Aanvulling? Meld het hier.
<<

Verkeer en vervoer (1861 - 1868)

Beurtveren en veerdiensten

Waren er in de 18e eeuw nog beurtveren met beurtschepen vanuit Goes op wel vijftien steden, thans is dit teruggelopen tot een enkele beurtveerdienst. Deze veren zijn thans uitsluitend in particuliere handen; het gemeentebestuur heeft hier geen bemoeienis meer mee.

Enkele berichten over de beurtvaarten komen we in het gemeentearchief over deze jaren nog tegen. Er zijn nog een tiental beurtschepen in de vaart, te weten op Rotterdam, Gouda, Dordrecht, Middelburg, Zierikzee en Bergen op Zoom, hoewel de vaart aan de vrije concurrentie is overgelaten. 
Zo krijgt de beurtschipper Marijn Bakker in november 1861 vergunning om in het huis aan de Kleine Kade in wijk B nummer 176 een gat in de schoorsteen te breken om een kachelbuis te plaatsen. 
Eind mei 1866 deelt de gemeenteraad van Gouda mee het verzoek van A. van de Visse om ontslag als schipper van het beurtveer tussen Goes en Gouda v.v. in te willigen. Goes is aan de beurt om in de vacature te voorzien. 
In januari 1868 is er een brief van de beurtschipper van Goes op Rotterdam Dirk Boer, wonend te Goes. Hij verzoekt hem gelijk te stellen wat betreft het betalen van sasgeld met andere vaartuigen van deze stad. 

Van geheel andere aard is het veer over het Sloe. Op 3 mei 1861 verschijnt er een Publicatie van aanbesteding van het maken van enige werken tot verbetering van het veer over het Sloe op het eiland Walcheren. Ook op 20 april 1866 ontvangt het gemeentebestuur een bekendmaking van de voorgenomen aanbesteding van werken aan het veer van het Sloe. 

Te water wordt deze jaren veel materieel voor de in aanleg zijnde spoorweg aangevoerd, waardoor de vaart levendiger was dan in andere jaren. 

Postwagendiensten en diligences

Begin juli 1861 ontvangt het gemeentebestuur van de Minister van Binnenlandse Zaken een verzoekschrift van het bestuur van de Middelburgse Maatschappij van Stoomvaart om vergunning om een wagendienst aan te leggen tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer. Dit zal gaan dienen voor het vervoer van personen en goederen van geringe omvang in verband met hun Stoombootdienst tussen Middelburg en Rotterdam. Hierover wordt een gunstig advies afgegeven. In augustus 1861 verleent de Minister deze vergunning aan de Middelburgse Maatschappij van Stoomvaart voor het aanleggen van deze wagendienst.  

De logement- en stalhouder te Zierikzee J.P.J. Dronkers vraagt in 1862 een vergunning voor het aanleggen van een tweede diligencedienst van Middelburg op Goes, die in de zomermaanden doorgaat tot Schore en Kruiningen. Overwogen wordt dat het zeer te betwijfelen is of er aan een zodanige dienst behoefte bestaat. Bovendien levert de persoon van de verzoeker weinig waarborg op voor een goede en geregelde waarneming van die dienst. Het gemeentebestuur uit dan ook bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde concessie. Hierop volgt een afwijzende beschikking voor het aanleggen van een dergelijke wagendienst tussen Middelburg en Goes.

In mei 1865 verleent de Minister van Binnenlandse zaken een concessie aan Adriaan Krijger te Kruiningen voor een wagendienst tussen Goes en Kruiningen. Deze vertrekt van Kruiningen op dinsdag, donderdag en zaterdag ‘s morgens om 8 uur en retour van Goes ‘s middags om 3 uur.

Cornelis van Zweeden krijgt in september 1867 vergunning voor een wagendienst tussen Goes en Wolphaartsdijk.  

In 1868 zijn dan ook postwagendiensten:

  • tussen Goes en Middelburg van Willem de Fouw;
  • tussen Goes en het Katse veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Middelburg van Lourens Rijk en Pieter Panny; 
  • tussen Goes en het Kortgeense veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Vlissingen van Willem Adriaan Anemaet;
  • tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer in verband met de stoomboten tussen Rotterdam en Middelburg van de Middelburgse Stoomvaart Maatschappij;
  • tussen Goes en Kruiningen van Adriaan Krijger;
  • tussen Goes en het Katse veer van Frans Kopmels;
  • tussen Goes en het Wolphaartsdijkse veer van Cornelis van Zweeden.   

De postwagendiensten worden verzorgd met de volgende diligences of postwagens:

  • twee geel geschilderde driebanks diligences, rijdend bij toerbeurt tussen Goes en het veer van het Sloe, staande onder directie van de heer W. de Fouw;
  • vier driebanks wagens, waarvan drie geel en een groen geschilderd, rijdend tussen Goes en het Catse veer, staande onder directie van de huurkoetsier Lourus Rijk;
  • een geel geschilderde driebanks wagen, rijdend tussen Goes en het Cortgeense veer, staande onder directie van de huurkoetsier Laurus Willeboer.

Elk jaar worden deze vervoermiddelen gekeurd door de commissaris van politie, vergezeld van de wagenmaker Damus Meijler en de smid Jan Wabeke, in de bergplaats van publieke vervoermiddelen. 

De directeur van de Stoomboten ‘Telegraaf’ te Goes, I.D. van der Bilt la Motthe, geeft het gemeentebestuur in januari 1868 kennis dat de heren Verweij & compagnon te Rotterdam hem hebben bericht dat ze tot op heden nog geen concessie voor de omnibusdienst van Goes op Wemeldinge v.v. op de stoomboten ‘Telegraaf’ hebben ontvangen. 

In april 1868 ontvangt het gemeentebestuur van Gedeputeerde Staten het verzoek om haar gevoelen kenbaar te maken over de door Cornelis van Zweeden aangevraagde vergunning voor een wagendienst tussen Goes en Hoedekenskerke. De burgemeester bericht terug dat ‘wij zeer ingenomen zijn met het voornemen van de adressant en zullende eene geregelde uitvoering van hetzelve bevorderlijk zijn aan een goede communicatie tussen deze gemeente en de stoombootdienst op de Westerschelde.
De te volgen weg van deze postwagen zal zijn de straatweg van Goes naar ‘s-Gravenpolder en vanaf ‘s-Gravenpolder naar Hoedekenskerke over de grindweg. Vermeld wordt dat het rijtuig zal zijn op vier wielen en met veren, bespannen met twee paarden, zonder onderweg van paarden te verwisselen. Vertrek van Goes des morgens om 8.30 uur, aankomst te ’s-Gravenpolder om 9.15 uur en te Hoedekenskerke om 10.00 uur. Na vertrek uit Hoedekenskerke is de aankomst te ‘s-Gravenpolder om 10.45 uur en te Goes om 13.30 uur.
In september 1868 verzoekt de ondernemer van de diligence van Goes op Hoedekenskerke, Cornelis van Zweden, subsidie voor het in standhouden van zijn dienst uit de provinciale fondsen omdat het weinige vervoer het hem anders onmogelijk maakt langer in de dienst te kunnen voorzien. Hij heeft over de maand mei slechts van het vervoer ontvangen 39 gulden, in juni 49 gulden en in juli 78 gulden. Dit is te gering voor het onderhoud van een span paarden en een rijtuig met voerman. Redenen waarom hij verzoekt zijn verzoek bij Gedeputeerde Staten gunstig te willen ondersteunen. 

