I. Buteux.
In 1863 worden de heren mr. J.C.R. van der Bilt, J.H. Bijbau, J.W. Vader en O. Verhagen gekozen; zij worden in 1865 allen herkozen.
In 1868 worden gekozen de heren mr. M.P. Blaaubeen, J.P.I. Buteux, J.A.A. Fransen van de Putte en J.M. Kakebeeke.

Er heeft 1 vertegenwoordiger van het kiesdistrict Goes zitting in de Tweede Kamer. Dit is in 1861 de heer B.P.G. van Diggelen. Deze is in 1864 aftredend. In de vacature wordt gekozen de heer mr. J.H. de Laat de Kanter.