De stalhouder Frans Kopmels deelt het gemeentebestuur in augustus 1868 mee dat hij Gedeputeerde Staten concessie heeft gevraagd voor een diligence, een wagendienst voor het vervoer van personen en goederen, tussen Goes en het Catse veer v.v. en tussen Goes en Wolphaartsdijk v.v. in verband met de aankomst aan het Catse veer en het Wolphaartsdijkse veer van de stoomboot van de Spoorboot Maatschappij te Middelburg. 

Stoombootdiensten

Begin november 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van Verweij en Compagnon, cargadoors te Rotterdam en boekhouders van de Hollandsch Zeeuwsche Stoombootrederij. Bij de brief is een Reglement en Tarievenlijst gevoegd. De firma verzoekt vergunning voor het openen van een Schroef-Stoombootdienst tussen Rotterdam en Goes. Met het oog op de nog bestaande concessie voor een zodanige veerdienst en de omstandigheden waarin de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart verkeert wordt besloten de positie waarin het gemeentebestuur verkeert mee te delen. Ook zal het onnodige van een dadelijke vergunning worden betoogd. Vooralsnog wordt het verzoek van de hand gewezen. 

De Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart verkeert onmiskenbaar in problemen. Op 29 november 1862 neemt het gemeentebestuur voor kennisgeving een brief aan van de heren J. de Fouw, mr. P.J. van Voorst Vader en A. Nortier van 20 november. In deze brief wordt kennisgegeven van de door hen gedane aankoop van het Stoomschip ‘Stad Goes’ en het woonhuis en de erve op de Grote Kade, toebehoord hebbend aan de ontbonden Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart. Ze hebben het voornemen om de bestaande concessie over te nemen en de vaart van Goes op Rotterdam v.v. te bestendigen. 
De brief is geschreven met het oog op de dezer dagen aan de heren Verweij en Compagnon te Rotterdam verleende concessie voor een stoombootdienst tussen Goes en Rotterdam v.v. voor het vervoer van passagiers en goederen. Ook strekt deze brief tot voorkoming van alle moeilijkheden tussen die firma en genoemde concessionarissen omtrent de door het Stoomschip ‘Stad Goes’ gebruikt wordende los- en ladingsplaats aan de Grote Kade. In het belang van hun onderneming verzoeken ze om aan die firma een bepaalde vergunning te verlenen om, met uitsluiting van andere stoomboten, ten behoeve van de Goessche Stoombootonderneming genoemde los- en ladingsplaats in het vervolg te gebruiken. Deze vergunning is aan de ontbonden Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart, in de rechten waarvan de adressanten door aankoop van het stoomschip zijn getreden, door het gemeentebestuur steeds stilzwijgend verleend.
Besloten wordt aan de adressanten bij voortduring te vergunnen het gebruik van de los- en ladingsplaats voor het Stoomschip ‘Stad Goes’ aan de Grote Kade. Dit gebeurt echter niet met gehele uitsluiting van anderen, maar gaat alleen over het recht om daarvan bij voorkeur gebruik te maken zodat daarvan geen gebruik mag worden gemaakt door enig ander vaartuig hoe ook genaamd. 

Eind december 1862 wordt in handen van het college van burgemeester en wethouders gesteld een adres van de heren J.A.A. Fransen van de Putte, mr. M.P. Blaaubeen en F.S.A. Knitel, directeur en commissarissen van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart en als zodanig concessionarissen van een Schroef Stoombootdienst van Goes op Rotterdam. Dit behelst het verzoek om die concessie over te brengen op de heren mr. P.J. van Voorst Vader, J. de Fouw en A. Nortier, kopers van het stoomschip ‘Stad Goes’, voor hun firma de Goessche Stoombootonderneming. Besloten wordt tot inwilliging van dat verzoek gunstig te adviseren.

Tezelfdertijd, op 26 december 1862, ontvangt het gemeentebestuur een brief van Gedeputeerde Staten van 12 december met de mededeling dat de Minister van Binnenlandse Zaken vergunning heeft verleend aan de firma A.J. Verweij en Compagnon te Rotterdam voor een stoombootdienst tussen Rotterdam en Goes.

In januari 1863 is gedurende de onlangs gewoed hebbende storm door het stoomschip ‘Stad Goes’ enige schade veroorzaakt aan het sas. De kosten worden verhaald op de Goessche Stoomboot Onderneming. 

De Ingenieur van de 1e klasse voor het Stoomwezen schrijft het gemeentebestuur op 16 januari 1863 het volgende:
Naar aanleiding van het mij ter kennis gekomene is de Stoomboot ‘Stad Goes’ door verkoop niet meer het eigendom van de te Goes gevestigde Goessche Maatschappij voor Stoom- en Zeilvaart. De akte van vergunning voor die boot, aan deze maatschappij uitgereikt, is hierdoor niet meer geldig. Het schijnt echter dat de tegenwoordige eigenaar gebruik gemaakt heeft van die boot zonder van een behoorlijke akte voorzien te zijn’. 
Hij wijst erop dat hetzelfde is gebeurd met het stoomtuig, geplaatst in de voormalige garancinefabriek van de heer Van Renterghem. De vergunning voor het gebruik van dat stoomtuig is dus ook als vervallen te beschouwen.
Door de nieuwe eigenaren zal een nieuwe aanvraag om een vergunning dienen te worden gedaan. Dit is door de nieuwe eigenaren ook gedaan.

Op 31 januari 1863 komen bij het gemeentebestuur twee brieven binnen van de Goessche Stoombootonderneming. De ene brief behelst de mededeling dat tot conducteur op de stoomboot is benoemd Bernardus Adolf de Leeuw uit Rotterdam. Verzocht wordt om hem als politiebeambte te beëdigen. Dit gebeurt twee dagen later.
De andere brief houdt een kennisgeving in van de verkregen vergunning om de stoombootdienst van de ontbonden Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart op haar firma te doen overgaan mits borg stellende tot een bedrag van minstens ƒ 2.000. Daarvoor wil de heer mr. P.J. van Voorst Vader zich verbinden. Het hoofdbeheer blijkt overgegaan te zijn naar de heer Z.D. van der Bilt.
Van Gedeputeerde Staten komt eind januari 1863 een mededeling van de bewilliging tot het overgaan van de concessie van de Stoombootdienst van Goes op Rotterdam v.v. van de Goessche Maatschappij van Stoom- en Zeilvaart op de Goessche Stoombootonderneming bij besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 1863.

Op 21 februari 1863 komt een brief van Gedeputeerde Staten bij het gemeentebestuur binnen. Deze bevat de mededeling van de verleende vergunning aan de firma A.J. Verweij en compagnon om de Stoomboot ‘Zuid-Beveland’, bestemd voor de dienst tussen Rotterdam en Goes, in de vaart te brengen.
Dit leidt weer tot een ingekomen brief van 21 februari 1863 van de hoofdcommissaris van de Vereniging van werklieden te Goes met de kennisgeving dat voor het lossen van de stoomboot ‘Zuid-Beveland’ van de vereniging geen gebruik gemaakt wordt. Het gemeentebestuur neemt deze voor informatie aan.

Op dezelfde dag, 21 februari 1863, ontvangt het gemeentebestuur ook een brief van de Agent van de Hollandsche en Zeeuwsche Stoombootrederij onder directie van de heren Verweij en compagnon te Rotterdam met het verzoek om een los- en ladingsplaats aan de kaai voor de stoomboot varende tussen Rotterdam en Goes. Hij geeft daarbij in overweging om een bepaling te maken dat stoomschepen, die elkaar in de haven voorbijvaren, niet dan met de minst mogelijke kracht elkaar zullen passeren. Besloten wordt de Stoomboot tot wederopzeggens het einde van de Kleine Kade in de hoek bij de ophaalbrug aan te wijzen. Dit onder de uitdrukkelijke bepaling dat het vervoeren van vrachtgoederen van en naar die boot nimmer mag gebeuren langs de Kleine Kade.

Geregeld doen zich problemen voor met de stoomboten die te Goes aanmeren. 
Zo wordt in mei 1863 door commiezen van de Rijksbelastingen overgebracht een afschrift van een proces-verbaal opgemaakt tegen Jan Brouwer, gezagvoerder op het stoomschip ‘Stad Goes’, wegens de aanvoer van zeep die niet behoorlijk door documenten is gedekt. 
In augustus 1863 komt ter sprake bij het gemeentebestuur dat de snelle vaart van de stoomboten door de haven afschuiving van de havenboorden veroorzaakt. Besloten wordt dan ook om de directie van de stoomboten ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’ aan te schrijven om voortaan met de minst mogelijke stoomkracht de haven te bevaren. Daarop geeft de directie als antwoord de kapitein gelast te hebben om zich daarnaar te gedragen.
In oktober 1864 besluit het gemeentebestuur tot voorkoming van klachten over het schutten van de stoomboten, varende vanaf Goes, de sas- en buitenhavenmeester te gelasten om bij gelijktijdige aankomst van beide stoomboten het eerst te schutten die boot die van Goes komt en naar buiten moet. 

In november 1864 doen zich opnieuw problemen voor. Het gemeentebestuur overweegt dat het meermalen gebleken is dat er bij het aankomen van de stoomboten aan het Goese Sas geen water genoeg voor de wal is om de buitenhaven te bevaren. Daardoor geraken die boten aan de grond in de schutkolk. Een gevolg hiervan is dat dan, vooral bij het uitvaren, alles in het werk wordt gesteld om vooruit te komen. De schroef wordt dan daarvoor in beweging gebracht. Dit geeft al schade veroorzaakt aan de vloer en daardoor zal in het vervolg grote schade en gevaar kunnen ontstaan, bijvoorbeeld doordat een door de schroef losgeslagen steen uit de vloer het sluiten van de deuren zou kunnen beletten. Daardoor zou bij grote aandrang van water de boven beugel kunnen springen of de deur uit de pot gelicht kunnen worden.
Verder wordt overwogen dat het meer en meer blijkt dat het werken van de schroeven van de stoomboten in de haven grote schade veroorzaakt aan de havenbermen en die beschadiging groter is naarmate met meerder kracht wordt gestoomd.
Dit geeft aanleiding voor het besluit van het gemeentebestuur om het werken met de schroef van de stoomboten in de havensluis te verbieden alvorens de boot het midden van de kolk heeft bereikt en de schroef zich bevindt in de richting van de palen die op de schutkolkdijken zullen geplaatst worden en blijven. Verder wordt besloten het varen in de haven met groter kracht dan nodig is om in minstens zestig minuten van de kade aan het Sas en van het Sas in de kade aan te komen te verbieden. De sas- en buitenhavenmeester wordt gelast op de nakoming van dit besluit te letten en bij strijdigheid daarmee proces verbaal op te maken.

In januari 1865 deelt de directeur Van der Bilt La Motthe het gemeentebestuur mee dat met ingang van 1 april 1865 tot gezagvoerder op de schroefstoomboot ‘Stad Goes’, dienstdoende tussen Goes en Rotterdam v.v., is benoemd de heer Gerardus Johannes Bruker, voorheen koopvaardijkapitein in dienst van de Middelburgsche Commercie Compagnie, thans zonder beroep, wonend te Middelburg. Hij komt in de plaats van de heer Jan Brouwer, die eervol is ontslagen per 1 april.

De agent van de Zuid-Bevelandse stoomboot, C.J. Geijsen, geeft in mei 1865 te kennen dat het kantoor van de stoomboot verplaatst is naar de Lange Dijk achter de Sint Jacobstraat vanaf de nieuwe gevangenis in wijk B nummer 130. Hij verzoekt daarom vergunning te verlenen om met een handkar van de hoek tot aan het kantoor te rijden, alsook om een uithangbord te plaatsen aan die dijk waarop vermeld staat ‘Kantoor Stoomboot Zuid-Beveland’.  

In oktober 1865 zijn er weer gedurig klachten van eigenaren en gebruikers van panden, aan de boorden van de haven gelegen, en van schippers. Steeds meer blijkt dat de kaaimuren en beschoeiingen, aangelegd op kosten van de gemeente, bloot staan aan beschadiging door de vaart van de stoomboten. Het gemeentebestuur besluit de directeuren van de stoomboten ‘Stad Goes’ en ‘Zuid-Beveland’, varende tussen Goes en Rotterdam, aan te schrijven om bij het beproeven van de werktuigen tegen het vertrek en bij het verlaten van de kade en het passeren van de fabrieken die aan de haven zijn gelegen en bij het naderen daarvan bij aankomst, de kracht van de machines en de vaart zodanig te matigen dat dergelijke beschadigingen ophouden. Bij voortgaande handelwijze zullen maatregelen worden genomen dat de boten in en even buiten de kade niet anders zullen mogen varen dan door paarden getrokken of voortgestuwd door het bomen zoals dit geschiedt met andere vaartuigen. 

Per 1 januari 1867 komt er een einde aan het bestaan van de Goessche Stoomboot Onderneming en de stoomboot ‘Stad Goes’. Op 27 december 1866 geeft J.D. van der Bilt La Motthe namens de Firma ‘de Goessche Stoomboot Onderneming’, gevestigd te Goes, kennis ‘dat wij voornemens zijn met de 31e dezer maand de dienst met onze stoomboot ‘Stad Goes’, varende tussen Goes en Rotterdam en tussen gelegen plaatsen v.v., uit hoofde van het winterseizoen te staken, waarvan op de gebruikelijke wijze aan de belanghebbenden is kennisgegeven. Tevens hebben wij de eer u te berichten dat verscheidene omstandigheden de niet-voortzetting van onze onderneming raadzaam maken en wij dientengevolge zijn besloten die te ontbinden, weshalve wij niet voornemens zijn de stoomboot ‘Stad Goes’ met het aanstaande voorjaar weer in de vaart te brengen’.
De directie van de Stoomboot vraagt daarop vergunning om de stoomboot, ‘welke haar vaart heeft gestaakt en op morgen van Rotterdam herwaarts komen zal, voorlopig te leggen in de kade alhier op de door uw college aan te wijzen plaats’. 

In dit verband dient ook melding gemaakt te worden van een brief van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Zierikzee van 6 mei 1868 met het verzoek om adhesie te betuigen aan een adres aan Provinciale Staten van Zeeland, strekkende tot het bekomen van een verbinding van Zierikzee met de te openen spoorweglijn van Goes op Bergen op Zoom. Dit zou dan moeten gebeuren door middel van een stoombootdienst van Zierikzee op het Goessche Sas in verband met een omnibusdienst van daar op het spoor. De Zierikzeese Kamer van Koophandel vraagt dit in het belang van de eilanden Schouwen en Duiveland. Burgemeester Blauwbeen deelt de gemeenteraad mee dat het college zeer ingenomen is met dat denkbeeld en gaarne het voorstel doet om de verlangde adhesie te verlenen. De gemeenteraad stemt hier dan ook mee in. 

Huurkoetsiers

In januari 1863 geven de vrachtrijders Jan Koens en Adriaan de Klerk kennis dat Koens bij akte van 18 juni 1861 pachter is geworden van het zogenaamde nachtwerk in deze gemeente voor zeven jaar. Door zijn klimmende jaren is Koens buiten de mogelijkheid geraakt om alles wat daartoe betrekking heeft met die nauwkeurigheid en zorg uit te voeren die de zaak vereist. Daarom is hij te rade geworden onder goedkeuring van het gemeentebestuur zijn pacht aan een ander over te laten. Hij heeft Adriaan de Klerk bereid gevonden de pacht op de geldende voorwaarden over te nemen. Als borgen voor de richtige nakoming daarvan verbinden zich de huurkoetsiers Laurus Willeboer en Dignus Willeboer. Het gemeentebestuur gaat hiermee akkoord. 

De huurkoetsier Jacobus Johannes Koens wijst het gemeentebestuur in september 1867 op ‘de grote moeilijkheden en bezwaren welke het gevolg zijn van de nauwe passage voor rijtuigen langs de west- en zuidzijde van het kerkhof, zijnde de route naar zijn afspanning, waarvan het drukke verkeer met rijtuigen in de laatste jaren zeer aanzienlijk is toegenomen en alzo op het wenselijke om daarin door het afnemen van een gedeelte van dat kerkhof ter verbreding van de straat te voorzien. De grote moeilijkheden aan de nauwe passage verbonden worden niet weinig verhoogd door de gladde ijzeren deksels waarmee de beide goten op de draaien bij het weeshuis en de Kreukelmarkt zijn gedekt en waardoor niet zelden de paarden uitglijden en geheel onderste boven vallen’. Dit is de reden waarom hij verzoekt of het de gemeenteraad behagen moge genoemde straat langs het kerkhof zo mogelijk enige ellen te verbreden. En zeker om in alle gevallen de gladde ijzeren deksels van de goten te doen vervangen door zulke deksels waardoor het vallen van de paarden meer zou worden belet. 

Ook de andere huurkoetsier, Pieter Willeboer, doet tegelijkertijd en wel op 21 september 1867, van zich horen. Hij deelt mee dat ‘hij grote moeilijkheid, somtijds met gevaar gepaard gaande, ondervindt door de donker bij zijn woning en stalling bij het aankomen en afrijden van wagens des avonds laat en des morgens vroeg’. Hij verzoekt ‘eerbiedig doch dringend om op de hoek van de cingel nabij zijn woning een lantaarn te doen plaatsen ter voorkoming van ongelukken, temeer den weg zich door kruist en met het oog op de spoorweg de passage aldaar nog drukker staat te worden en het onmogelijk is om onder de aldaar staande bomen het punt van de wagens of rijtuigen te onderscheiden en het meermalen gebeurd is dat men tegen of zeer nabij elkander is en uit dergelijke voorvallen somtijds de gevolgen niet te berekenen zijn’. 

Spoorweg

Deze jaren staan in het teken van de aanleg van de spoorlijn door Zuid-Beveland.

Op 9 juli 1861 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de Commissie voor de Staatsspoorwegen met de kennisgeving dat Ingenieur M. Simons weldra in deze gemeente met het doen van opmetingen, waterpassingen, enzovoorts voor de aanleg van de spoorweg zal beginnen. Besloten wordt de hulp en medewerking van de ingezetenen bij officiële bekendmaking in te roepen om de werkzaamheden te vergemakkelijken en te bevorderen. 

In september 1861 komt er een circulaire van de Commissaris van de Koning met het bericht dat eerlang een aanvang zal worden gemaakt met de werkzaamheden voor de opneming, uitbakening enzovoorts voor de spoorweg van de sectie Woensdrecht - Goes met het verzoek aan de bevordering van dat werk mee te werken. 

De Commissaris van de Koning verzoekt het gemeentebestuur in december 1861 om bij het ontvangen van ‘ordonnanties van betaling’ wegens aangekochte percelen voor de aanleg van de spoorweg deze aan de belanghebbenden te doen uitreiken en de ontvangst ervan te berichten aan de Commissie voor de staatsspoorwegen. Daaraan zal worden voldaan.

De Ingenieur van de Staatsspoorwegen schrijft het gemeentebestuur op 4 mei 1862: 
De richting van de spoorweg tussen Woensdrecht en Goes, zoals zij uitgebakend is, goedgekeurd zijnde, zo maakt het thans een punt van overweging uit waar het voor de Stad Goes bestemde station zal moeten worden geplaatst en het zou mij aangenaam zijn het gevoelen van het bestuur uwer gemeente dienaangaande te kennen. Als plaatsen komen in aanmerking de op bijgaand kaartje roodgekleurde gedeelten A en B in de zogenaamde Ter Welhoek met een toegang voor A langs de stads- of Poelweg of langs het Steenwegje en voor B langs de Steenweg‘. 

Het gemeentebestuur antwoordt hierop onder meer:
Het komt ons voor dat de plaatsing van de voormalige Koepoort op de kaart niet juist is, maar deze werkelijk behoort in den hoek der gracht alwaar wij de vrijheid genomen hebben een x te plaatsen. Dat daardoor de toegang tot den Poelweg, op die kaart aangewezen als aanbevelenswaardig om te komen op het station gemerkt A, niet recht maar met een bocht, wel een met opgaande bomen beplant terrein zal lopen, waarom zowel als om het station van twee zijden der stad, door de Koepoort en Ganzepoort, bereikbaar te maken het ons verkieselijker voorkomt den weg te maken door de nummers 97 en 98 van het Kadaster, op de wijze zoals wij ons veroorloven in potlood aan te wijzen.
Het station B van de zijde van de stad te bezoeken komt ons hoogst ongeraden voor, vooral om de nauwheid van de Voorstad die alsdan in haar geheel gepasseerd zou moeten worden en evenals de toegang tot A langs het Steenwegje aan grote bezwaren zou onderhevig zijn, vermits dat wegje aanmerkelijk verbreed zou moeten worden en dan nog met moeite bereden zou kunnen worden’. 
Bij de betreffende archiefstukken bevindt zicht een grote fraaie situatiekaart.

Op 10 mei 1862 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de eerstaanwezende Ingenieur bij de Staatsspoorwegen te Bergen op Zoom. Daarbij wordt meegezonden een kaart van dat gedeelte van de gemeente hetwelk in aanmerking zou kunnen komen voor het plaatsen van een station. Verzocht wordt om daarover het gevoelen van het gemeentebestuur te mogen kennen. Besloten wordt een keuze te doen uit de twee opgegeven punten en met opgave van een veranderde toegang daarvan, dit onder terugzending van de kaart. De Ingenieur wordt verzocht om de aanleg van de te maken toegangsweg zoveel mogelijk voor rekening van het Rijk te doen ‘en deze zwaar gedrukte gemeente zo min doenlijk te bezwaren’.

Op 5 juli 1862 krijgen de grootse plannen een concretere uitwerking. Van de Commissaris van de Koning ontvangt het gemeentebestuur een brief waarbij worden toegezonden de stukken zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet van 28 augustus 1851 met betrekking tot de Staatsspoorweg van Bergen op Zoom naar Goes, voor zoveel de spoorlijn in deze gemeente zal zijn gelegen. Deze stukken worden ter visie gelegd. De tervisielegging geeft de grondeigenaar, de heer Jacob Kakebeeke, aanleiding ‘ten aanzien van de van de eventueel aan te leggen spoorweg door deze gemeente en betreffende het verlenen van uitwegen aan zodanige percelen als welke door dien weg zullen worden afgesneden van de uitwegen thans aan dezelve behorende’. Het gemeentebestuur oordeelt het verlangen van Kakebeeke billijk en is van mening dat dit behoort te worden ingewilligd. Besloten wordt het bezwaarschrift bij de verdere behandeling van de zaak in gunstige overweging te nemen. 

De burgemeester overlegt op 7 februari 1863 de bij hem ingekomen kennisgeving van Gedeputeerde Staten van de benoeming van de heren Jhr. P. Damas van Citters en mr. J.C.R. van der Bilt als commissie uit dat college tot het aanhoren van de bezwaren die mochten worden ingebracht tegen het plan voor de aanleg van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes voor wat deze gemeente betreft.
Er wordt tegelijk ook een Bekendmaking gepubliceerd over de ter inzagelegging van de plannen, kaarten, grondtekeningen en verdere stukken met betrekking tot de percelen in de gemeente, die tot onteigening voor de aanleg van de spoorweg zijn aangewezen. 
Op 14 maart 1863 vindt de zitting van de commissie tot onderzoek van de bezwaren tegen de aanleg van de spoorweg door deze gemeente plaats. De burgemeester krijgt een afschrift van het proces-verbaal en van het advies van de commissie. 

De Commissaris van de Koning stuurt op 2 mei 1863 een brief aan het gemeentebestuur met een afdruk van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1863. Deze brief geeft de eigendommen aan die ten behoeve van de aanleg van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes ten algemenen nutte in het publiek belang en ten name van de Staat behoren te worden onteigend. Hij verzoekt daarvan een bekendmaking te doen overeenkomstig de bepalingen van de Wet van 28 augustus 1851.

Op 27 juni 1863 neemt het gemeentebestuur kennis van een circulaire van de Commissaris van de Koning van de 19e juni met verzoek om medewerking, in het kader van het volgende spoorwegtraject, bij de opneming en uitbakening van de spoorweg van Goes naar Vlissingen. Daaraan wordt voldaan.

In september 1863 volgt er een nieuwe aanschrijving van de Commissaris van de Koning. Hij verzoekt om de daarin opgegeven gemachtigden voor de aankoop van de eigendommen ten dienste van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes de behulpzame hand te bieden. Daaraan zal worden voldaan.

De ene circulaire over de aanleg van de spoorlijn volgt de andere op. Zo ook in januari 1864. Er komt dan een circulaire over toegestane vrijdom van briefport voor dienstzaken over de aankoop van percelen voor de staatsspoorwegen. 
Begin maart 1864 ontvangt de burgemeester een aanschrijving van Gedeputeerde Staten voor het andermaal ter visie leggen van de plannen en verdere stukken betreffende de spoorweg van Bergen op Zoom tot Goes omdat er meer grond moet worden onteigend dan vroeger is aangewezen. 

In februari 1864 komt er een brief van Gedeputeerde Staten met een uitnodiging om de beschouwingen van het gemeentebestuur mee te delen omtrent het verzoek van het Burgerlijk Armbestuur betreffende de afstand van grond vallende in de lijn van de spoorweg. Het gemeentebestuur geeft een beschouwing overeenkomstig het daartoe gedane voorstel van de burgemeester. Kort daarop komt de beschikking van Gedeputeerde Staten op het verzoek van het Burgerlijk Armbestuur over de afstand van grond vallende in de lijn van de staatsspoorweg en de verkoop van de op die grond staande bomen. 
Ook wordt goedkeuring van Gedeputeerde Staten ontvangen van het contract tot afstand van grond van het weeshuis aan de stad voor de spoorweg door deze gemeente.

Van andere orde is een brief van Gedeputeerde Staten van maart 1864. Daarbij wordt voor advies in handen van het gemeentebestuur gesteld een adres van de heer G. Alberts met verzoek om vergunning voor het gebruiken van een vervoerbaar stoomwerktuig bij de werkzaamheden aan de spoorweg van Bath naar Goes. Besloten wordt daarop goedgunstig te beslissen. Er komt binnen enkele weken een beschikking op het adres van Alberts over het gebruik van een vervoerbaar stoomtuig.

Begin maart 1864 doet de burgemeester een bekendmaking dat de commissie uit het college van Gedeputeerde Staten haar werkzaamheden heeft volbracht en dat op de secretarie ter inzage zal liggen het uitgewerkte plan met algemeen lengteprofiel en algemene situatiekaart van de spoorweg van Woensdrecht naar Goes en verdere stukken, die tot onteigening voor de aanleg van de spoorweg zijn aangewezen. Bij deze stukken bevindt zich een mooie tekening van de spoortrein met locomotief en personenwagens en goederenwagens. 

Begin april 1864 ontvangt de burgemeester een brief van Gedeputeerde Staten waarbij wordt ingezonden het proces-verbaal van de commissie die op de 24e maart te Goes zitting heeft gehouden over de onteigening voor de spoorweg. Dit wordt ter visie gelegd.  

In juni 1864 ontvangt de burgemeester een brief van de commissaris van de Koning met een afdruk van het Koninklijk Besluit van 20 mei 1864 waarbij nadere aanwijzing geschiedt van te onteigenen percelen voor de spoorweg. Hiervan wordt overeenkomstig bekendmaking gedaan. 

De werkzaamheden aan het nieuwe spoor geven ook reden tot overlast. De hoofdonderwijzer Brouwer van de bijzondere school in de Wijngaardstraat geeft in augustus 1864 te kennen ‘dat de wagens bestemd voor het vervoeren van het grind, benodigd voor de spoorweg, als ze leeg terugkomen om een nieuwe vracht te halen, de Wijngaardstraat passeren. Dikwijls volgen drie van die wagens onmiddellijk op elkaar en rijden in redelijke draf voort. Dit geraas veroorzaakt dat telkens het onderwijs in de school voor enige ogenblikken moet worden gestaakt. Hij geeft zijn wens te kennen dat het uw edelachtbaren behagen mocht te gelasten dat genoemde wagens de terugweg nemen langs de singel aan de oostzijde der stad. Een weg zeker wel wat langer, maar waarop men in de regel niet zoveel hinderpalen zal ontmoeten door het tegenkomen van andere wagens of zodanige maatregelen te beramen waardoor genoemde bezwaren mogen worden uit de weg geruimd’. 
In augustus 1864 komt er opnieuw een brief van het hoofd van de bijzondere school aan de Wijngaardstraat bij het gemeentebestuur binnen. Opnieuw zijn er klachten over het onverpoosd rijden van lege wagens, die grint hebben gelost voor de spoorweg voorbij zijn school, dit tot grote hinder voor het onderwijs. Hij verzoekt dat deze wagens zullen rijden buitenom de stad. Ook andere bewoners van de Wijngaardstraat doen hun beklag hierover. 
Wethouder Kakebeeke wordt uitgenodigd bij de aannemer van de spoorweg pogingen aan te wenden om dit bezwaar te doen ophouden.

In oktober 1864 ontvangt het gemeentebestuur een brief van de gemachtigden tot de aankoop van gronden vallende binnen de staatsspoorweg door Zuid-Beveland. Kennis wordt gegeven van de wegen in de gemeente Goes waarvan de doorsnijding gevorderd wordt. Dit met verzoek om te mogen weten of er en zo ja, welke bepalingen omtrent die doorsnijding zouden dienen te worden gemaakt. Naar aanleiding van het bij die brief gedane aanbod zijn die heren uitgenodigd voor een bespreking met het gemeentebestuur op aanstaande maandag. 

Ook in oktober 1864 doet de voorzitter de gemeenteraad mededeling van een ingekomen missive van de commissie tot aankoop van gronden voor de spoorweg betreffende de doorsnijding van wegen in deze gemeente, zijnde de straatweg van Goes naar Kloetinge en de Poelweg, waarvan de eerste is rijksweg, zodat daarbij alleen de Poelweg in aanmerking komt.
Hij deelt mee dat het college een conferentie met de commissie gehouden heeft. Het is hen gebleken dat de overwegen met afsluitingen, op- en afritten van de overwegen tot aan de afsluiting in onderhoud zullen blijven bij de gemeenten die thans daarmee belast zijn. Dit onderhoud zal zich bepalen tot het in stand houden van de opritten met grind waarvoor de gemeente enige vergoeding zou kunnen vorderen.

Het college ontvangt in november 1864 een brief van de heer mr. J.L.H. Liebert in zijn functie van gemachtigde tot de aankoop van gronden voor de spoorweg. Hij verzoekt dat vanwege de gemeente Goes voor dat doel worden afgestaan 7 roeden en 73 ellen zijkant van weg en watergang voor een bedrag van ƒ 146, vrij van kosten. Besloten wordt de gemeenteraad hiervoor een voorstel te doen.

In januari 1865 is er een ingekomen brief van de Minister van Binnenlandse zaken, namens deze de secretaris-generaal van de Staatsspoorwegen, met de volgende inhoud:
Ik heb de eer u hierbij te doen toekomen een ordonnantie van betaling wegens schadeloosstelling voor ingenomen eigendommen, gelegen in de gemeente Goes en Kloetinge, ten behoeve van de spoorweg van Roosendaal naar Goes volgens de hierbij gaande lijst no. 4/48. Ik verzoek u dat stuk aan de belanghebbende te willen uitreiken en de bijgevoegde lijst, na door u ondertekend te zijn, zonder geleidende missive aan het departement terug te zenden’.

De Ingenieur van de Staatsspoorweg, de heer Simon te Bergen op Zoom, doet in februari 1865 het voorstel om, bij het vestigen van een station tot watervoeding in deze gemeente, daarvoor te mogen gebruik maken van het water uit de grachten of de vest rondom de stad voor de locomotieven. Dit water is daarvoor geschikt bevonden. Hij wil graag vernemen of over dat water zal kunnen worden beschikt en zo ja, of men dan ook de zekerheid zou kunnen verlangen dat niet te eniger tijd dat waterreservoir wordt opgeruimd of onbruikbaar gemaakt.
Hierover houdt het college een conferentie met de ingenieur. Daarbij komt ook ter sprake de verlichting van de weg van de singel tot het stationsgebouw. 
Bij het college zijn geen bezwaren tegen een vergunning om gebruik te maken van het water uit de vest ten dienste van de spoorweg ingekomen. De voorzitter stelt de gemeenteraad dan ook voor het verzoek in te willigen en de verzekering te geven dat de stadsvest zal blijven bestaan en het water niet onbruikbaar zal worden gemaakt. Het voorstel wordt met algemene stemmen aangenomen, echter onder uitdrukkelijk voorbehoud dat het de gemeenteraad ten allen tijde vrij blijft aan de singels, de kanten van de vest of door de vest zodanige werken aan te leggen als in het belang van de gemeente wenselijk of noodzakelijk zullen voorkomen en onder verplichting aan de zijde van de administratie van de spoorweg om, zo nodig, voor haar rekening door het aanbrengen of verlengen van kokers of buizen het water uit de vest in de sloot of de watergang, lopend ten oosten van de stationsweg, te doen uitvloeien. 

Tegelijk deelt de voorzitter de gemeenteraad mee in de conferentie met de Ingenieur ook te hebben besproken over de verlichting van de weg tussen de singel en het stationsgebouw.  Overeengekomen is dat vanwege de directie over de spoorweg zal worden gerealiseerd de gasleiding, de candelabres en de lantaarns in en op de stationsweg. De gemeente zal voor haar rekening nemen de verlichting van deze weg en van de singels of toegangswegen. 

Warmoezenier Marinus de Dreu deelt het gemeentebestuur in december 1865 mee dat hij bij aankoop eigenaar is geworden van de houten directiekeet, staande nabij het stationsgebouw voor de spoorweg in de gemeente. Hij is voornemens deze af te laten breken en weer op te bouwen op zijn grond gelegen tussen de percelen E 136 en 137 aan de ‘s-Heer Hendrikskinderendijk.

Het gemeenteverslag over 1865 vermeldt dat ‘de onteigening van gronden voor de staats-spoorweg van het oostelijk gedeelte van dit eiland tot en met deze gemeente is afgelopen, de baan uitgebakend en in aanleg'

In de raadsvergadering van 20 april 1866 stelt de voorzitter voor dat de gemeenteraad het college machtigt tot aanstelling van een assistent binnenhavenmeester op een bezoldiging van ƒ 50 per jaar. Als reden daarvoor noemt hij dat door de vele aanvoeren ten behoeve van de staatsspoorweg de haven, strekkende van buiten de brug tot aan de grens van de Wilhelminapolder, bijkans onophoudelijk met drukke scheepvaart is bezet voor het lossen van materialen. Het is onmogelijk dat de brugwachter, die tevens binnenhavenmeester is, die surveillance uitoefent en tegelijkertijd voor het openen en sluiten van de brug zorgt. Het zou dan uitsluitend iemand moeten zijn om de ligging van de schepen in dat gedeelte van de haven te surveilleren om de vrije vaart van de stoomboten en andere schepen te verzekeren. De gemeenteraad gaat met dit voorstel akkoord.

Eind mei 1866 delen dertien bewoners of eigenaren van percelen gelegen in het gebied ‘Tussen de twee poorten’ mee dat door het dagelijks rijden van de zogenaamde spoorkarren, die gebruikt worden voor het weghalen van de aangevoerde grond aldaar, de hinder aan de straten zo toeneemt dat onderscheidene regenbakken gesprongen, ja zelfs enige muren gebarsten zijn. Ze hebben ondervonden en nagegaan dat dit bij het rijden van de zogenaamde boerenwagens het geval niet zo erg is. Redenen waarom ze verzoeken, na gedaan onderzoek, te willen verbieden of althans te wijzigen het rijden met zwaarbeladen karren. De ondertekenaren van de brief zijn o.a. de heren C. Wessels, J.P. den Boer, J. Brouwer, Jozias van de Velde, B. Janse, M. Harinck en J. van Blitterswijk en de dames Harinck, B. den Boer, C. de Munck, J.M. Dekker en J.C. John.

In augustus 1866 komt er bericht van de Commissaris van de Koning met toezending van een afdruk van het Koninklijk Besluit houdende aanwijzing van de eigendommen die ten behoeve van de aanleg van de staatsspoorweg van Goes langs Middelburg naar Vlissingen en van het kanaal van Vlissingen naar Middelburg met de daarbij behorende werken, dienen te worden onteigend. De tussenkomst van het gemeentebestuur wordt verzocht opdat het in de Goessche Courant wordt geplaatst (‘Het komt mij wenselijk voor dat die plaatsing zo spoedig mogelijk in een nummer van de courant geschiede’).

Aan het einde van de vergadering van de gemeenteraad van 4 september 1866 deelt de voorzitter nog mee een uitnodiging ontvangen te hebben van de aannemer van de spoorweg aan de leden van de raad en de secretaris om morgenochtend om tien uur deel te nemen aan de eerste rit van de locomotief op Zeeuwse bodem. Hij geeft deze uitnodiging door ter kennisname. 

Voorzitter burgemeester Blaaubeen merkt aan het einde van de vergadering van de gemeenteraad van 22 mei 1867 op ‘dat meer en meer het uitzicht ontstaat dat eerlang de dienst op de spoorweg zal worden aangevangen. Het college is op het denkbeeld gekomen om bij het invoeren van dit communicatiemiddel zo mogelijk algemene periodieke veemarkten te dezer plaatse in te voeren. Het spreekt vanzelf dat daarbij van onderscheidene zijden medewerking zal moeten worden verzocht, doch alvorens tot zodanige maatregelen een bepaald voorstel te doen wensen zij het gevoelen van de leden van de raad te kennen’.
Wethouder Fransen van de Putte wenst een enkel woord over het nut van deze zaak te spreken, daar hij door afwezigheid vermoedelijk de volgende vergaderingen niet zal kunnen bijwonen. Hij betoogt het volgende:
Naar hij verneemt vorderen de werkzaamheden aan de afdamming der Oosterschelde uitmuntend, zodat het uitzicht bestaat, dat de spoorweg op een vervroegd tijdstip kan worden geopend. Met die opening verkeert Goes naar de algemene mening op een gewichtig keerpunt, immers als landstad bestaat deze gemeente voornamelijk van de weekmarkten en rijst als van zelve de vraag of die, bij aansluiting aan grotere plaatsen, zullen bestendigd blijven, in bloei toenemen of verminderen. Voor dit laatste bestaat gevaar wanneer er geen werkzaamheid en energie bij het bestuur en de ingezetenen wordt betoond, als middelen om de markten van Goes te bestendigen en zo mogelijk uit te breiden.
Als een uitmuntend daartoe dienstig middel acht hij de instelling van algemene periodieke veemarkten. Goes als in het midden van Zeeland gelegen, biedt daartoe de meest geschikte gelegenheid aan. Die markten moeten niet beschouwd worden als tentoonstellingen van alleen uitmuntend vee, neen, oude en jonge paarden, hoornvee van alle soort, schapen, lammeren, varkens, alles moet aangeboden worden. De verbeterde communicaties stellen daartoe de producenten van dit eiland niet alleen, maar ook van de andere eilanden in staat. Verscheidenheid van aanvoer zal met de spoorweg kopers lokken en kunnen dergelijke markten goed tot een centrale markt maken, evenals dit thans reeds ten opzichte van de wolmarkt het geval is. Daardoor kunnen naar zijn oordeel de bestaande markten worden bestendigd en verlevendigd en alzo tot meerdere bloei der gemeente leiden’. 
De deliberaties over dit gewichtig onderwerp worden tot de volgende vergadering aangehouden. 
In de volgende vergadering van de gemeenteraad van 5 juni 1867 of 1868 ? brengen de heren Verhagen en De Laat de Kanter hulde aan het voornemen van het college. Zij zijn hiermee hoogst ingenomen. Met algemene stemmen wordt dit beleidsvoornemen aangenomen. 

In juni 1867 merkt raadslid De Laat de Kanter in de vergadering van de gemeenteraad op vernomen te hebben dat er uitzicht bestaat dat in juli volgend jaar de spoorweg in exploitatie zal komen. Hij vraagt in hoever de gemeentelijke bouwmeester voldaan heeft aan de hem gevraagde inlichtingen over de voorgenomen demping van een gedeelte van de vest tot uitbreiding van de stad. De voorzitter antwoordt dat die informatie nog niet ontvangen is, maar spoedig verwacht kan worden. 

De gemeentearchivaris van Middelburg, mr. J.H. de Stoppelaar, bericht in augustus 1867 aan zijn Goese ambtgenoot dr. R.A.S. Piccardt: 
Het zal u niet onbekend zijn dat alhier de vorige maand een feestviering heeft plaats gehad bij gelegenheid van de aanvang der werken voor de oude Zeeuwsch- Limburgse spoorweg. Daar ook uw gemeente min of meer betrokken is, had ik het voornemen aan uw gemeentebestuur een exemplaar van de daartoe strekkende feestwijzer aan te bieden. Helaas heb ik dit door de drukte als voorzitter der feestcommissie verzuimd. Deze wordt hierbij alsnog toegezonden’.

In de raadsvergadering van 15 april 1868 komt een voorstel van het college ter tafel voor de benoeming van een speciale commissie tot het voorbereiden van en voortdurend regelen van de in het leven te roepen veemarkten. Naar het oordeel van het college moet, wil die commissie doelmatig werken, deze zijn samengesteld uit een lid van het dagelijks bestuur, twee leden van de gemeenteraad en vier leden te kiezen uit de handel, landbouw en neringdoende stand, bijgestaan door een ambtenaar van de gemeentegriffie als secretaris.
Benoemd worden tot voorzitter J.A.A. Fransen van de Putte, namens de gemeenteraad de heren O. Verhagen en A. Nortier en als leden van de handelstand, landbouw en neringdoende stand de heren J.H.C. Kakebeeke, P. Fabry de Jonge, J.M. Kakebeeke en C.E. Massee en tot secretaris C. Risseeuw. 

De commissie stuurt op 10 juni 1868 een brief met een concept verordening naar het gemeentebestuur. Raadslid De Laat de Kanter is teleurgesteld, vooral wat betreft artikel 1 over de aanvoer van vee. Hij meent dat het de bedoeling was op iedere marktdag gelegenheid te geven tot aanvoer van vee en daardoor aan de marktdagen enige uitbreiding te geven.
Wethouder Fransen van de Putte merkt op aanvankelijk hetzelfde denkbeeld te hebben, maar bij het bespreken van de realisering van de veemarkten in de commissie voerden de praktische leden aan dat hij zich in die mening had vergist. Dit gaf aanleiding tot de nu voorliggende redactie om de marktdagen van voldoende belang te doen zijn om vreemde kopers op deze dagen te lokken.
De heer Verhagen merkt op dat het hoofddoel van de commissie is om door het aangeven van bepaalde marktdagen kopers te lokken en alzo de eerste stoot tot realisering te geven. Minder gunstige gevolgen zijn daarvan te verwachten bij het houden van wekelijkse markten. De bepaling van premies voor ieder stuk vee is om alle veehouders aan te moedigen hun vee ter markt te brengen, hetzij veel hetzij weinig.
Niettemin, de heer De Laat de Kanter is niet overtuigd van de noodzaak van de beperking van de marktdagen, vooral wat betreft de aanvoer van paarden. Slechts tweemaal in het jaar is in zijn oog te gering voor het houden van paardenmarkten. Wethouder Fransen van de Putte antwoordt daarop dat voor de paardenmarkten zijn aangewezen de tijdstippen waarop het werk begint en wanneer de paarden gestald worden. 

De voorzitter deelt de gemeenteraad op 10 juni 1868 mee dat hem ter ore is gekomen dat de spoorweg, lopende langs deze gemeente, eerlang zal worden geopend. Hij is van gevoelen dat die opening met enige plechtigheid zal dienen plaats te hebben en meent dat er op de provinciale begroting een post voorkomt tot het bestrijden van dergelijke kosten. Hij stelt voor bij Gedeputeerde Staten een aanvraag te doen om uit die post een bijdrage voor dat doel beschikbaar te stellen. Waarop raadslid O. Verhagen opmerkt dat hij bij zijn verblijf in Den Haag vernomen heeft dat de opening van de spoorlijn op 1 juli zal plaats hebben. Er wordt uitgegaan van een bedrag van ƒ 2.000.
Gedeputeerde Staten berichten op 19 juni 1868: 
In antwoord op uw schrijven van de 13e dezer hebben wij de eer u te melden dat wij bereid zijn voor de feestviering bij gelegenheid van de opening van de spoorweg van Bergen op Zoom naar Goes uit de provinciale fondsen een krediet te verlenen tot een maximum van ƒ 2.000. Het zou ons echter aangenaam zijn dat te dezer zake door uw vergadering te rade wierd gegaan met een commissie uit ons midden waartoe wij de heren mr. Van der Bilt en Buteux hebben uitgenodigd’. 
Bij de archiefstukken bevindt zich de ‘Feestuitgave van de Middelburgsche Courant van 1 juli 1868 met daarboven de kop: EERSTE ZEEUWSCHE SPOORWEGLIJN, met een tekening van de spoortrein eronder. 

In de vergadering van de gemeenteraad van 20 juli 1868 zegt voorzitter Blaaubeen met het grootste genoegen aan de gemeenteraad te kunnen meedelen dat de feestviering op de 1e juli, bij de opening van de spoorweg Bergen op Zoom-Goes, in alle opzichten naar wens is verlopen en daarvoor door het dagelijks bestuur openlijke en individuele dankbetuigingen zijn gedaan.